Wie gelooft, zingt Bach beter

In de week voor Pasen wordt overal Bach opgevoerd. Kan ook een atheïst met Bach aan de slag? Of klinkt het beter als de musicus in God gelooft?

Componeerde Johann Sebastian Bach 'goddelijke' muziek? Onzin, meende componist Igor Stravinsky, want muziek kan niets anders uitdrukken dan zichzelf; Bach was niets meer dan een geniale ambachtsman, die, zoals een bakker elke ochtend zijn volmaakte brood bakt, elke week een cantate componeerde voor de eredienst in een Leipziger kerk. Goddelijke inspiratie of Bachs eigen geloof speelden daarbij een marginale rol.

Andere Bachbewonderaars zien daar juist het wonder in: dat Bach elke week een cantate afleverde, die los van dat toenmalige praktische gebruiksnut nog steeds velen emotioneel diep kan raken. En dus stijgt een Bachcantate boven het pure ambacht uit.

Bach en God. Bach áls God - de oppergod onder de componisten. De bewondering voor de even nabije als ongrijpbare componist is grenzeloos, onder vakgenoten, uitvoerders én toehoorders. Mauricio Kagel gaf een van zijn composities de titel 'Sankt-Bach-Passion' mee. Sankt Bach, de heilige Bach, onaantastbaar en autonoom. Kagel, die het werk voor het Bachjaar 1985 componeerde, zei over zijn verre voorganger: "Misschien geloven niet alle musici in God, maar in Bach geloven ze allemaal."

De jaarlijkse muzikale geloofsbelijdenis in de Goede Week met behulp van een van de passies van Bach is in Nederland al net zo'n ritueel als de Nachtmis op Kerstavond. Met als hoogtepunt de nationale passieuitvoering in Naarden, alwaar na afloop nooit applaus klinkt. Klappen na een eredienst? Ongepast.

Maar hoe erg is dat applaus eigenlijk? Vermindert dat de beleving van een al dan niet religieuze ervaring? En wordt een uitvoering van een geestelijk Bachwerk beter als het wordt uitgevoerd door een geloofsgenoot, iemand die de intenties erachter beter begrijpt dan bijvoorbeeld een atheïst?

We leggen deze these voor aan dirigent en organist Masaaki Suzuki, behorend tot de één procent christenen die Japan telt. In 1995 keek de muzikale wereld met verbazing op van het eerste deel van wat een complete cyclus Bach-cantates moest worden, uitgevoerd door louter Japanse musici en Japanse zangers en opgezet en geleid door Suzuki. Inmiddels zijn we vijftig cd's verder en nadert het gigantische project zijn einde, nog slechts vijf cd's te gaan. "Daarna begin ik gewoon weer opnieuw, van voren af aan", zal Suzuki nederig glimlachend aan het eind van het gesprek zeggen. De afspraken met de Japanse concertzalen blijken daarvoor al gemaakt te zijn.

In een verantwoording die Suzuki schreef in het boekje van de eerste cantate-cd zegt hij te begrijpen dat de wereld wellicht vreemd zal opkijken van dit project. De Japanse cultuur ligt immers zo ver verwijderd van de West-Europese, en al helemaal van de lutherse eredienst zoals die in het Duitsland van Bach vorm kreeg. Maar een paar regels verder verrast Suzuki met de tekst dat hij en Bach fellows in faith zijn, kameraden in hun overtuiging. Geloofsgenoten.

"Dit is een heel natuurlijk thema voor mij", zegt Suzuki als hem zijn tekst van meer dan vijftien jaar geleden voorgehouden wordt. "En toch daagde de betekenis ervan in zijn volle omvang pas in een laat stadium. Wij, de beoefenaars van historisch verantwoorde oude muziek, houden ons de hele tijd maar pietepeuterig bezig met het oplossen van praktische problemen.

Hoe voerde Bach deze muziek in zijn tijd uit, hoeveel zangers had hij, hoe klonk zijn instrumentarium, wat was zijn tempo voor een bepaalde passage? We spreken in het maakproces altijd alleen maar over datgene wat anders is tussen onze muziekpraktijk en die in de tijd van Bach, en hoe we die verschillen zo klein mogelijk kunnen houden.

En toen heel plotseling drong het tot mij door dat de God in wie ik geloof dezelfde is als degene in wie Bach geloofde. Dát was wat ons bond, over al die jaren en over al die praktische muzikale problemen heen. Dat besef kwam als een bliksemflits. Wat Bach componeert moeten wij begrijpen door onze eigen ervaringen en door ons eigen geloof. We kunnen iets alleen maar goed doen als we erin geloven.

Maar zelfs voor stevige christenen is het moeilijk om zichzelf te herkennen in sommige van de teksten die Bach op muziek zette. Toch is het door die muziek van hem dat we kracht, troost of verlichting ervaren. ¿

Er staan heel veel woorden in de Bijbel die duister voor me waren, en die aan betekenis wonnen dankzij de muziek van Bach. We hebben met het Bach Collegium Japan in Kobe onlangs een herdenkingsconcert gedaan voor de slachtoffers van de tsunami. We voerden er 'Gottes Zeit ist die allerbeste Zeit' uit, Bachs cantate 106, ook wel bekend als 'Actus tragicus'. Daarin worden de woorden 'Ja komm, Herr Jesu, komm' gezongen. Woorden die menigmaal in de Bijbel voorkomen, maar met deze muziek erbij kun je de betekenis van die woorden, de slagkracht ervan, voelen - ze trillen als het ware op je huid. Je eigen gevoelens worden erdoor geïntensiveerd. Muziek kan veel zaken heel duidelijk maken."

Volgens Suzuki hoef je geen christen te zijn om gelovig of religieus te zijn. Daarom vindt hij de uitspraak van Kagel - die hij overigens niet kende - 'heel goed'. "Niet al mijn musici geloven in God, maar ze geloven wel allemaal in Bach. Voor mij ligt het anders. Ik ben overtuigd christen, verbonden aan de Gereformeerde Kerk van Japan in Tokio. Door mijn bestaan als dirigent komt het er steeds minder van, maar ik probeer eens per maand nog een dienst op het orgel te begeleiden.

Ik moet in een tekst kunnen geloven om een muziekstuk te kunnen uitvoeren. In opera is het natuurlijk makkelijk om te doen alsof, maar dat is met een Bachcantate volgens mij eigenlijk niet mogelijk.

Natuurlijk huur ik ook zangers in die absoluut niet religieus zijn, maar die hebben dan vaak wel weer een andere sterke motivatie om deze muziek uit te voeren. Zo is de tekst van 'Gleichwie der Regen und Schnee vom Himmel fällt', cantate 18, heel erg antikatholiek. Dan moet je ineens zingen:

Und uns für des Türken und des Papsts

grausamen Mord und Lästerungen,

Wüten und Toben väterlich behüten.

Erhör uns, lieber Herre Gott!

Ik probeer dan een vertaling naar iets anders te maken, een ander beeld op te roepen. In dit geval zou dat een oproep tegen het Kwaad in het algemeen kunnen zijn.

Voor dit project ben ik al deze jaren op precies dezelfde manier te werk gegaan. Voor elke nieuwe cantate maak ik eerst zelf een vertaling van de tekst in het Japans. Zo letterlijk mogelijk. Met veel annotaties erbij om moeilijke begrippen of ideeën uit te leggen. Die vertalingen geef ik niet alleen aan de zangers, maar ook aan de instrumentalisten, omdat die ook graag willen weten wat ze begeleiden. In dat eerste stadium kan het mogelijk zijn dat je met elkaar discussieert over de inhoud. Er ontstaat dan meestal een consensus zodat ze zich dusdanig tot een tekst kunnen verhouden dat ze zich een idee kunnen vormen over hoe ze dat dan vervolgens in muziek willen uitdrukken.

Zo beschouwd moet je dus in tekst en muziek kunnen geloven om het stuk op een overtuigende manier te kunnen overbrengen.

In een relatief klein ensemble als het Bach Collegium Japan werkt zo'n inhoudelijke voorbereiding natuurlijk beter dan bij een groot symfonieorkest. Ik schat dat zo'n dertig procent van de uitvoerenden bij ons christen is, maar de anderen zijn net zo geïnteresseerd in het uitvoeren van dit repertoire. Toen we met dit project in 1995 begonnen waren veel zangers nog tamelijk jong, en hadden ze niet zo nagedacht over de wereld en het leven. Nu we samen ouder zijn geworden, interesseren ze zich veel meer voor dit soort zaken, ook al betekent dat nog niet dat ze zich bekeren. Ze stellen veel vragen en plaatsen ook veel vraagtekens.

Ik probeer zo veel mogelijk uit te leggen vanuit mijn eigen geloof en met behulp van teksten uit de Bijbel. Het Laatste Oordeel is voor veel Japanners moeilijk te bevatten. Dat christenen een God en een Verlosser hebben, vinden ze al veel eenvoudiger te begrijpen. Voor Japanners zit er een zekere logica in het verhaal dat iemand door te sterven anderen verlost. Jezus Christus is voor hen een heroïsche figuur. De grote passies zijn daarom erg populair in Japan, vanwege het verhaal en de theatrale kant ervan.

Ik was vroeger sterk gekant tegen mensen die van de passies een theatervoorstelling wilden maken, maar dat heb ik nu helemaal niet meer. Als de theatervorm mensen kan helpen om de muziek beter te begrijpen, waarom niet? In Japan lezen kinderen haast geen boeken meer, maar ze lezen wel strips. Daarom zijn er stripalbums waarin de Japanse geschiedenis uit de doeken wordt gedaan. Zo steken ze er toch nog wat van op."

Dat Japanners in ruim twee decennia veel van Bach hebben opgestoken is vooral aan Suzuki en de zijnen te danken. "Ik ben begonnen in 1985, een Bachjaar. In Kobe in de universiteitskapel, waar we nog steeds onze cantates uitvoeren en opnemen. Daar deed ik een klein Bachfestival met mijn broer, die cellist is, en met mijn vrouw, een sopraan. Beiden doen nog steeds mee. Japan kende geen Bachcantates, je had geen professionele koren die dat konden.

Sinds 1985 deden we één à twee keer per jaar een cantate. Ik wilde meer. In 1990 dirigeerde ik voor de eerste keer een cantate in een heuse concertzaal in Tokio. Toen is het begonnen. Ik voelde een drang om al die werken uit te voeren. Ik had alle orgelwerken van Bach al gespeeld en nu wilde ik dit cantate-oeuvre compleet doen. Ik hou van de combinatie van tekst en muziek. En ik vind een koor een beter instrument dan een orgel, ook al klagen of zeuren orgelpijpen nooit.

Ik leerde de Bachcantate kennen toen ik student was in Tokio. Ik zong mee in het studentenkoor, zonder dat ik wist wat een cantate was. Maar de combinatie van noten en tekst vond ik zo bijzonder, en bovendien bleek al snel dat de muziek voor al die werken zo verschillend en rijk was. We hadden toen alleen de opnamen van Gustav Leonhardt en Nikolaus Harnoncourt, waarvan toen net deel 2 was uitgekomen. Ik kan nog steeds de kinderlijke opwinding voelen als er weer een nieuw deel verscheen.

Het besef dat dit oeuvre zo immens en divers was, heeft zeker meegespeeld met de wens het allemaal uit te voeren."

"Nee, nee. Bach is geen God voor mij, maar zijn aanwezigheid in mijn leven is wel net zo speciaal. Als ik wil bijkomen van alle voorbereidingen, concerten, opnamen, van al het gereis, dan ga ik thuis voor mijn lol de 'Kunst der Fuge' spelen. Ontspanning, complete rust. Dat Bach bij mij grote verdieping én maximale ontspanning kan veroorzaken, is voor mij een teken dat hij een uniek genie is. Bachs collega's componeerden goede muziek. Kuhnau, Pachelbel, Graupner - heel interessant allemaal, maar nooit op het niveau van Bach. Een muzikaal en een retorisch genie vallen in zijn persoon samen.

Natuurlijk was Bach ook een ambachtsman; hij moest én kon elke week wat nieuws componeren. Maar altijd was er die diepe connectie met de tekst, op een manier die je bij middelmatige componisten niet vindt. Vooral in dat opzicht is Bach een religieus componist, maar eentje die er op een praktische manier mee omging. Hij vertaalde zijn geloof naar de dagelijkse praktijk van het componeren.

En ja, Bach is voor mij dagelijks brood, zoals jullie hier zeggen. Wij in Japan zeggen: dagelijkse rijst." ¿

Peter van der Lint is redacteur van Trouw.

Japanner 'doet' Bach
Masaaki Suziki werd geboren in Kobe (Japan) op 29 april 1954. Hij studeerde orgel en directie in Tokio en daarna aan het Conservatorium van Amsterdam. In 1990 stichtte hij het Bach Collegium Japan, om alle Bachcantates op te nemen.

In 1996 recenseerde Trouw de eerste twee cantate-cd's:

"Masaaki Suzuki studeerde klavecimbel en orgel bij Ton Koopman en Piet Kee. Suzuki-de-leerling komt met dit project dus in het directe vaarwater van zijn leraar Koopman, temeer daar hij net als Koopman voor een chronologische volgorde kiest en begint met de vroegste cantates die Bach in Mühlhausen componeerde. Suzuki opteert voor de hoge stemming (a'=465), wat een veel helderder, stralender klankbeeld oplevert dan bij Harnoncourt en Leonhardt. Met name de cantate 'Gott ist mein König' (BWV 71) wint door die stemming enorm aan expressie. (...)

Het koor klinkt uitzonderlijk helder. Uitspraak en dictie van het niet eenvoudige Duits zijn welhaast perfect. Iemand zonder voorkennis zou dit koor beslist voor een Duits koor houden." [PvdL]

God dankt alles aan Bach
Martin van Amerongen - jarenlang hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer en auteur van 'Zijn bliksem, zijn donder: over de Mattheuspassie van Johann Sebastian Bach' (1997) - verweerde zich tegen de idee dat alleen gelovigen echt van Bach konden genieten. "Ogenschijnlijk heeft Bach alles aan God te danken. In werkelijkheid is het God die aan Bach schatplichtig is. Zijn Mattheuspassie is het laatste bolwerk der christenheid, met tanden en klauwen door de gelovigen verdedigd als het ultieme bewijs dat Hij wel degelijk bestaat. Bach zonder God, dat is voorstelbaar. God zonder Bach was allang weggerationaliseerd in een tijdgewricht waarin zelfs de dominees Hem niet meer serieus nemen." [De Groene, 19/1/2000]

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden