'Wie een spoor wil achterlaten behoort de regels te overtreden'

Spanje is het land van de nieuwe rijken en de nieuwe Europeanen. In hun ijver om erbij te horen, vergeten de Spanjaarden hun semitische (JoodsArabische) verleden. Volgens de schrijver Juan Goytisolo komen ze er nooit achter wie zij zijn en worden, als ze hun geschiedenis blijven ontkennen.

Kort daarna werd aangekondigd dat in Madrid vanwege de uitverkiezing tot culturele hoofdstad van Europa ik weet niet hoeveel, 1200 of misschien wel 12 000 culturele manifestaties georganiseerd zouden worden, teneinde de wereld de schoonheid van ons literaire en artistieke heden, onze zo karakteristieke moderne kunst, te laten zien.

Deze aankondiging van een uitbundig feest der leegte maakte korte metten met al mijn reserves en scrupules.

Ideeen en tradities worden gedachteloos overboord geworpen, klakkeloos voegt men zich naar de zwakzinnigste staaltjes van de mediacultuur, literairsociale activiteiten krijgen overdreven aandacht, verkoopstrategieen van uitgevers worden gesteund door de overheid. Schuimklopperij allemaal, plus een politiek die uit niet meer dan uiterlijke schijn bestaat, bellenblazen. Buitenlanders in ons land van nieuwe rijken, nieuwe vrijgestelden en nieuwe Europeanen laten zich erdoor overdonderen. Zij en, wat nog veel erger is, ook wijzelf zijn ervan overtuigd geraakt dat Spanje niet alleen een zeer eigentijds land is, maar dat het bovendien in deze stormachtige, onrustige fin de sieclejaren tot de avant garde kan worden gerekend.

Wat ik in Berlijn, in mijn geimproviseerde toespraak zei, kwam erop neer dat wij van het enthousiasme voor de glorierijke nationale beweging van het Francoisme zijn overgestapt op de glorierijke nationale en democratische Madrilener scene. Met andere woorden: we zijn op hetzelfde punt blijven steken.

De algemene verwarring van uitgeversprodukten met literaire teksten, de gulle steun die de pers de eerste biedt ten nadele van de laatste, de angst voor risico's en vernieuwing, de lof voor de meest conservatieve romanvormen ofschoon deze - in de woorden van de Peruaanse criticus Julio Ortega - 'weinig te conserveren hebben', het zijn allemaal veelbetekenende feiten die niet kunnen worden genegeerd.

Boeken die met de lezer communiceren zoals media dat doen, worden wijd en zijd verspreid en officieel gepousseerd om ons in het gemeenschappelijke Europese huis nationaal aanzien te verschaffen. Maar leveren deze exemplaren het onweerlegbare bewijs voor een gezonde conditie van onze literatuur? Wij moeten ons eens te meer realiseren dat het toepassen van als 'correct' bestempelde regels geen literatuur garandeert die die naam verdient, maar juist het binnenste buiten keren van die regels, het kritisch toetsen ervan. Ze vinden moeiteloos een publiek, een grote lezerskring, deze voor instant-consumptie bestemde uitgeversprodukten, ze worden snel naar binnen gewerkt, verteerd en weer uitgescheiden als fastfood van hamburgerketens.

Wat als kenmerkend voor de nieuwe Spaanse literatuur wordt verkocht bevat, enkele uitzonderingen daargelaten, geen enkele vernieuwende gedachte. Hoe is de ene romanschrijver van de andere te onderscheiden als ze bijna allemaal aan dezelfde spelregels gehoorzamen? Fantasieloze kopieen van de werkelijkheid, 'echte' personen en situaties, zoals het lezerspubliek dat daarmee immers vertrouwd is, het graag heeft. En dat alles wordt dan ook nog opgesierd door theatrale dialogen in een ouderwets, dof, grauw proza, thuishorend in een al lang verbleekte esthetiek.

Wat men in een oogwenk begrijpt, zegt Gide, laat als regel geen sporen na. Wat in Spanje als nieuw wordt aangeduid, zal over het algemeen geen langer leven zijn beschoren dan dat van een eendagsvlieg. We leven in een plaatjes-, een etalagecultuur, waarin kritiekloos uit de Verenigde Staten geimporteerde modes worden overgenomen: de 'lichte' roman, de 'smerige' werkelijkheid, en andere onbeduidende modellen die alleen maar worden bedacht om de gulzige honger van de uitgeef-industrie te stillen en steeds nieuwe produkten op de markt te kunnen gooien.

Maar mode schept geen kunst en zal dat ook nooit doen: ze is hooguit, stukje bij beetje, traag er achteraan sukkelend, een interpretatie ervan. De serieproduktie van steeds dezelfde thema's doet mij denken aan het spektakel van Marokkaanse soeks en Turkse bazars met hun Vuitton-tassen en Lacoste-shirts, zo knap nagemaakt dat de kopie bijna niet van het origineel is te onderscheiden. Als we dit beeld op de literatuur toepassen, zou je kunnen zeggen dat Spanje met de handigheid van een fabrikant uit Korea of Taiwan zijn namaak-Vuitton-tassen en Lacoste-shirts exporteert. Maar is dit holle, voorgeprogrammeerde, elke originaliteit ontberende 'modernisme', dat als enige verdienste heeft dat het zo knap aansluit bij de pseudo-cultuur van de media, voldoende reden om de vreugdeklokken te luiden?

Wie het rijk der vrome wensen en propagandistische praatjes verlaat en dat van de werkelijkheid instapt, komt tot heel andere conclusies. Americo Castro uitte in 1965 de bittere klacht dat we nog steeds 'een culturele kolonie' van het buitenland zijn. Ruim een kwart eeuw later blijken zijn woorden nog precies zo treurig maar waar. De opkomst van het modernisme in het huidige Spanje heeft zich voltrokken door middel van een lobotomie, een hersenoperatie die ervaring, kennis van het verleden, uit Spanjes geheugen heeft verwijderd. De literatuur, zo gefeteerd in het wereldje van pers en uitgevers, ontbeert elke herinnering, elke waardering voor het werk van auteurs als Joyce, Belly, Svevo, Arno Schmidt of Lezama Lima. Ze heeft alleen weet van romanstructuren die zijn afgestemd op het vluchtige universum van de media.

Deze boeken, vertroeteld door toonaangevende journalisten en invloedrijke uitgevers, passen als een ring om een vinger bij luie, van goede smaak verstoken lezers, geconditioneerd en geestelijk verarmd door dit bloedeloze 'modernisme'. De onbekendheid, gewild of ongewild, met ons unieke literaire en artistieke erfgoed, met de wortels, de loten, de vertakkingen, de vermetele verstrengelingen van de tot volle wasdom gekomen Boom der Literatuur, kan niet dramatischer zijn. (Wat hebben we nu nog aan het lichtend voorbeeld, de durf, die schrijvers als Juan Ruiz en Fernando de Rojas, Francisco Delicado en San Juan de la Cruz, Gongora en Cervantes ons hebben laten zien?)

Beseffen onze 'postmodernen' (God erbarme zich over hen!) dat mijn ware tijdgenoten, tijdgenoten ook van de weinige schrijvers die geen boodschap hebben aan de vergankelijke, louter modieuze canons dicterende uniformiteit, juist deze scheppers zijn wier teksten zich niet laten vangen in regels en formules? Het zijn de auteurs van Libro de buen amor, van Celestina, van Lozana Andaluza, van Cantico espirituel, van Don Quichot en van Soledades. Niet degenen die, ofschoon ze in onze tijd leven, dood werk produceren dat eigenlijk in een andere eeuw thuishoort.

Deze schrijvers slaan de onovertroffen waarschuwing van Gaud, 'Oorspronkelijkheid is de terugkeer naar de oorsprong' in de wind. Zo ruilen zij in hun jacht naar goedkoop succes, naar prijzen van staat of schrijversbond, naar lof van onwetenden, zuiver goud in voor klatergoud. Zij imiteren een doorsnee werkelijkheid omdat die gemakkelijk te imiteren is, hun boeken staan bol van een oppervlakkig conformisme in plaats dat ze de inspirerende vrijheid van middeleeuwse inventiviteit en creativiteit opzuigen, van diegenen die de archetypen van Renaissance en neoclassicisme versmaadden en vorm gaven aan een eigen genealogie.

De steun die deze literatuur van officiele zijde krijgt is, in de woorden van een opmerkzaam toeschouwer, een openbare plaag in moderne gedaante. Het echte literaire scheppingsproces laat zich niet rangschikken in begrippen als stromingen, modes, scholen, canons, wetten, generaties; die termen werpen daarop geen enkel licht. Het zijn slechts grove instrumenten, hoe nuttig ook voor professoren en recensenten van nieuwe uitgaven, hulpmiddelen die hooguit toepasbaar zijn op schrijvers en epigonen van de tweede garnituur. Ieder die iets creeert weet diep in zijn hart dat dit een strikt individueel proces is, wars van elk van buiten opgelegd schema. Een proces dat niets te maken heeft met het veulen of het ros uit de een of andere stal.

Wie ernaar streeft een spoor achter te laten, wie iets wil toevoegen aan de boom, met welks sap hij zich voedt, weet - en ik word niet moe het te herhalen - dat hij de cultuurgemeenschap waarvan hij deel uitmaakt een andere taal moet overdragen dan de spraak die zij hem schonk toen hij met zijn werk begon. Hij behoort de regels te overtreden. Zijn uniciteit schikt zich niet naar stromingen of groepen; wie hem op dit soort criteria beoordeelt, veroordeelt zichzelf tot onbegrip voor zijn werk. Literatuur bestaat uit uitzonderingen die zich koppig verzetten tegen iedere indeling.

Bestudering van Cervantes leert dat hij de in zijn tijd gangbare patronen zeker niet navolgde maar ze gebruikte als energiebronnen voor zijn eigen scheppingen. Hij maakte zich er meester van, speelde ermee, liet ze in het niets verdwijnen. Geen steen bleef op de andere, zelfs Apollo verloor zijn neus. Zijn roman, die hij omschreef als 'heldendaad' en 'zeldzaam verdichtsel', paste bij geen enkele school, bij geen enkel in archieven bewaard model.

Americo Castro stelde met recht en reden de vraag: "Zou de auteur van Don Quichot een 'nieuwe methode om komedies te schrijven' hebben kunnen opstellen?" Natuurlijk niet. Eenvoudigweg omdat er geen ateliers voor poezie, romans, literatuur van hoog niveau bestaan, de winstgevende werkplaatsen die naar Amerikaans voorbeeld overal als paddestoelen uit de grond schieten ten spijt. Creativiteit gedijt alleen op rebellie, op het proces dat de schrijver tegen de regels voert. Wat geinstitutionaliseerd en met prijzen bekroond is, is van een nietszeggende middelmatigheid; het mist de gloed, de aantrekkingskracht, van literatuur.

Laten we terugkeren naar de eerder geciteerde auteur van La realidad historica de Espana. Hebben wij gelijk als wij menen niet langer een culturele kolonie van het buitenland te zijn en steken wij de wereld werkelijk de ogen uit met onze duizend beste hedendaagse dichters en romanschrijvers, met de pracht en praal van de Madrilener scene?

Het is tientallen jaren geleden ook vastgesteld: het ontbreekt ons al eeuwenlang aan belangstelling voor het bestuderen van vreemde culturen, afgezien van oppervlakkige, voor huis-, tuin- en keukengebruik bestemde lectuur. Duidelijk gezegd: die desinteresse heeft ons niet gemaakt tot actieve subjecten van onderzoek en analyse van dat wat anders is, maar tot objecten, tot onderwerp van studies, uitgevoerd door buitenlandse historici en essayisten. Wij zijn niet in staat Spanjes historie en cultuur naar behoren te bestuderen of te begrijpen zonder onze toevlucht te moeten nemen tot het werk van Engelse, Franse, Duitse, Amerikaanse en Italiaanse hispanologen.

Ook de Spaanse bijdrage tot een beter begrip van historie en cultuur van Engeland, Frankrijk, Duitsland, de Verenigde Staten, Italie, is zeer gering of praktisch nihil. Willen wij de complexe, subtiele kunst van Cantico espiritual en de vele dramatische momenten in het leven van de auteur daarvan doorgronden, dan rest ons niets anders dan de boeken te lezen van de Brit Peter Colin Thompson, de Fransman Duvivier, of de Portoricaanse Luce Lopez Baralt. De Spaanse produktie over de karmeliet en hervormer is, zoals Jose Angel Valente het heeft uitgedrukt, niet veel meer dan 'ritueel en liturgie', die het zicht op hem vertroebelen, afbreuk doen aan zijn kracht, zijn mystieke vuur smoren, de werkelijkheid verstoppen.

Een vergelijking met romaanse, angelsaksische en germaanse studies naar niet-Europese culturen biedt hetzelfde beeld. Spanje wil niets weten van zijn semitische verleden, schaamt zich daar in stilte over. Terwijl toch dat verleden diep geworteld en duidelijk zichtbaar is in het werk van schrijvers als Ortega, Menendez Pidal of Madariaga.

Die houding heeft tot gevolg dat afwerend en negatief wordt gereageerd op de aandacht die de Arabische cultuur buiten het kwartier der arabisten krijgt, als betrof het laster of iets buitenissigs. Als mij, wat meermalen gebeurt, met nauwelijks verholen woede wordt gevraagd waarom ik zo geinteresseerd ben in de islamitische wereld, antwoord ik met een tegenvraag: "Waarom interesseert die u niet?" Was ik een Fransman, Engelsman of Duitser,

zou in niemands hoofd opkomen mij zo'n vraag te stellen; weetgierigheid op het gebied van vreemde culturen is immers iets heel normaals en authentiek Europees. Onze voor parvenu's zo kenmerkende provinciale, overdreven ijver Europeser dan de Europeanen te zijn, maakt dat wij het onbekende minachten en belet ons om op een onbekommerde, spontane, natuurlijke manier Europeanen te worden.

Moet ik doorgaan met deze ellendige litanie? Ik zou zo barmhartig willen zijn hier te stoppen, ware het niet dat er ook nog sprake is van de uitbundige viering van een vijfhonderdjarig jubileum - een datum die samenvalt met de heerschappij van de bijna heilig verklaarde beschermster van Joden, moslims en zigeuners. De verwarring van waarden dreigt daardoor uit te groeien tot een oorverdovend kabaal, onrijpe ideeen zullen ons worden opgedrongen, kritische geluiden zullen overstemd worden, we zullen verdrinken in lawaai, tumult en dommigheid. In een samenleving die - omdat ze het niet kent - het werk van haar beste zonen verzwijgt, dragen herdenkingsfeesten niet bij tot een heldere toekomstvisie, tot een duidelijk beeld van wat we waren, wat we zijn en wat we zullen worden.

De hersenoperatie die we hebben ondergaan sneed de vruchtbare middeleeuwse samenleving met haar mengeling van rassen weg, verwijderde het langdurige, heroische verzet van humanisten, mystici en wetenschappers tegen de stelselmatige vernietiging van onze cultuur, begonnen op precies dat tijdstip dat we nu ten hemel verheffen. Die lobotomie trof de visionaire kijk van de weinige schrijvers die het waagden een met geweld opgelegde eenzijdige moraal in twijfel te trekken, had het gemunt op twee eeuwen van vernieuwingsstreven. Ze maakte zich eenvoudigweg meester van ons historische, literaire en menselijke erfgoed en maakt daar een pot nat van, loenzend naar bijval van de grote massa. Aanpassing aan waarden, kriteria en modes uit Amerika is voor de cultuurprogrammeurs de gemakkelijkste en best werkende methode om zich Europees te voelen.

Madrid de culturele hoofdstad van Europa? De manifestaties ter viering van een merkwaardige gebeurtenis zullen het niveau van onze literatuur niet verbeteren noch het aantal alerte lezers verhogen. Ze vormen het zoveelste alibi voor ronde-tafelgesprekken, symposia, zomercursussen, talkshows en dergelijke surrogaten die tot doel hebben de bureaucratie vet te mesten en de cultuur te trivialiseren. De enige waardige en consequente houding jegens dit spektakel is een radicale boycot of een zelfopgelegde verbanning, bijvoorbeeld in een huisje in Coria of in Puelba de Don Fadrique - voor het geval men niet naar de andere kant van de aardbol, naar Nieuw-Zeeland, kan afreizen. Gehuld in een dikke mantel wachten we daar tot de stortregen van platitudes voorbij is.

Vertaling: Jet Kunkeler

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden