Wie heeft het nog over oorlog?

Libanezen gaan er prat op dat ze wel wat gewend zijn, en houden zich groot. Maar niemand is er gerust op dat de oorlog ook écht voorbij is. Apothekers die kalmerende middelen verkopen doen goede zaken.

’Hoe ik dit verwerk?”, vraagt de buurvrouw verbaasd. „Ik heb geen tijd om daarbij stil te staan. Ik heb dit weekend een trouwpartij. Ik maak me nu zorgen om de kapper. Als ik bij elke explosie stil moet gaan staan, leefde ik nog in 1975.”

Dit soort reacties hoor je in alle lagen van de maatschappij. Het leven gaat door, Libanezen hebben andere dingen aan het hoofd, dit zijn ze wel gewend. „Het is niet onze eerste oorlog, weet je.”

Hun incasseringsvermogen lijkt op het eerste gezicht ijzersterk. Wie door Beiroet loopt, zou niet zeggen dat de stad nog geen maand geleden werd bestookt door Israëlische straaljagers. Iedereen is aan het werk, het uitgaansleven is in volle gang, de strandclubs zitten vol, en er zijn weer trouwpartijen.

Zelfs in Zuid-Beiroet en in Zuid-- Libanon , waar de bombardementen zich concentreerden, pakt men meteen de draad op. Zo ook Ahmad. Zijn brillenwinkel werd op 4 augustus platgegooid. Inmiddels heeft hij alweer een andere zaak geopend, zes straten verderop. „Denk ik erover na? Het heeft zo weinig zin. Ik word er alleen maar boos van. Beter om het te vergeten”, zegt hij terwijl hij een verfrommeld montuurtje aanbiedt. „Souvenirtje. Uit mijn andere winkel. Die verkocht ik vroeger voor 100 dollar.”

In Jomhor, een zwaar beschadigd plaatsje in Zuid- Libanon , zit een familie te barbecuen op het tuinpad. „Nee, niet in de tuin stappen”, zegt de moeder, terwijl ze een kippenboutje over de muur aanreikt. „daar liggen nog bommen.” Het huis staat nog, maar de ramen liggen er met sponningen en al uit. „Wat wil je dan dat ik doe? Dat ik hier ga zitten janken? Je kunt huilen wat je wilt, het verandert niks. De familie is gezond, en volgende maand begint de school weer. Het zijn maar spullen.”

Het lijkt alsof de oorlog wordt genegeerd. Volgens John Sarkis, een bedrijfspsycholoog, is dat een overlevingsstrategie die de Libanezen hebben ontwikkeld zichzelf te beschermen.

„Het dateert uit 1975, toen de burgeroorlog begon. Zodra er iets ernstigs gebeurt, wordt dat overlevingsmechanisme geactiveerd. Eén bom, en pats, het treedt in werking.”

Cecile Mehanna, (39), huisvrouw, legt uit hoe dat gaat: „Je hoort op het nieuws dat ze twee Israëliërs gekidnapt hebben, en je weet direct dat het mis kan gaan. Dus je gaat naar de winkel, en koopt water voor een maand. Je haalt extra gasflessen, je slaat blikvoer in, veel spaghetti, melkpoeder, kaarsen en batterijen, je vult vijf jerrycans benzine, je regelt wat puzzelboekjes of een breiwerkje, en klaar is Kees. In mijn geval ook meteen veel luiers. Dit alles kan ik binnen vier uur regelen. Ik doe in feite al sinds mijn tiende niks anders. En dan maar afwachten.” En terwijl je je voorbereidingen treft, zet je ook meteen alle verwachtingen uit je hoofd. „Had van alles gepland deze zomer. Niet meer aan denken.” Een goed boek meenemen heeft geen zin. „Je kunt je niet concentreren. Tv kijken gaat, simpele dingen, maar lezen kun je vergeten.”

Maar hoe goed het overlevingsmechanisme normaal ook werkt, deze oorlog was anders. Als je verder vraagt, merk je dat het eigenlijk helemaal niet zo goed gaat met de Libanezen.

„Je laat aan de buitenwereld niet merken dat het slecht gaat”, zegt Rula Kahil (39), wier familie in het zuiden woont. „Maar als ik met mijn moeder spreek hoor ik wanhoop. ’We zijn hier gedoemd. Het zal hier altijd gevaarlijk blijven, we moeten hier weg’, zegt ze. Mijn broers maken voortdurend ruzie.”

Terwijl eerdere conflicten altijd een duidelijke oplossing hadden, heeft Rula het gevoel dat dit keer enkel een uitstel van executie is bereikt. „De pauzeknop is ingedrukt. Deze oorlog is nog niet afgelopen.”

Zena el-Khalil organiseert volgende maand een tentoonstelling van werk dat kunstenaars als reactie op de oorlog maakten. „Het is veelal droevig werk. Veel boosheid, en vooral veel neerslachtigheid.”

In alle gesprekken hoor je de onzekerheid doorklinken. Libanon is duidelijk bang. Politiek gezien is de situatie momenteel heel precair, en „iedereen weet dat”, zegt John Sarkis. „Je ziet veel depressies. Mensen geven toe aan verslavingen. Niet alleen aan alcohol, maar ook aan winkelen, eten, roken, medicijnen. Slecht slapen, nachtmerries, vage lichamelijke klachten, noem maar op. Alle symptomen van een posttraumatisch stress syndroom.”

Ze zitten niet bij hem in de wachtkamer. „Libanezen gaan niet naar de psycholoog met hun problemen, in deze samenleving houd je de ellende binnen.” Volgens Sarkis functioneert vooral de familie als vangnet. „Sociale banden zijn heel sterk hier. En als je plotseling een potje gaat zitten huilen omdat het je allemaal te veel wordt, zal niemand voorbij lopen.”

Maar Marwan Fakhoury, apotheker, denkt dat het vangnet op het moment niet goed functioneert. „Ik verkoop bijna alleen nog maar slaappillen en kalmerende middelen.” Zijn collega’s zien hetzelfde. „Het lijkt wel of half Beiroet op de rand van een zenuwinzinking zit.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden