WIE DE KERK AANVALT, KWETST MIJ

Het is volgende week vijfentwintig jaar geleden dat Adriaan Simonis tot bisschop werd gewijd. Zelf relativeert hij zijn rol in die periode het liefst. “Ik heb de winkel draaiende gehouden in een heel moeilijke tijd. Als ik boven kom, dan stel ik me zo voor dat Onze Lieve Heer zal zeggen: 'Het was misschien niet zo heel veel, maar vooruit, kom maar binnen'.”

Een kwart eeuw geleden werd Adriaan Simonis, priester uit de Bollenstreek en kapelaan uit Den Haag, tot bisschop gewijd, op 20 maart 1971. Een hartelijke man, vonden de gelovigen, zonder enige vorm van clericale hooghartigheid. Toch was het enthousiasme niet erg groot, toen hij een kleine dertien jaar later aartsbisschop werd. Was dit nu degene die door groot charisma, brede visie en een scherp inzicht de Nederlandse rooms-katholieke kerk door een van de moeilijkste periodes van de eeuw zou moeten leiden? Kardinaal Simonis leek zich die kritiek destijds persoonlijk aan te trekken. Wie hem die vijfentwintig jaar heeft meegemaakt, ziet hem tegenwoordig minder lijden onder al dat commentaar. Is hij laconieker geworden, heeft hij een dikkere huid gekregen? Op zijn persoon heeft hij de kritiek nooit betrokken, verzekert de kardinaal in zijn aartsbisschoppelijk paleis aan de Maliebaan. “Het gaat mij om de kerk. Wie de kerk aanvalt, kwetst mij.”

Hij heeft in de loop der jaren met de kritiek, die van binnen en van buiten de kerk kwam, leren leven. Meteen al bij zijn aantreden moest hij de emotionele onvrede van de Utrechtse clerus met rationele argumenten te lijf. De paus wilde per se een aartsbisschop die in 1980 in Rome de bijzondere synode, gewijd aan de Nederlandse kerkprovincie, had meegemaakt. Niemand van de Utrechtse clerus had dat. Adrianus Simonis wel. Na enig tegensputteren van zijn kant - maar het bedanken voor de eer hoort bij het ritueel rond de bisschopsbenoeming - werd hij op 3 december 1983 aartsbisschop van Utrecht. Zijn episcopaat is tot nu toe gekenmerkt door uittredende priesters, leeglopende kerken, grote onverschilligheid van de Nederlandse katholieken, die zich van de pauselijke voorschriften voor hun huwelijks- en gezinsleven niets aantrekken en volstrekt hun eigen gang gaan op de deining van de tijd. In weldenkende kringen werd het christelijke geloof tot voor kort vooral gezien als iets voor domme mensen. Katholieken die zich nog wel betrokken voelen bij de kerk, roepen om aanpassing van de regels: opheffing van het celibaat, het toelaten van vrouwen tot het priesterambt. Als de kardinaal een tussenbalans mag opmaken, vindt hij dan dat hij de problemen adequaat te lijf is gegaan?

“Ik heb de winkel draaiende gehouden in een heel moeilijke tijd. Als ik boven kom, dan stel ik me zo voor dat Onze Lieve Heer zal zeggen: 'Het was misschien niet zo heel veel, maar vooruit, kom maar binnen'.”

Tot de donkerste periode van zijn bisschopsambt horen zijn eerste jaren in Rotterdam, toen het aantal uittredende priesters een statistisch hoogtepunt bereikte. Ook de tijd van de twee processen wegens vermeende discriminatie van respectievelijk homoseksuelen en feministische theologen, in 1987, viel hem zwaar. Ondanks dat hij de beide kort gedingen won, is hij achteraf niet tevreden over de manier waarop dat alles in de media is terecht gekomen. Dat hangt wellicht samen met de soms impulsieve inborst van de kardinaal. “Ik ben direct, met alle voordelen en nadelen van dien.”

Het vertrek van de bisschoppen Gijsen van Roermond en Bür van Rotterdam, beiden om nooit helemaal opgehelderde redenen, wierpen eveneens een schaduw over het werk van de kardinaal. “Maar ik ben al met kleine hoogtepuntjes tevreden, zoals de weekeinden, wanneer ik de mis opdraag, de voorbereidende gesprekken met vormelingen, priesterwijdingen. Ik kan een paar weken teren op een ontmoeting met iemand met een diep geloof.”

Uw collega, de Belgische kardinaal Danneels, wordt doorgaans zeer geprezen om zijn puntige en ter zake doende wijze van formuleren en leiding geven. Hoe is het om als kardinaal in vergelijking met de grote Danneels steeds het onderspit te moeten delven?

“Ik ben geen intellectueel. Kardinaal Danneels is dat wel. Hij is een coryfee, zoals de kardinalen Martini, Hume, O'Connor en Lustiger. Het is voor mij een enorme eer bij dit illustere gezelschap te horen. Mijn capaciteiten zijn anders. Voor mij is de troostprijs dat mensen zeggen: 't Is zo'n aardige man.”

. . .maar zijn ideeën pruimen we niet, volgt daar dan meestal op.

“Ik heb ook wel gehoord dat ik dom zou zijn. Ik hoop dat ik geen stommeling ben.”

Blijft u, ondanks de forse terugval in het aantal gelovigen, toch streven naar het behoud van een brede volkskerk? Of bent u, net als de paus, tevreden als er slechts een kleine groep getrouwen overblijft nadat de anderen uit onvrede of onverschilligheid de r.-k. kerk hebben verlaten? Wat Gijsen de 'heilige rest' noemt.

“De 'heilige rest' is een bijbels begrip dat een rol speelde in de historie van het joodse volk. Die is er altijd één geweest van uitzuivering. Toch vind ik dat begrip in onze tijd rieken naar doemdenken. Ik heb het daarom liever over een 'levendige voorhoede', de groep mensen die van hun christen-zijn echt iets wil maken.

Toch blijf ik streven naar een volkskerk. Want het huis moet vol, zegt Jezus: 'Gaat daarom naar de hoeken van de straten'. Kwantiteit is niet onbelangrijk. Wat niet wil zeggen dat er daarom geen eisen moeten worden gesteld. Christus is ook wat dat betreft duidelijk. Als er in het volgestroomde huis iemand zonder bruiloftskleed blijkt rond te lopen, wordt hij eruit gegooid. Niet alles binnen de kerk kan en mag. Ze heeft vanaf het vroegste begin huisregels gesteld. Daar dient iedere gelovige zich aan te houden. Er zijn tijden waarin veel mensen dat niet zo zien zitten en de kerk dus een kleine kudde wordt. Kijk naar de tijd van de Reformatie, toen werd de r.-k. kerk bij ons sterk gedecimeerd. Maar ze krabbelt er altijd wel weer bovenop. Dat zal ook nu gebeuren, daarvan ben ik heilig overtuigd. Is het niet morgen, dan overmorgen of over-overmorgen, maar het gebeurt. Er kunnen in nieuwe generaties onvermoede religieuze krachten loskomen. Als ik dat niet meer zou geloven, dan zou ik ook niet meer geloven in het bestaan van God die uit stenen kinderen van Abraham kan maken.''

In een interview met het Algemeen Dagblad zei u anderhalf jaar geleden: 'Het valt mij op dat de protestanten van orthodoxen huize in leer en moraal veel met ons gemeen hebben'. Ziet u op dat punt een verbond ontstaan tussen orthodoxe protestanten, joden, moslims en katholieken?

“Ik zie daarin geen verbond, maar een feitelijkheid. Allen denken vanuit de objectieve openbaringswaarheid dat het bestaan van God als Schepper een onaantastbaar gegeven is en dat de mens daarom niet in de goddelijke natuurwetten mag ingrijpen middels handelingen als abortus en euthanasie. Over dat gegeven kun je met deze groeperingen, die op andere geloofspunten ver van elkaar afstaan, heel goed praten. Evenmin als wij zijn zij bereid alles te relativeren.”

Groepen katholieken in de ons omringende landen hebben zich in kerkelijke referenda uitgesproken tegen het celibaat, de uitsluiting van vrouwen uit het priesterambt en het gebrek aan democratie in de rooms-katholieke kerk. Vindt u dat onbeduidende oprispingen of ziet u ze als een signaal dat de kerk zich opnieuw dient te bezinnen op genoemde punten?

“Ik haal mijn schouders er zeker niet over op. Het is in elk geval een teken van betrokkenheid bij het kerkelijk leven. Er zijn immers ook tal van mensen die zeggen: 'het heeft geen zin om je druk te maken, het helpt toch niets'. Zij die, te beginnen in Oostenrijk, aan de referenda hebben meegedaan, stellen belang in de kerk, laten hun stem horen. Iets anders is of ik het ook zinvol acht voor onze eigen kerkprovincie. Ik zie daarvan eerlijk gezegd de noodzaak niet zo in. Wij, bisschoppen, weten sinds jaar en dag dat tachtig, negentig procent van de Nederlandse katholieken het niet eens is met de opvattingen van de kerk op die punten. Daar hebben we geen referendum voor nodig. En afgezien daarvan, stel dat er wel zoiets wordt gehouden: hoe moeten we dan het feit wegen dat, net als elders, de meerderheid niet meedoet? Als teken van desinteresse? Of als een bewijs dat men de geuite grieven niet deelt?”

Je kunt het aantal neuzen tellen en constateren dat het hier slechts om een minderheid gaat, je kunt ook naar de geschiedenis kijken. Er zijn in de lange historie van de kerk altijd bewegingen geweest van mensen die streefden naar 'zuivering' van de kerk of naar een bijstelling van verstarde kerkelijke praktijken. Daarbij was het nooit van belang of ze de meerderheid vertolkten, maar of de kracht van hun argumenten groot genoeg was. Waarom niet luisteren?

“Ik doe al 25 jaar niets anders dan naar mensen luisteren. Sinds ik in 1971 bisschop werd, ben ik met de gelovigen in gesprek over deze punten en probeer ik hen te overtuigen van de juistheid van de leer en inzichten van de kerk over zaken als seksuele moraal, het celibaat, de vrouw niet in het ambt. En lukt dat niet, dan tracht ik in ieder geval hen zover te krijgen dat ze er wat genuanceerder tegenaan kijken.”

Raakt u nooit geïrriteerd?

“Ik vind het soms wel vermoeiend, ja. Niet omdat mensen geen recht zouden hebben om op al deze punten met mij in discussie te gaan, maar omdat hun kritiek voorbijgaat aan de eigenlijke geloofscrisis. Die zit dieper. We hebben het veel te weinig over de echt wezenlijke dingen: het afnemend persoonlijk godsgeloof, het teruglopend gebedsleven en het feit dat veel mensen niet langer bereid blijken om God te zien als degene aan wie zij uiteindelijk verantwoording zullen moeten afleggen voor hun persoonlijke gedragingen. Kijk, als het zo eenvoudig was dat met het toegeven door de kerk op bovengenoemde punten de zaak zou zijn opgelost, dan zouden de Nederlandse hervormde kerk en de gereformeerde kerken er veel beter voorstaan dan wij. Zij hebben immers geen paus en bisschoppen die dwingend iets kunnen opleggen, ze kennen gehuwde voorgangers en vrouwen in het ambt, en de seksuele moraal is er veel subjectiever. Maar nee, ze zitten met dezelfde diepe geloofscrisis, dezelfde leegloop. Als je deze zaken ook binnen de r.-k. zou toelaten, hoef je dus geen illusie te koesteren dat daarmee de kerkdiensten voller zouden worden. In tegendeel. Het zou de mensen die in de kerk zitten, jongeren incluis, er ook nog uitjagen. Logisch, het gaat om essentiële christologische waarheden. De exclusiviteit van het mannelijk priesterschap is door de Heer van de kerk, door Christus zelf, verordonneerd. Vandaar dat kardinaal Danneels zegt: 'de bindende richtlijnen van de katholieke kerk op dit punt is geen machts-, maar onmachtsuitspraak'. Hij kan niet anders, ik kan niet anders. Het ligt hecht verankerd in de apostolische constitutie van de kerk.”

Is dat de reden waarom de congregatie voor de geloofsleer vorig jaar de pauselijke brief over de priesterwijding (ordinatio sacerdotalis) 'onfeilbaar' noemde?

“De paus heeft verklaard dat datgene wat de apostolische constitutie van de kerk zegt, namelijk dat Jezus alleen mannen tot apostel heeft uitgekozen, behoort tot het onfeilbare geloofsgoed van de rooms-katholieke geloofsgemeenschap.”

En hiermee is de discussie over de vrouw in het ambt voorgoed gesloten en zijn alle pausen die na hem komen gebonden aan het absolute 'nee' van Johannes Paulus II?

“Niet wat betreft de argumentatie, want die kan in de loop der tijden om culturele en antropologische redenen veranderen. Wel wat de uitkomst betreft, daar kan nooit meer aan worden getornd. Het is immers geen vrije kwestie, maar een 'halszaak' voor de kerk.”

Geldt dat ook voor een vraag als: mogen pastoraal werkenden het sacrament van de ziekenzalving toedienen?

“Ja. Reeds in de Jacobusbrief wordt deze taak uitsluitend aan presbyters, de latere priesters, toegewezen. Zo heeft Jezus het ook bedoeld. Dat kunnen anderen niet overnemen.”

Dit alles zal het priestertekort bij ons niet doen afnemen.

“Ik ben eerder geneigd de uitspraak van emeritus-bisschop Ernst te onderschrijven, die nog niet zo lang geleden de vraag opwierp: zijn er straks nog genoeg gelovigen voor de priesters die we hebben? In tegenstelling tot 25 jaar terug, toen er slechts een handjevol priesterkandidaten was, telt de hele kerkprovincie momenteel 200 serieuze kandidaten. Jongelui die helemaal van deze tijd zijn, waarachtig wel weten hoe beroerd de kerk er getalsmatig voorstaat, maar die desondanks, gedreven door Gods Geest, zeggen: 'Ik wil dit avontuur aan'. Dat geeft me een geweldige troost.”

Bent u blij met een jonge priester als Antoine Bodar, die met een 'nieuwe spiritualiteit' komt?

“Nee, nee, ik geef geen oordeel over personen. Bodar is trouwens geen priester van mijn bisdom.”

Bent u het eens met zijn analyse dat de gevestigde orde in de r.-k. hierarchie vooral op maatschappelijke betrokkenheid hamert en spiritualiteit verwaarloost?

“Er is in de jaren zeventig wel veel gepreekt over politiek. Ik heb gehoord dat mensen toen klaagden dat ze zo weinig over inhoudelijke geloofszaken hoorden. Wij als bisschoppenconferentie hebben in die tijd trouwens wel veel spiritueels gedaan. Lees onze vastenbrieven, onze brief over de moderne devotie. Ik denk wel dat het goed is, ons te realiseren dat wij priesters ons meer moeten tonen als geestelijke leiders, het voorbeeld moeten geven in gebed en sacrament. Ik ben wel blij met priesters die een diepgewortelde spiritualiteit hebben, maar het moet èn-èn zijn: spiritueel en op het maatschappelijk leven betrokken.”

Vindt u het terecht dat Bodar aan de provinciaal van de jezuïeten heeft gerapporteerd dat twee collega-priesters van de Krijtberg er beiden een seksuele verhouding op na houden?

“Als er iets gebeurt dat ergerniswekkend is, ook voor anderen, dan kan het goed en nodig zijn om dat te melden. Het is mij ook eens gebeurd dat ik in mijn omgeving te maken kreeg met een priester die de regels overtrad. Ik ben eerst met de man zelf gaan praten, dat moet je natuurlijk eerst doen, je moet niet meteen naar de bisschop stappen. Dat heb ik toen gedaan en toen dat geen effect had, ben ik naar mijn geestelijk leidsman gegaan om te overleggen. Die suggereerde om niet naar de bisschop, maar naar de vicaris-generaal te gaan. Die is vervolgens naar de bisschop gestapt. Hij bleek er al van te weten. De joods-christelijke traditie kent profeten, die dingen aan de kaak stellen met het risico verguisd te worden. Zo iemand die achteraf een profeet blijkt te zijn, wordt in zijn eigen tijd vaak een malloot genoemd, een gek.”

Bent u ook zo iemand?

“Haha, nee daarvoor eet ik te veel brood.”

Speelt u nog altijd orgel?

“Jazeker, elke dag zo'n tien minuten.”

Heeft u een favoriete componist?

“Nee, ik improviseer alleen, meestal iets Bachiaans. Ooit heeft Albert de Klerk mij aangeboden improvisatieles te geven. Ik wilde dat graag, want ik had grote bewondering voor hem. Maar de voorwaarde was dat ik elke dag drie kwartier zou studeren. Dat zou niet gaan, daar kom ik niet aan toe. Dat was wel jammer. Later, als ik boven ben.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden