Wie haalt de Europacup naar de Paulus Potterstraat?

Geen gebeurtenis in het komende kunstseizoen werpt langere schaduwen vooruit dan de aanstelling van een nieuwe directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Die baan komt vacant als de huidige directeur Wim Beeren op 30 januari van het volgend jaar met pensioen vertrekt. Beeren heeft er dan ruim zeven jaar op zitten. Wat waren zijn kwaliteiten en wie moet zijn opvolger worden? De speculaties bereiken een hoogtepunt nu de eerste sollicitatiegesprekken op het Waterlooplein plaatshebben. En op de achtergrond is het eerste gesis uit de slangekuil hoorbaar, de nieuwe directeur wacht een plek die hoogst verraderlijk kan zijn.

Ajax en Feyenoord mogen met attractief voetbal de aandacht trekken, maar PSV wordt landskampioen. Zo is het in de beeldende kunst ook: Boymans in Rotterdam en het Van Abbemuseum in Eindhoven worden als avontuurlijke smaakmakers beschouwd, maar in het Stedelijk in Amsterdam is kunst met vijf kapitalen te zien. Een directeur van een museum buiten Amsterdam kan zich een wat slechtere tentoonstelling permitteren, dan nog zal er niet direct een storm van kritiek opsteken. In het Stedelijk in Amsterdam wordt de leiding binnen de kortste tijd afgebrand tot maaiveldniveau als daar een slech te presentatie wordt getoond.

In dat beeld bezien is in de afgelopen tijd het beleid van de scheidende directeur Wim Beeren beoordeeld. Zijn beste tentoonstellingen waren 'normaal' omdat hij dat nu eenmaal in het Stedelijk verplicht was om te doen, de minder goede exposities werden hem daarentegen zwaar aan gerekend. Hij werd bij zijn aanstelling in 1985 als een tussenpaus gezien, een man die het Stedelijk slechts voor korte tijd zou bestieren. Na Willem Sandberg en Edy de Wilde, na de Cobraontdekker en de schilderkunstaanbidder kreeg het Stedelijk een directeur wiens voorliefdes eerder bij individualisten lag als Andy Warhol, Claes Oldenburg en Walter de Maria.

Na de 'kunstenaar' en de 'organisator met smaak' verbleekte Beeren tot een kamergeleerde die zijn studenten graag uitlegde hoe de kunst in elkaar zit. Hij deed dat op een zeer gedegen, betrouwbare wijze die hem een smetteloos blazoen opleverde. Tot de Newmanaffaire ontstond en de museumdirecteur in lichte paniek raakte. Een van de belangrijkste schilderijen van de naoorlogse kunst uit het eigen bezit was onder de handen van een geestelijk gestoor de zo zwaar beschadigd dat herstel nooit meer een bevredigend resultaat kon opleveren. Er was een ramp met verstrekkende gevolgen geboren, die de museumdirecteur nooit meer te boven kwam.

De Newmanzaak heeft Beeren veranderd, heeft het Stedelijk veranderd. De kerven die een gek in het rood van Who is afraid trok, staan niet alleen in de Newman, in Beerens ziel, maar ook in het Stedelijk. Huiverig dat er afwijkende opvattingen over de restauratie zouden onstaan, opvattingen die het werk misschien in een ander daglicht hadden kunnen brengen, snoerde Beer en de mond van zijn medewerkers, ontzegde hij iedereen de ruimte om het doek van dichtbij te bekijken, bracht hij zijn eigen restauratrice in verkeerd vaarwater, deed zijn eigen pr stuntelig en inadequaat en verzeilde tenslotte in een onmogelijke en onfrisse discussie met de hoogleraar Ernst van de Wetering die er enkele keren in slaagde de strijd op persoonlijke gronden te winnen.

Beeren uitsluitend te beoordelen op deze affaire doet hem echter geen recht. Want heeft hij het eigenlijk zo slecht gedaan in de zeven jaar dat hij, na met vlag en wimpel uit Boymans te zijn vertrokken, zijn kwaliteiten in Amsterdam wilde laten zien?

Zijn komst voltrok zich onder de meest onprettige omstandigheden die een directeur zich maar kan bedenken. Beeren was samen met Rudi Fuchs, toen nog directeur van het Van Abbemuseum, overgebleven uit een lange rij van sollicitanten waarin zulke illustere figuren voorkwamen als Martijn Sanders, directeur van het Concertgebouw in Amsterdam en reclameman Frits Becht van wie later niet veel meer is vernomen dan dat hij Van Goghs afgesneden oor gedrukt op vangoghelaria wist te verkopen.

Rond Fuchs was een lobby van kunstenaars en kunstbonsjes opgang gekomen die niet naliet een ieder die het eventueel voor Beeren wilde opnemen, met veel verbaal geweld de kwaliteiten van de man aan te prijzen die Amsterdam anders zou missen. Zeven jaar later is duidelijk geworden wat Amsterdam heeft gekregen en, vooral, wat het heeft gemist. Want Fuchs kwam na een periode van smaakmakende activiteiten in Eindhoven in een ander gemeentelijk museum, namelijk dat van Den Haag terecht. Sinds hij daar zit, valt er weinig aardigs meer in Den Haag te signaleren. De voordien zo mooie tentoonstellingen over de 19e eeuw die gezien de eigen collectie een bijzondere specialiteit in het Haagse waren, zijn schielijk de nek omgedraaid. Nog onlangs weerde Fuchs het aanbod af van een fraai overzicht van de belangrijkste Haagse Schoolschilder J.H. Weissenbruch, om zijn conservator John Sillevis ongetwijfeld, eerst watertandend, zich nu verbijtend door de zalen van Pulchri Studio te laten lopen.

De steevast in het depot bewaarde voorwerpen van het Kostuummuseum zijn ooit eens in een vlaag van misplaatste onderbroekenlol op Fuchs' eigen hoofd terecht gekomen en worden sindsdien als relikwieen in de Hl. Rudianus-kerk aanbeden. Een enkele keer flakkert daar in het Statenkwartier nog wel eens het oude vuur op, dan zie je een aantrekkelijke expositie, zoals enkele jaren geleden met Jack Yeats het geval was of afgelopen zomer met Rob Birza. Echte noodzaak om naar Den Haag af te reizen voor wie zich op de hoogte wil houden van wat er aan actuele zaken in de kunst afspeelt, komt niet meer voor.

En in Amsterdam dan, zal de modale kunstkijker zich afvragen. Want die vormt de categorie waar Beeren zich met zijn publieksgerichte voorkeur ook al in Boymans op orienteerde. In Rotterdam had hij de ene na de andere trekker in huis gehaald. Hoe exotischer hoe mooier en de Rotterdammmers en overige Nederlanders kwamen er met tienduizenden op af. Ook in Amsterdam heeft Beeren die politiek volgehouden. Hij kon, omdat dat niet in de aard van het museum ligt, geen Egyptische aniquiteiten, noch Sint Peterburgse schatten brengen, maar slaagde er wel in tentoonstellingen van allure naar Amsterdam te halen die de rijen bezoekers op de trottoirs van de Paulus Potterstraat brachten.

Beeren liet in het Stedelijk zien dat hij de geschiedenis van de moderne kunst, die wat hem betreft bij de abstracte kunst van Mondriaan begint, op zijn duim kent. Een werk van diezelf de Mondriaan dat de gemeente Hilversum voor vele miljoenen op de markt wilde brengen, wist hij voor het Stedelijk te behouden. Malewitsj, in de eigen collectie goed vertegenwoordigd, maar desalniettemin in Nederland als de 'onbekende bekende' beschouwd, kan als grootste prestatie op zijn conto worden bijgeschreven. Maar ook de recent afgesloten expositie 'De grote utopie' die Beeren op grond van zijn uitstekende contacten in het GOS als een tussenstop in het Stedelijk kon brengen, laat zien hoe hij belangrijke gaten in de kennis van de gemiddel de kunstkijker wilde dichten.

De historische expositie rond Oskar Schlemmer en Clyfford Still en de landenpresentaties uit Latijns Amerika en de USSR waren van het precies dezelfde soort. Ze moesten de kijker inzicht verschaffen in overwegingen die naar Beerens inzicht belangrijk voor de kunstgeschiedenis wa ren. Een aantal exposities van zijn hand waren van actueelsignalerend aard: ze droegen literai re titels als 'Wat Amsterdam betreft', 'Horn of Plenty', 'Energieen', 'Correspondentie Europa' of 'Wanderlieder'. Met dergelijke groepspresen taties kon Beeren de aandacht vestigen op na men die volgens hem wel belangrijk waren, maar die nooit een groot overzicht bij hem in huis zouden halen.

Ook uit wat hij niet naar Amsterdam haalde, is zijn smaak af te leiden. Zo is het opvallend dat Beeren nooit iets heeft gezien in de Britse kunst, in de schilderkunst noch in de ruimtelijke kunst. Howard Hodgkin, Frank Auerbach, Richard Dea con, Julian Opie noch Nicholas Pope vulden de zalen van het Stedelijk. Met solopresentaties van Frank Stella, Jannis Kounellis, Anselm Kiefer en Lawrence Weiner wilde Beeren laten zien wat volgens hem de toonaangevende kunstenaars van een bepaalde tijd of stijl waren.

Vreemd genoeg kregen juist deze kunstenaars nooit een bedding, werd nimmer aangegeven waar ze uit voortkwamen. Zoals Malewitsj meer contour kreeg met 'De grote utopie', zo had Weiner een groter belang gekregen als zijn werk was opgenomen in een overzicht van een ten toonstelling die de rol van de taal in de beelden de kunst had belicht. Met Stella had het Amerikaanse abstracte expressionisme dat in Nederland nooit goed uit de verf is gekomen belicht kunnen worden, met Kounellis had de orientatie op het klassieke verleden verklaard kunnen wor den. Het bleven incidenten, deze eenmanstentoonstellingen, heerlijke krenten in een verder wat grijze pap.

En avontuur? Het Stedelijk werd een museum waar wijze lessen in de kunstgeschiedenis werden gegeven. Wie in Amsterdam behoefte had om zich te laten verrassen, om ongebaande wegen op te gaan, die moest het rommelige pad langs het Museumplein inslaan waar Christiaan Braun in Museum Overholland liet zien wat hij in de sloppenwijken van Harlem aan niet eerder vertoonde zwarte kunst had aangetroffen.

Ook Braun bewees dat een museum aan kunst geschiedenis mag, beter gezegd moet doen, maar deed dat (met de tekeningen van Cezanne bij voorbeeld) dan weer op zo'n onorthodoxe wijze dat je er weken later nog over kon discus sieren. Waardoor dat precies kwam, is niet zo snel te verklaren. Braun vindt dat het succes van een expositie berust op de noodzaak van het creeren van drama. Het maken van een tentoonsteling is voor een museumdirecteur meer dan het ophangen of neerzetten van een aantal werken. Het is ook het scheppen van verwachtin gen, het reikhalzend doen uitzien naar wat je tovenarij kunt noemen, een sfeer van 'in de ban raken'.

Naar Martin Disler, Anselm Stalder, Thomas Schutte, Roy Lichtenstein en Louise Bourgeois (die Braun voor Europa ontdekte) ging je steevast in de verwachting om een bijzondere tentoonstelling te zien. Die kwam uit, elke tekening leek wel een persoonlijke ontdekking waar behalve de maker ook de organisator achterstond. Braun hing dat werk altijd in zo'n setting dat je constant de trappen op en af rende om verbanden te vinden, om zelf ontdekkingen te doen.

Braun verkeert niet op de lijstjes gegadigden voor de directiepost van het Stedelijk. Het belang van die lijstjes is trouwens nogal beperkt; ze geven net als populariteitspolls meer aan hoe goed iemand in de publieke belangstelling ligt en hebben verder niet zo veel waarde. Vrijwel elke Nederlandse of buitenlandse museumdirec teur van enige importantie figureert wel eens op zo'n lijst. Of het nu om Frans Haks (Groningen), Liesbeth Brandt Corstius (Arnhem), Alexander van Grevenstein (Maastricht), Sjarel Ex (Utrecht), Rudi Fuchs (Den Haag), Saskia Bos (Amsterdam), Kaspar Koenig (Frankfurt) of Jan Hoet (Gent) gaat, ze kunnen allemaal voor de functie in aanmerking komen. En als ze al geen museumdirecteur zijn (in de advertentie van de gemeente wordt als vereiste gesteld 'een indringende kunsthistorische kennis op het werkveld van het museum', lees een wetenschapper met een lan ge staat van verdienste), dan worden er namen genoemd van kunstgeinteresseerden of verzamelaars als Martijn Sanders en, laatste aanwinst in het rijtje van serieuze kandidaten, ontwerper Loek van der Sande. Niet dat zij kunnen bogen op enige ervaring in museaal beleid, maar ze kunnen altijd wel een opinie over kunst hebben. Hoe anders raak je uitverkoren voor deze populariteitspoll?

Net als bij de Amerikaanse presidentsverkiezingen, die gaandeweg een volstrekt onzindelijk karakter krijgen, schromen sommige gegadigden niet hun tegenstander ter hoogte van de enkels neer te hakken. Zo bedenkt Van der Sande in Haagse Post/De Tijd van vorige week dat hij niet tegen Sanders is, "maar ik vind niet dat hij meer heeft gedaan dan prive een tekening van een Duitse kunstenaar kopen. Het is niet iemand die op de frontlijn heeft gestaan, zo van: laat die rotte tomaten nu maar eens over mij komen." Om daar hatelijk aan toe te voegen: "Ik denk dat hij als organisator, manager en sponsorgelden verzamelaar erg goed is en als je dat als een functie voor het Stedelijk ziet, moet hij worden aangetrokken" . Van der Sande zegt dit mede, nadat hij door een drietal heren is aanbevolen die zelf van onberispelijke snit zijn, te weten Van Os (Rijksmuseum Amsterdam), Riezenkamp (WVC) en Crouwel (Boymans Rotterdam). Als Wim Beeren, die als lid van het ambtelijke selectieteam over zijn opvolging mag meeadviseren, dezelfde mening is toegedaan, dan staat het er slecht voor Sanders voor.

Met de samenstelling van het selectieteam is het trouwens een vreemde zaak. Behalve in de persoon van Beeren laat de gemeente zich op nog drie fronten vertegenwoordigen door cultuurambtenaren, zoals daar zijn schouwburgdirectri ce Cox Habbema (van wie je ook na ijverig speuren niet een echt intrigerende opmerking over beeldende kunst kunt vinden), Andre Janssen als hoofd kunstzaken ter gemeentelijke burele en G.J. Veentjer, directeur van de gemeentelijke dienst personeelszaken. De commissie staat onder voorzitterschap van gemeentesecretaris E. Kooiker, die eveneens lid is van het bestuurlijke selectieteam, een schakel tussen het ambtelijke selectieteam en B en W.

Dat beide commissies overlopen van inzicht in de beeldende kunst is een wel wat vergaande conclusie. Je moet hopen dat er externe deskundigen worden aangetrokken, die een verhelderend licht op sommige gegadigden kunnen wer pen. Wanneer de ambtelijke commissie echter extern advies niet verwart met lobbyen en kiest voor kwaliteit in plaats van politieke kleur, dan kan er nog wel eens een goede keus uit de hoed rollen.

Hoed met een t misschien, die heeft laten zien hoe spannend kunst eigenlijk is, hoe weinig elitair het is als je als organisator in staat bent om kunst letterlijk onder de mensen te brengen. Met Hoet komt er ongetwijfeld vuurwerk in het Stedelijk, al zie je ook bij hem de favorieten al duidelijk in de aanbieding (Naumann, Cabrita, Reis, Kosuth, Mario Merz, Panamarenko).

Jan Hoet zou een van de eerste buitenlanders zijn die in Nederland een museum gaat leiden; anders dan wat bij theaters, orkesten en dansgezelschappen al jaren het geval is, zijn de musea wat hun personele bezetting betreft, nooit gein ternationaliseerd.

Avontuur in het Stedelijk is bij voorbaat gegarandeerd als Amsterdam zou besluiten om schoon schip te maken met de man die het tot nu toe op een weinig hoffelijke wijze van het Museumplein heeft weggehouden. Niet dat het er toe moet leiden dat de deuren van Museum Overholland er mee opengaan, maar Christiaan Braun zou voor het Stedelijk een directeur van formaat zijn. Gewend om op ieder niveau te denken en in staat om de meest vergaande ideeen in de praktijk te concretiseren wist hij van Overholland een museum te maken dat in de korte tijd van zijn bestaan internationale allure verwierf.

Als iets noodzakelijks is voor de gemeente Am sterdam en het Stedelijk, dan is het die internationale uitstraling. Musea die alleen plaatselijk kunnen scoren, zijn er genoeg. Het moet het Stedelijk er weer om gaan om landskampioen te worden en desnoods de Europacup te pakken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden