Wie schrijft, die blijft

Bekende en minder bekende Nederlanders kiezen hun persoonlijke motto, leefregel of ultiem inspirerende zin .

’Ik had in de negentiende eeuw geboren willen zijn. Dan nam ik niet de trein maar ging ik met de trekschuit, lekker varen met zo’n lange pijp in mijn mond. Het gedicht De Rijn van Julius de Geyter; ik kan het zo uit mijn hoofd opdreunen, maar wie leest er nog gedichten uit de negentiende eeuw?

’Wie schrijft, die blijft’ – ik vraag me af wat de werkelijkheidswaarde daarvan is. Ik ben bijna 85, heb zeventig boeken geschreven en weet niet of ik blijf. Jan de Hartog, Bordewijk, wie leest ze nog? Ik herinner me een schrijver uit Harlingen die nog is voorgedragen voor de Nobelprijs, maar ik ben zijn naam vergeten. Daar heb je het al.

Ik ben nogal een nostalgische man, net als rechercheur De Cock in mijn boeken. Wat hij doet en zegt komt uit mijn koker. Wat een heerlijke man. Hij vloekt niet, schiet of vecht niet. Hij is gewoon een man die zijn werk doet en verder niets bijzonders. Hij is ook een man die niet helemaal tot zijn recht komt in deze tijd. Hij doet niets met moderne apparatuur en DNA. De boeken eindigen ook nooit spannend: De Cock zit gewoon aan de keukentafel het verhaal te vertellen aan zijn vrouw. Dat deed ik ook altijd. Ik ben veertig jaar bij de politie geweest en mijn vrouw leefde altijd mee met de zaak. Ik vertelde haar altijd hoe ik de klus weer geklaard had.

In mijn politietijd vond ik procesverbalen maar ondingen. Ik mocht alleen maar schrijven wat ik had waargenomen. Aan het waarom kwam ik niet toe. Terwijl mij juist interesseerde wat de drijfveren van zo’n moordenaar zijn. Die interesse is de hele basis voor mijn vertellerij.

Ik kom uit een calvinistisch nest en vind dat het recht moet zegevieren. In mijn boeken wordt de moordenaar daarom altijd gepakt, maar ik heb vaak erbarmen met de dader. Eerst denk je: wat een rotvent. Tot die man tegenover je zit en dezelfde ideeën blijkt te hebben als jij. Het verschil is hoe je reageert op de situaties die op je afkomen; wat voor weerstand je hebt opgebouwd. Dat ligt voor een groot deel aan je opvoeding.

Ik had mijn werk als rechercheur en schrijver nooit goed kunnen doen als ik niet naar het verhaal achter de moordenaar had gepluisd. Ik ben echt verbaasd dat er niet meer schrijvende agenten zijn; in de Warmoesstraat worden dagelijks de meest smartelijke verhalen binnengebracht.

Mijn eerste boek, ’5x8 grijpt in’, kwam uit in 1959. Dat was echt een grote flop, maar via Bram Bakel, een journalist van De Telegraaf die ik kende van de moord op Magere Jossie, heb ik wat korte verhalen kunnen schrijven voor de Revue. In 1965 begon ik met mijn eerste ’De Cock’ en daar zijn inmiddels zo’n 7 miljoen boeken van verkocht.

Toch heb ik mijn veertig jaar bij de politie volgemaakt. Ik had kunnen stoppen, maar ik zou tot mijn zestigste werken en dan doe ik dat. In die tijd zijn er jaren geweest dat ik drie keer mijn jaarsalaris van de politie aan de belasting afdroeg.

Straks komt mijn zeventigste ’De Cock’ uit en in september word ik 85. Dan ga ik met pensioen. Of ik daarna nog veel gelezen zal worden weet ik niet. Nog wel een paar jaar, denk ik.

Mijn oude uitgever Wim Hazeu zei altijd: „Als je doodgaat word je nog één jaar gelezen en dan is het afgelopen.” Ik weet niet of dat echt helemaal zo is, maar de zin ’Wie schrijft die blijft’ zal wel niet op de realiteit gebaseerd zijn.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden