Wie is hier onbaatzuchtig?

(Trouw) Beeld
(Trouw)

Beatrijs Ritsema bevalt de telkens weer oplaaiende collectieve woede over bankiers en bonussen niet helemaal. Reden genoeg om verschillende vormen van eigenbelang eens tegen het licht te houden. „Als het over materialisme, genotzucht, verspilling, decadentie en egoïsme gaat, zijn het altijd de anderen die niet deugen, terwijl er met je eigen behoeftes niets mis is.”

Premier Balkenende pakte het slim aan. Hij declareerde niets. „Aan mijn lijf geen polonaise”, moet hij gedacht hebben. Gezien het recente schandaal met de bonnetjes van het Britse Lagerhuis was dat niet onverstandig. Ook in Nederland zijn de declaraties van ministers en kamerleden openbaar. Onze politici bleven binnen de marges van het oorbare en ontsprongen de dans van zelfverrijkingsbeschuldigingen. Toch werd er volop gegniffeld over de Ray-Ban zonnebril van Wouter Bos, de honderd stoelmassages van Maxime Verhagen en de twee broodjes haring van Guusje ter Horst. Alles legaal, niets op aan te merken, maar het heeft voor betrokkenen iets gênants als het volk deze details tot zich neemt en gaat discussiëren of ’dit nu wel nodig was’. Dan liever de eer aan jezelf houden en niets declareren. Kan ook niemand zich ergens vrolijk over maken.

Transparantie is een belangrijke vereiste voor een goed functionerende democratie. Kosten moeten gecontroleerd, fraude ontmaskerd en bestraft. Toch bevalt de telkens weer oplaaiende collectieve woede over bankiers en bonussen me niet helemaal. Deze rechtschapen boosheid over het egoïsme van bonusopstrijkende bankiers reduceert de kredietcrisis tot een simpel scenario van schurken en slachtoffers, terwijl het veel ingewikkelder ligt. Er was sprake van een systeem met absurde, zij het legale geld-uitleenconstructies waarbij niet alleen topmannen enorme revenuen vergaarden, maar ook iedereen die lager zat in deze hiërarchie er garen bij spon. Ook de starter op de woningmarkt met een scharminkelig salarisje zei ’ja’ tegen easy money.

Jarenlang heeft iedereen geprofiteerd van een economie die op grond van voor de toekomst verwachte winsten in een steeds hogere versnelling kwam en vervolgens crashte. Wie is hier de egoïst? Het is mij niet duidelijk waarom bankiers die door de ondernemingsraad goedgekeurde bonussen aanvaarden grotere egoïsten zijn dan eenvoudige spaarders die hun tegoeden naar IJsland brengen voor een procentje meer.

Dit is een rijke maatschappij. Ondanks een krimpende economie, problemen op de huizenmarkt en stijgende werkloosheid, gaat het er hier nog steeds uitermate welvarend aan toe. De supermarkten bieden als vanouds producten uit alle windrichtingen, in de winkelcentra ligt de nieuwe mode er uitnodigend bij. Onder tieners blijft de scooter een felbegeerde gadget. Het aantal buitenlandse reizen staat nog steeds op hetzelfde peil als in 2008. Negentig procent van de huishoudens heeft een computer met internetverbinding. Er zijn meer mobieltjes dan inwoners in Nederland. Het aantal personen per huishouden blijft slinken en gescheiden wordt er ook volop. De trend onder vrouwen om op relatieve late leeftijd kinderen te krijgen is nog steeds niet gekeerd en het beroep op IVF en andere, medisch ondersteunde concepties groeit dientengevolge, evenals de behoefte aan adoptiekinderen. Cosmetische chirurgie wordt steeds populairder en raakt verder geaccepteerd.

Zijn dit allemaal voorbeelden van een decadente cultuur, waarin mensen goedschiks of kwaadschiks hun recht op geluk opeisen? Doet een dolgedraaid egoïsme hen de ogen sluiten voor de noden in de derde wereld of voor de gevolgen van de klimaatopwarming voor toekomstige generaties?

Het lijkt er veel op dat de mens niet zonder schuldbesef kan. Maar sterker nog dan de neiging om jezelf als onvolmaakt, maar verbeterbaar te beschouwen is de aandrift om anderen de maat te nemen en te licht te bevinden. Als het over materialisme, genotzucht, verspilling, decadentie en egoïsme gaat, zijn het altijd de anderen die niet deugen, terwijl er met je eigen behoeftes niets mis is.

Vooral egoïsme is in dit verband een gevaarlijk scheldwoord. Wie de ander kwalificeert als ’egoïst’ impliceert dat hijzelf niet tot die categorie behoort. Schelden gebeurt nu eenmaal altijd met termen die de gebruiker niet op zichzelf van toepassing acht. Maar het is helemaal niet zo makkelijk om mensen in te delen in egoïsten aan de ene kant en onbaatzuchtigen aan de andere.

Van de egoïst kun je zeggen dat hij zijn eigen behoeftebevrediging najaagt zonder zich te bekommeren om de schade die de medemens hier mogelijk van ondervindt. De egoïst in optima forma komt weinig voor. Niet alleen kan iemand die alleen neemt en nooit geeft geen betekenisvolle relaties aangaan, hij loopt ook binnen de kortste keren tegen de wet aan. Uitgesproken egoïstisch gedrag als diefstal, oplichting, fraude, verkrachting, beroving en kindermisbruik is strafbaar. Met pur sang egoïsme plaatst iemand zichzelf buiten de sociale orde.

Het begrip egoïsme is eigenlijk te extreem voor de gemiddelde brave burger die zich aan de wet houdt. Egocentrisme dekt de lading beter, omdat het aspect ’schade voor derden’ daar niet noodzakelijk bij inbegrepen zit. En eigenbelang vind ik een nog betere term, omdat hierbij nauwelijks nog sprake is van moreel ongunstige connotaties die als opgelegd pandoer werken.

Wanneer een bepaald gedrag geen schade aan derden veroorzaakt, kun je het niet egoïstisch noemen, hoogstens ingegeven door eigenbelang. Alles wat met kinderen krijgen te maken heeft (ze wel willen, ze niet willen, ze vroeg krijgen, ze laat krijgen, vanzelf of met medische ingrepen, met man of zonder man, als hetero of als homo, per biologie of per adoptie) is niets anders dan het nastreven van een eigenbelang. Het is merkwaardig om te zien hoe mensen van verschillende richtingen elkaar van egoïsme op dit vlak beschuldigen. De kinderlozen, beter gezegd: de kindervrijen vinden mensen met kinderen egoïstisch, die op hun beurt de bewust kinderlozen met hun voorkeur voor wereldreizen egoïstisch vinden, of anders wel de mensen die met veel kunst en vliegwerk een spruit proberen te concipiëren. En de mensen die veertig jaar geleden alom complimentjes kregen voor hun altruïstische daad om een derdewereldkindje te adopteren krijgen nu de wind van voren omdat ze zo egoïstisch zijn om voor veel geld een kind uit een ver land te halen, in plaats van zich te schikken in hun onvruchtbare lot.

Met het algemeen menselijke verlangen om zich voort te planten dan wel een kind te helpen opgroeien is niets mis, en met de wens dit hele gedoe aan zich voorbij te laten gaan trouwens ook niet. Bewust alleenstaande moeders en gescheiden ouders krijgen ook vaak het verwijt van egoïsme. Maar het fenomeen ’opgroeien met één ouder’ is niet van vandaag of gisteren, al werd dat vroeger meestal veroorzaakt door overlijden. Ook al valt de situatie van twee liefhebbende ouders te prefereren boven een gebroken of een eenoudergezin, dat wil nog niet zeggen dat alles wat afwijkt van het ideaal tot mislukking gedoemd is.

Terecht zijn een paar jaar geleden de anonieme spermadonaties afgeschaft. Het belang van de moeder om anoniem sperma te ontvangen hoort minder zwaar te wegen dan het belang van een kind om z’n afstamming te kunnen nagaan. Om diezelfde reden en om fraude tegen te gaan wordt de beschikbaarheid van achtergrondinformatie over kinderen ook steeds belangrijker in de adoptieprocedure.

Van alle alternatieve manieren van gezinsvorming vind ik er eigenlijk maar één op voorhand onethisch en dat is de voortplanting van verstandelijk gehandicapten, omdat hierbij de kaarten wel erg zwaar gestoken zijn tegen het belang van het kind. Als er een kans bestaat van twee op drie dat het kind lijdt onder deze opvoeding en daar zijn leven lang last van houdt, zoals onderzoek naar de effecten liet zien, dan moeten alle middelen worden gebruikt om deze situatie te vermijden. De kinderwens van verstandelijk gehandicapten is op zichzelf niet anders dan die van de rest van de mensheid, een voorstelbaar eigenbelang, maar de kosten ervan zijn domweg te hoog, zo niet in de schade voor het kind, danwel in de manuren van begeleiding door hulpverleners.

Pascal heeft geschreven dat het ongeluk van de mensen door één ding komt, namelijk dat ze niet rustig in hun eigen kamer kunnen blijven zitten. Hier heeft hij een punt mee, hoewel de uitspraak maar een millimeter verwijderd is van de gedachte dat de wereld er beter voor zou staan als alle mensen rustig in hun graf zouden liggen, een stelling die wellicht door dierenactivisten en radicale milieubeschermers wordt onderschreven. Pascal ontkent met zijn verzuchting het wezen van de menselijke aard en die is om ergens naar te streven. Een mens zonder verlangens is een dooie pier.

Er bestaan zeer veel uiteenlopende behoeftes en dankzij de menselijke vindingrijkheid komen er elke dag nieuwe bij. Globaal zijn ze in vier categorieën te verdelen: lichamelijk, sociaal, materieel en immaterieel. Op elk vlak kunnen behoeftes variëren van elementair en algemeen geldig (bijvoorbeeld die aan water of slaap) tot extravagant (bijvoorbeeld het verlangen naar een in goede staat verkerende, eerste druk van Pascals ’Pensées’).

In een rijke, geseculariseerde cultuur als de onze bestaan er, behalve schade voor anderen of jezelf, geen criteria meer waarop andermans behoeftes en verlangens kunnen worden veroordeeld. Laatst vertelde een bekende mij een anekdote uit zijn jeugd in Friesland, begin jaren zestig. In het provinciestadje waar hij naar de middelbare school ging, had zich een snackbar gevestigd, waar leerlingen in de pauze naar toe dromden om iets lekkers te kopen, althans de kapitaalkrachtigen onder hen. Toen de directeur hier lucht van kreeg, fietste hij hoogstpersoonlijk naar de nering, haalde de leerlingen eruit en vaardigde een algemeen snackbarverbod uit voor de hele school.

„Waarom deed hij dat?”, vroeg ik, „wat kon het hem schelen waar leerlingen hun zakgeld aan besteedden?”

„Hij vond snacks niet nodig”, zei mijn kennis, „overbodige luxe en daarmee zondig. Neigingen in die richting moesten de kop in worden gedrukt.”

Dit was in godsdienstige (gereformeerde) kringen een gangbare opstelling, maar verder waren er ook veel mensen zónder principiële bezwaren tegen extraatjes die er gewoon het geld niet voor hadden. Als het nastreven van niet-primaire behoeftes zondig wordt gevonden en als mensen überhaupt weinig geld te besteden hebben, doet een fenomeen als ’verwende kinderen’ zich weinig voor. Een ander voordeel van een schrale cultuur, waar niet overal goedkope frisdrank en snacks onder handbereik liggen, is dat mensen minder kans lopen op vetzucht.

Met het wegvallen van religieuze kaders die een rem zetten op consumptie en de stijging van het algemene welvaartsniveau, verdwijnen de redenen om anderen iets te ontzeggen waar ze naar verlangen. Het is voor ouders die genoeg geld hebben moeilijk om ’nee’ te zeggen tegen hun kinderen, als die ouders zelf zich alles kunnen permitteren waar ze behoefte aan hebben. Wat er in de opvoeding overblijft om het zwelgen tegen te gaan is matigheid betrachten omdat een teveel slecht is voor de gezondheid, en een systeem van uitstel van behoeftebevrediging toepassen omdat er eerst plichten moeten worden vervuld.

In zo’n soort opvoeding moeten kinderen zelf sparen als ze iets duurs willen hebben en wordt er geen geld geleend. Verder worden er duidelijke grenzen gesteld aan bijvoorbeeld frisdrank en snacks, omdat je er dik en ongezond van wordt. Alle verslavingen, van eten tot en met roken, alcohol en drugs, berokkenen schade aan de gezondheid – terughoudendheid is dus geboden.

Een systeem van eerst de plichten, dan de lusten werkt voor het individu dubbel bevredigend: niet alleen wordt het prettige gevoel gevestigd dat de plichten voldaan zijn, de beloning smaakt ook nog eens twee keer zo goed omdat je er even mee hebt moeten wachten. Maar uiteindelijk staan zowel het principe van matigheid en spaarzaamheid als dat van het uitstel van behoeftenbevrediging ten dienste van het leiden van een prettig leven, oftewel het najagen van eigenbelang, oftewel egocentrisme, oftewel egoïsme. Ziehier de hedonistische paradox, waar filosofen, politici en psychologen nooit uit zijn gekomen.

Ook sociale, filantropische en zelfopofferingsmotieven kunnen niet los worden gezien van het nastreven van eigenbelang. Mantelzorg geven bijvoorbeeld is niet alleen maar belastend, maar maakt mensen ook gelukkig en tevreden over zichzelf, zoals een SCP-onderzoek onlangs liet zien. Zelfs als het zwaar is, voelen mensen zich toch beter als ze het wel doen dan als ze het niet doen. In andermans ogen is het zelfopoffering, maar zelf zien mantelzorgers het meer als een vorm van liefde. Hoe dit ook zij, het gebeurt in ieder geval vrijwillig. Daarom is het ideetje dat de econoom Lans Bovenberg afgelopen week in Trouw opperde, om 55-plussers te verplichten tot het geven van mantelzorg, heel eigenaardig, want liefde kan niet worden afgedwongen en zwaar werk (wat het natuurlijk ook is) moet bij afwezigheid van liefde door professionals worden gedaan tegen een fatsoenlijke honorering.

Hoe meer geld er omgaat in een maatschappij, hoe minder de verlangens van mensen op een hiërarchie van waarden kunnen worden ingeschaald en hoe meer ze gereduceerd worden tot ’een kwestie van smaak’. De aloude tegenstelling tussen materiële en geestelijke verlangens, waarbij de tweede categorie moreel superieur was aan de eerste, heeft aan kracht verloren, omdat ze allebei hetzij in geld, hetzij in opgeleverd genoegen kunnen worden uitgedrukt. De ene persoon besteedt z’n geld bijvoorbeeld aan het opkopen en restaureren van een oude Amerikaanse slee om daar vervolgens mee rond te toeren. Een ander is een liefhebber van Matisse en koopt een vliegticket voor een weekend Madrid om daar een tentoonstelling te bekijken. De kunstliefhebber is niet lofwaardiger bezig dan de auto-hobbyïst, hoewel ik persoonlijk meer aardigheid zou hebben in een gedachtenwisseling met de Matisse-man dan met de autosleutelaar. Sommige mensen dromen van een inloopkledingkast, anderen schaffen steeds nieuwe boekenkasten aan. De een gaat naar de sportschool, de ander naar dancefeesten, en weer een ander naar de opera.

Al die begeerde objecten of activiteiten kosten geld. En er valt niets objectiefs te verzinnen waarom de ene vorm van consumptie decadenter of minder waard zou zijn dan de andere. Genoemde voorbeelden verschaffen de mens nu eenmaal dat specifieke genoegen dat hij nastreefde. En wat is daar op tegen, zolang de verlangens hemzelf of de medemens geen schade berokkenen?

Het streven naar jeugd en schoonheid ligt, net als de alles overheersende kinderwens, onder vuur als voorbeeld van een suspect verlangen, waardoor mensen zich niet zouden moeten laten leiden. Vrouwen die hun lichaam opkalefateren door middel van cosmetische chirurgie (botoxinjecties, implantaten, facelifts) krijgen als kritiek dat het ijdel en oppervlakkig is om een perfect lichaam na te streven. Bij deze veroordeling speelt ook het element valsspelen een rol: het wordt deze vrouwen kwalijk genomen dat zij zich niet neerleggen bij de wetten van de natuur en zichzelf een kunstmatig lichaam aanmeten. Daarmee vallen ze als niet-authentiek door de mand.

Speelt een vrouw die haar gezicht en andere verzakkingen laat strak trekken echt vals, in de zin van de medemens om de tuin leiden en oneerlijke concurrentie plegen? Ik ben er niet zo zeker van. In de eerste plaats ziet een gelifte vrouw van vijfenveertig er nooit uit als een vijfentwintigjarige, maar als een vrouw van vijfenveertig die er goed uitziet voor haar leeftijd. Vast staat ook dat het behoorlijk duur is om de messen erbij te halen en dat het pijn doet, zoals alle operaties. Misschien zou het beter (moreel verheffender) zijn, als die vrouwen zich zouden toeleggen op het cultiveren van innerlijke schoonheid in plaats van naar de messen en de naalden te grijpen. Maar kennelijk wegen innerlijke schoonheid en geestelijke waarden minder zwaar voor hen. Of ze denken dat innerlijke schoonheid des te beter tot z’n recht komt in een aantrekkelijke verpakking, en daar zouden ze best eens gelijk in kunnen hebben. Ten slotte laat sociaal-psychologisch onderzoek keer op keer zien dat aantrekkelijke mensen aantrekkelijke partners aan de haak slaan en meer verdienen dan onaantrekkelijke mensen. Investeren in het uiterlijk is dan gewoon een rationele beslissing ten faveure van het eigenbelang.

Iemand als fotografe Annie Leibovitz, die na haar vijftigste via ingewikkelde medische ingrepen nog drie kinderen kreeg, kun je met haar beroemdheid, haar patserige verbouwing in New York, haar miljoeneninkomen en miljoenenschuld zien als een toonbeeld van decadent egocentrisme, maar zij heeft zichzelf te gronde gericht doordat ze niet met geld kan omgaan. Uit haar werdegang spreekt alleen een ongelooflijke stupiditeit.

Vergelijk Leibovitz met Microsoftbaas Bill Gates: vele malen rijker dan zij, maar zijn financiële zaakjes netjes op orde en tegelijk nummer 1 op de lijst van particulier filantropen. Niemand geeft zoveel geld weg aan goede doelen als Bill Gates. Wat niet wegneemt dat hij nog steeds onmetelijk rijk is. Is dat laatste iets verwijtbaars? Schrijft de ethiek voor dat hij alles weggeeft tot hij alleen nog maar een rijtjeshuis in een betere wijk kan bewonen? Nee, hij mag zelf beslissen hoe hij zijn zelf verdiende geld besteedt.

Voor de vergeleken met de rest van de wereld rijke Nederlanders geldt hetzelfde. Nederlanders scoren internationaal gezien behoorlijk hoog in vrijgevigheid aan goede doelen. Daar voelen ze zich goed bij en de hulp zal ook wel enig effect hebben – dat mag je tenminste hopen. Een deel van de weelde weggeven zonder dat je er zelf pijn van ondervindt is misschien geen kunst.

Betekent dat dat een burger de 100 euro of daaromtrent die hij bestemd heeft voor de verjaardag van z’n kind eigenlijk zou moeten weggeven aan de buren die met huurschuld zitten of aan anonieme behoeftigen in Afrika? Dat kan geen serieus dilemma zijn. De ethiek van Sint Franciscus, die zelf de allerarmste wilde zijn, blijft voorbehouden aan de liefhebber.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden