Wie of wat zijn wij eigenlijk? En waar zijn we dat?

Richard Holmes, de biograaf van Shelley en Coleridge, vertelt in zijn laatste boek ’The Age of Wonder’ over zijn eerste blik in de ruimte door een telescoop: ’Het betrof de ’Old Northumberland’, een 11 inch refractor gebouwd in 1837, in het observatorium in Cambridge. Ik was totaal overrompeld. We keken naar een bolvormige sterrenhoop in Hercules, een blauw-gouden dubbelster in Beta Cygni, en een gaswolknevel (ik vergat de naam op te schrijven, want ik vond hem zo mooi en zo bedreigend dat ik hem in mijn bibberige aantekeningen beschreef als een reusachtige blauwe kwal oprijzend uit een bodemloze zwarte oceaan). Ik denk dat ik ten prooi viel aan een soort kosmische duizeling, het vreemde gevoel dat ik door de buis van de telescoop de nacht in zou kunnen vallen en verdrinken.’

Bert Keizer

Dat wil ik ook wel eens meemaken, want ik heb helaas nog nooit door een telescoop gekeken. Voor een bescheiden versie van die ervaring bezocht ik de fototentoonstelling ’First Light, Photography & Astronomy’ in Huis Marseille op de Keizersgracht.

De expositie begint in de kelder met opnames van de aarde, vanuit de ruimte gezien. Ik herinner mij de siddering nog waarmee ik indertijd keek naar de Nasa-foto ’Earth Rising seen from the Moon’. Het leek allemaal zo precair, die lieve blauwrode toverbal waarop wij schuilen onder een dun gaslaagje in de gigantische lege ruimte, een wonder dat dat allemaal goed ging, erg onwaarschijnlijk dat dat goed zou blijven gaan. Maar wat betekent ’goed’ nog op zo’n plaatje?

Inmiddels heb ik deze opkomende aarde zo vaak gezien dat ik er geen last meer van heb. Ik zie de maan nu als heel dichtbij. Je kunt er gewoon naar toe. Er is een filmpje waarop een astronaut in een leuk autootje over het erg stoffige maanoppervlak rijdt. Dat is, als je er goed naar kijkt, toch wel vreemd hoor. Neem bijvoorbeeld de afwezigheid van een atmosfeer zodat er geen blauw uitspansel is op de maan. Zouden wij andere types zijn geworden als de immense leegte om ons heen ons niet alleen ’s nachts maar ook overdag zou hebben aangestaard? Hoe dan ook, er zijn plekken buiten de aarde waar je mogelijk in een autootje kunt rondrijden.

Deze huiselijke overlap verdwijnt op verschrikkelijke wijze bij nadering van de zon. Hier kunnen we nooit naar toe. We zouden ons er zelfs niet in de buurt kunnen wagen. Op het woest borrelende oppervlak van de zon drijven gasbellen met een grootte van 500 tot 1000 kilometer in doorsnee en soms zijn er explosies waaruit zonnevlammen de ruimte in worden geslingerd tot een hoogte van 300.000 kilometer en dit alles bij temperaturen tussen de 60.000 en 1 miljoen graden Kelvin. Ik begrijp niet waarom dit al zo lang voortduurt, omdat ik het zie als een vuurwerkramp waarvoor naar mijn mening nooit genoeg vuurwerk valt aan te slepen. Het houdt dan ook een keer op, zoveel is duidelijk, maar het gesprek daar over zou ik willen uitstellen tot de herfst, met uw welnemen.

In de tentoonstelling, of in de ruimte, wordt vervolgens een stap gezet in de richting van wat echt heel erg ver weg ligt. Stephen Hawking zei in ’A brief History of Time’ dat hij elke poging tot het visualiseren van kosmologische waarden als zeer hinderlijk ervoer, en je ontkomt inderdaad niet aan de betrekkelijke leegte van een aanduiding als ’miljoenen lichtjaren van ons verwijderd’. Plaatjes gemaakt van objecten die zo ver van ons weg zijn kunnen in geen enkele relevante betekenis van het woord lijken op wat we daarginds zouden zien als we er heen gingen. Toch maken we afbeeldingen van deze onbegrijpelijke gebieden en die hebben een heel eigen maar ook verdachte schoonheid. Het begint al met het woord ’nevel’ dat duidt op iets zeer voorbijgaands maar dat hier gebruikt wordt om structuren aan te duiden die miljoenen jaren hetzelfde blijven. De beelden worden gemaakt met sluitertijden van vele uren en gebruikmaking van infrarood, röntgen, ultraviolet en soms zichtbaar licht. De resultaten zijn in zekere zin verbluffend. Als je niet weet waar het over gaat dan oogt het als abstracte kunst, maar dan wel gemaakt door een collectief dat verkoopbaarheid hoog in het vaandel heeft. Zo is er het onstuimige tumult van de adelaarsnevel, een met roze spikkeltjes doorzeefde geelgroengrijsblauwe kolk van kleuren met als onderschrift ’een van de beroemdste sterrenkraamkamers met in het midden The Pillars of Creation’. U hoort het, wij naderen De Efteling, nou ja, Hollywood dan. Het mooiste is ongetwijfeld de Paardekopnevel, 1200 lichtjaren hiervandaan. Het gaat om een gaswolk, die door zijn lage temperatuur een treffend donker silhouet vormt. Hier het onderschrift bij de foto: ’een prachtig steigerend ros, het tafereel ademt drama, mysterie, intrige zelfs’. Hollywood.

Paardekopnevel. Waar we ook zoeken, we vinden altijd onszelf. Deze uitermate verteerbare foto’s benemen ons het zicht op de volstrekt onverteerbare ’Kosmos an sich’ als u mij de uitdrukking vergeeft. Ik bedoel, deze foto’s van tafel vegend, wie of wat zijn wij eigenlijk? En waar zijn we dat?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden