Wie heeft, zal nog meer krijgen

Hoe groot is je kans psycholoog te worden als je vader brandweerman is? De kinderen van basisschool Willibrord in Zaandam dromen van de mooiste loopbanen. Wat komt daarvan terecht? Deel 3 van een serie: de kansen om het ver te schoppen zijn ongelijk verdeeld, zeggen wetenschappers, zelfs voor kinderen met evenveel talent.

Het spreekwoord stamt nog uit de tijd dat Nederland strikt was ingedeeld in rangen en standen. Maar achterhaald is het niet: wie als dubbeltje geboren is, wordt niet snel een kwartje. De afkomst van een kind bepaalt nog steeds voor een belangrijk deel zijn toekomstkansen.

"Als ik alle gegevens over het ouderlijk milieu van kinderen heb", zegt Jaap Dronkers, hoogleraar onderwijskunde in Maastricht, "en daarnaast hun Citoscores en gegevens over hun intelligentie, dan kan ik voor 50 procent voorspellen hoe hun schoolloopbaan verloopt."

De kinderen uit groep acht van basisschool Willibrord in Zaandam, die Trouw een tijdje volgde, hebben nog geen Citoscore. Maar ze hebben wel een voorlopig advies op zak over het vervolg van hun schoolloopbaan. Ligt hun toekomst daarmee vast?

Neem Feyza. Haar ouders zijn beiden huisarts, op school doet ze het heel goed, in haar vrije tijd tennist ze en ze woont in een mooi, ruim huis. Zij lijkt alles mee te hebben. Bijna alles, want ze is van Turkse komaf. Dat beperkt volgens de statistieken haar kans op een mooie loopbaan.

Of Erva, eveneens dochter van Turkse ouders. Haar vader kwam met alleen lagere school naar Nederland en is nu brandweerman, haar moeder was destijds nog nooit naar school geweest. Dat maakt Erva volgens de statistieken niet bepaald kansrijk. Zelf wil ze heel graag psycholoog worden.

En hoe past Sha-ré in de statistieken? Een streber, zeggen haar leerkrachten over haar. Maar haar ouders zijn gescheiden, en volgens haar moeder heeft dat invloed gehad op haar schoolprestaties. Dat klopt met cijfers uit onderzoek: kinderen van gescheiden ouders doen het vaak minder goed op school.

Niets ligt volledig vast, zegt Jan Terwel, emeritus hoogleraar onderwijs aan de Vrije Universiteit. Van hem verscheen kort geleden het boek 'Tussen afkomst en toekomst'. Daarin volgde hij de schoolloopbanen van jongeren tussen hun tiende en eenentwintigste jaar. Hij trof kinderen die alles mee hadden en probleemloos de universiteit haalden, maar ook jongeren die gezien hun afkomst nooit echt kansen lijken te hebben gekregen. "Maar ook toeval speelt een grote rol. Een leraar die de juiste snaar weet te raken. Vrienden die je een bepaalde kant op duwen. Schoolloopbanen verlopen vaak grillig."

Dat neemt niet weg dat de kansen om het ver te schoppen ongelijk verdeeld zijn. Het begint al bij de geboorte, met de aanleg die een kind van zijn ouders erft. De verschillen groeien daarna snel, al vanaf de eerste levensjaren. Onderwijswetenschappers spreken vaak, met een verwijzing naar een uitspraak van Jezus, over het Matteüs-effect: "Want wie heeft, zal nog meer krijgen, en wel in overvloed. Maar wie niets heeft, hem zal zelfs wat hij heeft nog worden ontnomen."

Het begint er al mee, zegt Terwel, dat hoogopgeleide ouders beter in staat zijn om met de gevoelens van hun kinderen om te gaan. "Laagopgeleide ouders zeggen vaker zoiets als 'hou je stil!' Hoger opgeleiden zeggen iets in de trant van: 'nu moet je even stil zijn, want ...' Daardoor ontwikkelt zo'n kind zich sneller en maakt het zich een rijkere taal eigen."

Op school worden die verschillen alleen maar groter. "Het is bijna niet te vermijden dat de school beter inspeelt op kinderen van hoogopgeleide ouders, al was het maar omdat de leerkrachten zelf ook hoogopgeleid zijn", zegt Terwel. "Hun taal sluit goed aan bij die van die kinderen. En het is verleidelijk om de betere leerlingen vaak aan het woord te laten in de klas, want dat helpt de les vooruit. Maar kinderen die minder aan het woord komen, krijgen ook minder kans om te leren."

Voor kinderen uit gegoede milieus blijven de kansen om zich goed te ontwikkelen zich maar opstapelen. "Ze wonen in de betere buurten. Hun gezinnen zijn meestal stabieler", somt Terwel op. "Hun ouders kunnen tegenslagen beter opvangen en weten beter hun weg te vinden in de samenleving. Ze kiezen vaker voor de betere scholen en zijn ook beter in staat in te spelen op kansen die zich toevallig voordoen."

Van dat laatste kwam Terwel in zijn onderzoek duidelijke voorbeelden tegen. Eén meisje kreeg op haar twaalfde een schooladvies dat haar hoogopgeleide ouders teleurstelde. Maar door slim in te spelen op de toelatingsregels van de middelbare school wisten ze haar toch op het gymnasium te krijgen. Met een tweede liep het anders af. Zijn ouders begrepen weinig van het Nederlandse onderwijs. Hij liet zich door zijn leraren naar het vmbo sturen, naar een niveau dat waarschijnlijk te laag voor hem was, en liep vast. Terwel: "Bij cruciale keuzes in je schoolloopbaan maakt het nogal wat uit of je ouders je kunnen helpen."

Onderwijs vergroot eerder de ongelijkheid in kansen dan dat het die verkleint, zegt ook Dronkers. Hij noemt onderwijs zelfs de 'ruggengraat van ongelijkheid' - zoals de titel van een van zijn boeken luidt. "Zeker, de school beoordeelt kinderen niet op afkomst, maar op prestaties. Maar daar staat tegenover dat het vermogen tot goede schoolprestaties ongelijk over de maatschappelijke lagen verdeeld is."

Zijn deze ongelijkheden in kansen te verhelpen? Niet echt, vindt Dronkers. Eerder pleitte hij ervoor om te investeren in wat er al vóór de basisschooltijd met een kind gebeurt. In die tijd krijgen de verschillen in kansen al gestalte. Steun voor ouders bij de opvoeding van jonge kinderen kan dus helpen, net als goede kinderopvang. Maar het verschil in kansen zal daardoor niet volledig verdwijnen.

Ook het tijdstip waarop kinderen verwezen worden naar vmbo, havo of vwo speelt een rol, zegt Terwel. In Nederland vindt die selectie plaats als kinderen twaalf jaar zijn, nogal vroeg vergeleken met andere Europese landen. En hoe vroeger dat gebeurt, hoe groter de invloed is van het ouderlijk milieu op waar kinderen terechtkomen. "Kinderen uit lagere maatschappelijke lagen hebben vaak meer tijd nodig om te bewijzen wat ze kunnen", stelt Terwel. "Door vroeg te selecteren gaat er talent verloren."

Wat zal er met Sha-ré's talent gebeuren? Volgens haar leerkrachten kan ze straks het best naar het vmbo, maar 'haalt ze er nog niet uit wat erin zit'. "Ik had gehoopt op havo of vwo", zegt haar moeder Kathleen.

De ouders van Feyza hebben er vertrouwen in. Ze hopen slechts dat hun dochter iets gaat doen 'waarin ze haar kwaliteiten kan benutten'.

En de vader van Erva weet zeker dat zijn dochter de havo gaat halen. "Omdat ze het wíl."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden