Wie maakte een einde aan de slavenhandel?

Exact tweehonderd jaar geleden schafte Nederland de slavenhandel af. Dat danken we niet zozeer aan Verlichtingsidealen, maar aan orthodoxe protestanten.

Piet Emmer was hoogleraar in de geschiedenis van de Europese expansie aan de Universiteit Leiden. Hij schreef boeken en artikelen over Nederlands overzeese geschiedenis.

Bijna niemand in ons land protesteerde toen koning Willem I tweehonderd jaar geleden, op 15 juni 1814, per Koninklijk Besluit de slavenhandel aan zijn onderdanen verbood. Al tegen het einde van de achttiende eeuw, toen de handel nog legaal was, waren er nauwelijks nog Nederlandse slavenschepen in de vaart. Veel planters in de Nederlandse West leden verlies leden en konden maar weinig nieuwe slaven uit Afrika kopen doordat ze veel te hoge hypotheken hadden opgenomen.

Economisch gezien was het dus logisch geweest als Nederland als eerste land de slavenhandel had verboden. Maar Willem I handelde onder druk van Engeland, dat alleen op die voorwaarde een aantal van de bezette Nederlandse koloniën wilde teruggeven. Op eigen kracht had hij de slavenhandel niet verboden, want ook al nam ons land er niet meer aan deel, waarom zou je in moeilijke tijden vrijwillig een mogelijkheid om winst te maken blokkeren?

Vreemd genoeg was het uitgerekend Engeland - dat de meeste slavenschepen had en de hoogste winsten uit slavenhandel behaalde -dat op 1 maart 1808 het initiatief nam om de slavenhandel te verbieden voor de bewoners van de Britse eilanden en koloniën. Bovendien zette de regering in Londen de andere slavenhandelslanden - naast Nederland waren dat Frankrijk, Portugal, Spanje, de VS en Brazilië - onder druk om dit voorbeeld te volgen. Gemakkelijk waren zij daartoe niet te bewegen, want overal in de wereld was veel vraag naar slaven, en hun prijs bleef maar stijgen. Die hoge prijzen verklaren waarom, na het verbod, de illegale slavenhandel zoveel winst opleverde en waarom er scheepseigenaren waren die ondanks het verbod toch een gokje wilden wagen.

De scheepseigenaar van bijvoorbeeld de Eliza, die op een dag in 1819 in de lome hitte voor de kust van Afrika ligt. De zeilen van het slavenschip vingen nauwelijks wind, waardoor het niet kon ontkomen aan een Engelse oorlogsbodem die langzaam maar zeker naderde. Wel was de bemanning van de Eliza nog in staat om halsoverkop de slaven weer in de kano's te krijgen, waarmee ze kort daarvoor vanaf de Afrikaanse kust naar het schip waren gebracht.

Na entering troffen de matrozen van het Engelse marineschip aan boord van de slavenhaler nog één slaaf aan. De slordig weggeworpen kettingen en boeien deden vermoeden dat er zich kort daarvoor nog veel meer slaven aan boord hadden bevonden. Daarop besloot de kapitein van het Engelse oorlogsschip de Eliza in beslag te nemen en op te brengen naar Freetown in Sierra Leone, waar een internationaal zeegerechtshof ter handhaving van het verbod op de slavenhandel was gevestigd. De verbeurdverklaring zou een fluitje van een cent zijn.

Het illegale slavenschip bleek te zijn uitgereed te St Thomas op de Deense Maagdeneilanden, maar behalve over een set Deense scheepspapieren beschikte de kapitein ook over Nederlandse documenten. Daarom werd de zaak voorgelegd aan de Nederlands-Engelse afdeling van het gerechtshof. Maar anders dan zijn Engelse collega stemde de Nederlandse rechter niet in met de veroordeling. In het Engels-Nederlandse verdrag tegen de slavenhandel stond nu eenmaal dat schepen alleen konden aangemerkt als illegaal slavenschip als ze aan boord 'slaven' hadden - één slaaf was niet genoeg. De stemmen van de rechters staakten, maar de (Nederlandse) adjunct-rechter gaf de doorslag: de Eliza werd verbeurd verklaard en de aan boord aangetroffen slaaf in vrijheid gesteld.

In totaal zijn er tot 1830 22 illegale slavenschepen door het Nederlands-Engelse gerechtshof in Freetown veroordeeld en één slavenschip voor een soortgelijke rechtbank te Paramaribo in Suriname.

Maar die cijfers zeggen eigenlijk niets. In de eerste plaats konden de veroordeelde schepen nauwelijks Nederlands genoemd worden. De kapiteins en de bemanningen kwamen overal vandaan en verdwenen na de verbeurdverklaring van hun schip in het niets. De schepen zelf waren meestal uitgereed in het Caribische gebied en voorzien van scheepspapieren van verschillende landen.

Het is zelfs de vraag of het wel allemaal slavenschepen waren, want de internationale verdragen tegen de slavenhandel maakten het op den duur ook mogelijk om schepen op te brengen en te veroordelen, die weliswaar geen slaven aan boord hadden, maar wel van slavenhandel verdacht konden worden, omdat er meer kookketels en voedsel aan boord waren dan strikt nodig was. Dat gold ook voor planken, die gebruikt werden om in het ruim extra ligplaatsen te maken.

Weliswaar namen ze daarbij het risico dat hun schepen door de marine van Engeland en later ook van Frankrijk en de VS in beslag werden genomen, maar ze gebruikten zoveel mogelijk oude schepen om de schade bij verbeurdverklaring te beperken. De toenemende sterfte onder de slaven op die oude schepen - vaak zonder dokter aan boord - namen ze op de koop toe. Dat financiële nadeel werd meer dan goedgemaakt door de winst.

Zonder wettelijk verbod waren de Engelse en andere slavenschepen blijven varen, en hadden ze zeker nog decennia lang honderdduizenden slaven van Afrika naar de Nieuwe Wereld gebracht.

Dat Engeland toch als eerste grote land de slavenhandel verbood en dat verbod bovendien goed controleerde, was het gevolg van de massale protesten tegen die handel door een aantal nieuwe, actieve protestantse kerkgenootschappen: de quakers, de baptisten en de methodisten met voornamelijk lidmaten uit de lagere middenklasse. Het Lagerhuis werd dag in dag uit bestookt met petities tegen de slavenhandel. Zulke nieuwe, activistische kerkgenootschappen bestonden in Nederland niet.

De afschaffing van de slavenhandel heeft niet voorkomen dat de levendige illegale handel in slaven nog een halve eeuw voortduurde. De controle op het verbod op de slavenhandel was zo inefficiënt dat er in de loop van de negentiende eeuw nog meer dan een miljoen slaven van Afrika naar de Nieuwe Wereld zijn gebracht.

Anders dan de Engelse autoriteiten knepen die in Frankrijk, Spanje, Portugal, Brazilië en de VS aanvankelijk een oogje toe, want in al die landen hadden rederijen en hun toeleveringsbedrijven veel te verliezen.

Dat gold weliswaar niet voor de autoriteiten in Nederland, maar wel voor hun koloniale collega's in Suriname De winsten waren zo hoog dat de illegale slavenhandelrederijen op den duur niet langer oude, goedkope schepen inzetten, maar peperdure klippers, die de meeste marineschepen het nakijken gaven en in plaats van een paar honderd, wel duizend slaven per reis vervoerden. De meeste van deze slaven kwamen op de suikerplantages in Brazilië en Cuba terecht.

Pas na 1860, toen Engeland Spanje en Brazilië met een handelsboycot dreigde en het Zuiden van de VS was verslagen in de Burgeroorlog, kwam er een einde aan de slavenhandel op de Atlantische Oceaan.

Voor de Nederlandse slavenhandelsforten op de Goudkust (in het tegenwoordige Ghana) maakte de wettelijke afschaffing van de Nederlandse slavenhandel weinig uit. Daar hadden ze al jaren toch al geen Nederlands slavenschip meer gezien. Uit verveling stuurden de fortcommandanten allerlei mooie plannen naar Den Haag, waarin zij voorstelden om in plaats van in de West in Afrika rond de forten plantages aan te leggen om daar koffiebonen en suikerriet te verbouwen. Slaven genoeg. Een 'harschenschim', schamperde de minister van koloniën in Den Haag. Buiten het bereik van de kanonnen van hun forten hadden de Nederlanders in Afrika immers niets te vertellen.

Ook het plan om bij een van de forten een kolonie te stichten met weeskinderen uit Nederland belandde in een bureaulade. Alleen de rekrutering van Afrikaanse soldaten voor het koloniale leger werd een succes, tot Engeland liet weten dat die werving te veel leek op een verkapte vorm van slavenhandel. In totaal werden er ongeveer 2500 Afrikanen als soldaat naar de Nederlandse koloniën gestuurd, meestal naar Java. Een aantal keerde na afloop van hun contract naar de Goudkust terug om daar van hun pensioen te genieten.

Ook voor de Nederlandse eilanden in het Caribische gebied had de afschaffing van de Nederlandse slavenhandel eigenlijk weinig gevolgen. Aan de aanvoer van slaven uit Afrika was al decennia daarvoor een eind gekomen, omdat de steeds maar stijgende slavenprijzen voor de weinig koopkrachtige slaveneigenaren op de Antillen te hoog waren geworden. Veel produceren konden de slaven op die droge, rotsachtige eilanden niet en daarom zagen sommige eigenaren zich zelfs genoodzaakt om hun slaven te verkopen naar economisch meer florerende gebieden in de regio.

Het Nederlandse besluit tot afschaffing was eigenlijk alleen van belang voor Suriname. Tijdens de Engelse bezetting van de kolonie (1804-1816) was de import van slaven uit Afrika verboden. De planters verwachtten dat die maatregel ongedaan zou worden gemaakt zodra de kolonie weer in Nederlandse handen was, maar het Koninklijk Besluit van 15 juni 1814 maakte aan die hoop een eind.

Maar de planters waren niet voor één gat te vangen. Tegen alle wetten en afspraken in kochten Franse slavenhalers in Afrika slaven en brachten die vervolgens naar een van de Franse eilanden in het Caribisch gebied, waar ze bij nacht en ontij aan land werden gesmokkeld. Vandaar werden deze slaven legaal naar de omliggende gebieden doorverkocht. Het verbod op de slavenhandel gold namelijk wel voor slaven uit Afrika, maar niet voor slaven die zich al in het Caribische gebied bevonden. Zo zijn na het Nederlandse afschaffingsbesluit nog duizenden slaven Suriname binnengekomen.

Weer moesten de Engelsen druk op Nederland uitoefenen om een einde aan deze importen te maken. Na 1826 werden de eigenaren verplicht om een register bij te houden van de aankopen, geboorten en sterfte van hun slaven zodat zij de illegale aanschaf van geïmporteerde slaven niet langer konden verdoezelen.

Na de afschaffing van de slavenhandel volgde op den duur de afschaffing van de slavernij. In het geval van Nederland lag daar maar liefst bijna vijftig jaar tussen. Dat laat al zien dat de afschaffing van de slavenhandel niet noodzakelijkerwijs de afschaffing van de slavernij betekende. Ook zonder aanvoer van nieuwe slaven bleef de slavernij nog steeds winstgevend. Ook na het stopzetten van de aanvoer van nieuwe slaven uit Afrika bleven de prijzen voor de slaven in Noord- en Zuid-Amerika stijgen.

Rebellie en opstanden onder de slaven hebben nauwelijks bijgedragen aan de beëindiging van de slavenhandel en de slavernij, ook niet de opstand op Haïti. Verzet zagen de rederijen (en de slaveneigenaren) blijkbaar als een bedrijfsrisico, dat meer dan goedgemaakt werd door de voordelen van de slavernij, ook al bleven de prijzen voor slaven stijgen.

De voorstanders van slavernij zagen in Haïti, de enige kolonie waar een slavenopstand succes heeft gehad, het ultieme bewijs dat een tropische exporteconomie alleen succes kon hebben met gedwongen arbeid. Nadat de blanken en een deel van de mulatten in die kolonie waren vermoord of verjaagd, ontwikkelde Haïti zich tot een doodarm land.

De ex-kolonie kon niets kopen, omdat het niets meer exporteerde. De tegenstanders van slavernij zwegen liever over Haïti; heel weinig slaven in het Caribisch gebied vluchtten naar dat chaotische land, bestuurd door dictators en verscheurd door burgeroorlogen.

De afschaffing van slavenhandel en slavernij is nooit zonder slag of stoot gegaan; ze moest steeds moeizaam worden bevochten, in wetten vastgelegd en goed gecontroleerd. Hadden onze voorouders geheel aan de markteconomie overgelaten, dan zouden er nog honderdduizenden slaven extra naar de Nieuwe Wereld zijn vervoerd en had de vrijlating van de slaven veel langer op zich laten wachten.

Humanitaire idealen, en niet de wet van vraag en aanbod, gaven de doorslag. "Een van de weinige gouden bladzijden in de geschiedenis van de mensheid", noemde een Engelse geschiedschrijver uit die tijd de afschaffing dan ook. Dat klopt alleen als we 'de mensheid' beperken tot de lidmaten van de nieuwe, piëtistische kerkgenootschappen in Engeland, Wales en Schotland, die de afschaffing van de slavenhandel en de slavernij in hun land tot een van de belangrijkste maatschappelijke en politieke onderwerpen van de late achttiende eeuw wisten te maken.

Buiten deze groep was er maar weinig goud te ontdekken. Zo heeft de rooms-katholieke kerk als organisatie nauwelijks een rol gespeeld bij de afschaffing van slavenhandel en slavernij. Van een gepassioneerd debat over deze kwestie was in Portugal en Spanje geen sprake. In Frankrijk hebben aanvankelijk de aanhangers van de Franse Revolutie de afschaffing op de agenda gezet en in 1794 schafte Parijs plotseling de slavernij (niet de slavenhandel) af, samen met de voorrechten van de adel en de kerk, de christelijke jaartelling en nog veel meer.

Dat stak niet diep, want in 1802 voerde Napoleon de koloniale slavernij weer in zonder enig noemenswaardig protest. Na Napoleon waren het de protestanten die de lobby tegen de slavernij in Frankrijk aanvoerden, maar zij waren in omvang en invloed niet te vergelijken met de abolitionistische beweging in Groot-Brittannië.

Nederland heeft evenmin reden om zich op de borst te slaan. De antislavernijbeweging in ons land was klein, want het calvinistisch georiënteerde protestantisme met zijn nadruk op predestinatie zag - anders dan de Britse piëtisten - de slavernij niet als een obstakel voor het zieleheil van de slaven. De rooms-katholieken in ons land waren evenmin erg geïnteresseerd in de slavenbevrijding, want zij hadden tot ver na het midden van de negentiende eeuw hun handen vol aan het veroveren van een volwaardige plaats in de Nederlandse samenleving. De afschaffing van de slavenhandel vond plaats door druk uit Engeland, en de afschaffing van de slavernij kwam pas tot stand toen duidelijk was dat de schatkist genoeg belasting uit Java ontving om de slaveneigenaren ruimhartig voor het verlies van hun eigendom te compenseren.

De onverschilligheid ten aanzien van slavenhandel en slavernij was het grootst in Afrika en Azië. Sommige niet-westerse godsdienstige stromingen, zoals de islam, schreven wel voor dat eigenaren hun slaven menswaardig moesten behandelen, maar vormden geen inspiratiebron voor een effectieve antislavernijbeweging. Daarom kon de strijd tegen de slavenhandel en slavernij in Afrika en Azië pas beginnen na de kolonisatie door het Westen.

Niet zelden werden de koloniale autoriteiten daarbij regelrecht tegengewerkt door de lokale Afrikaanse en Aziatische elite, en na de dekolonisatie stopten de pogingen om de slavernij uit te roeien vaak weer.

Volgens de website van Anti-Slavery International, voortgekomen uit de Britse anti- slavernijbeweging, is het in Niger, Mauretanië en Mali nog steeds mogelijk je leven als slaaf te beginnen en te eindigen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden