Review

Wie de eerste val overleeft, kan tegen een stootje

Antoine Uitdehaag: Levenslang vrij. G. A. van Oorschot, Amsterdam, 1994; 48 blz. - f 24,90.

'Levenslang vrij': dat is een gepatenteerd poetische, want innerlijk tegenstrijdige en geladen woordcombinatie. 'Vrij' verplaatst ons naar de positieve kant van de waardeschaal: het begrip is zo ongeveer de hoeksteen van onze westerse beschaving. Maar 'levenslang' tapt uit een heel ander vaatje. 'Levenslang' staat voor de zwaarste vorm van onvrijheid die zich denken laat. Levenslange opsluiting immers.

Het gedicht waaraan de bundel zijn dubbelzinnige titel ontleent heet 'De eerste val' en de openingsstrofe daarvan gaat aldus: “Toen je me vallen liet, wist ik: nooit meer / de veilige hoogvlakte van de paarderug / de eindeloze zekerheid, nu val ik / altijd verder, levenslang vrij.”

Het zal duidelijk zijn dat de hier gememoreerde 'eerste val' een allesbepalend en definitief karakter heeft. De val van het paard 'bevrijdt' die 'ik' voor de rest van zijn leven van de veilige beslotenheid van zijn jeugd. Het gedicht gaat dan ook verder met: “Aan de overkant van het warme paard / zocht jij maar vond geen kind meer.” Het is een duur gekocht en dubieus soort vrijheid dus. Niettemin, wie die eerste val (een soort uitdrijving uit het paradijs) eenmaal heeft overleefd, kan voortaan tegen een stootje: “Vanzelf viel toen het leven mee,” staat er in de derde strofe.

De slotstrofe eindigt heel geheimzinnig met de uitroep: “o, laat mij vallen waar jij ligt.” Wie die 'jij' precies is weet ik niet. De vader van de 'ik' wellicht, die in de tweede afdeling van deze bundel een prominente plaats inneemt en die zijn zoon niet voor diens val heeft kunnen behoeden? En duidt die exclamatie aan het slot op de wens om zich althans in de dood te herenigen met de 'jij' en met de paradijselijke beslotenheid van weleer?

Opnieuw: ik weet het niet, maar dat het gedicht tot het stellen van dergelijke vragen uitnodigt getuigt nu juist van de kracht ervan. Een feit is dat Uitdehaag hier een paradoxaal en moeilijk te verwoorden gevoelscomplex suggestief in beeld brengt. Het verenigt de hunkering naar de veilige onvrijheid van de jeugd met de onveilige vrijheid van de volwassenheid.

Niet elk gedicht in 'Levenslang vrij' heeft de mysterieuze lading van 'De eerste val'. Uitdehaag is een typische parlando-dichter die zijn weemoed om het voorbije meestentijds in gevoelige, ondubbelzinnige bewoordingen uitspreekt. “Lang, lang voorbij al / de zomer”, staat er ergens, en elders heet het al even onomwonden: “Kom terug, kom terug, zo veilig was ik / nooit meer.” Dat hij is schoolgegaan bij de dichter-van-het-voorbije bij uitstek, J. C. Bloem, blijkt ook uit een laconiek-humoristische toespeling als: “domweg gelukkig in het recht.”

Teloorgang en dood: het is het oude liedje dat Uitdehaag in overigens vaak welluidende bewoordingen opnieuw aanheft en dat maakt dat we zijn debuut met recht, zoals ik hierboven al stelde, als tamelijk braaf en traditioneel mogen kenschetsen. Sommige gedichten zijn niet meer dan elegisch-humoristische representanten van het lightverse-genre. Thematisch is er nauwelijks sprake van enige ontwikkeling. De drie afdelingen waarin de bundel is onderverdeeld behandelen grofweg drie generaties: die van de 'ik', van diens vader en van diens zoon, alle bezien vanuit de optiek van het verstrijken van de tijd.

De drie komen samen in het gedicht 'De sprint': “Toen draaide de aarde. Draaide! / Liep niet langer ik achter hem / maar zag hij mijn hakken, sneed ik / zijn pas en zijn hart en zijn adem, / was alles voorbij, ver, vader voorbij. // Nu heers ik nog losjes, zoon / maar geef je iedere week minder / voorsprong, wacht op je snede, / weet dat de aarde dan terugdraait / en dat niets veranderd zal zijn.”

Dit gedicht is exemplarisch voor het soortelijk gewicht van Uitdehaags poezie, waarin heel terre a terre herkenbare emoties worden geevoceerd. Toch zit er anderzijds een pittige tegendraadsheid in deze gedichten - onverwachte wendingen, zinnen die middenin worden afgebroken, eenwoordzinnen en uitgekiende woordherhalingen -, die het geheel voor een doorslaan naar het kitscherige en sentimentele behoeden. En waar de dichter erin slaagt aan het soms al te realistische grondplan een meer verdroomde, zo men wil surreele context mee te geven, bereikt hij een werkelijk veelzeggend resultaat. Ik noem slechts - maar er zijn meerdere voorbeelden - het gedicht 'De grote weg'.

Het begint als een fris herinneringstafereel: “Alles was nieuw. De jaren zestig, / zijn rijbewijs, bijna de auto.” Op 'de trotse achterbank' juichen de kinderen het uit. Maar dan slaat dit lieflijke zondagochtendritje opeens om in iets infernaals: “de motor jankte als onze hond / - stilte. Jaren stond alles stil. / Een aquarium op de snelweg. / Toen rukte de horde op, / brak paniek de glazen stilte. // Versteend zat hij om het stuur. Hoorde / de oprukkende tijd, de brullende / kinderen, maar kon niet. / Verstond het niet.”

Ik vind dit een uitstekend gedicht. Het weet de sfeer van de jaren zestig en de kinderlijke euforie met heel eenvoudige middelen perfect op te roepen en paart dit vervolgens moeiteloos aan een traumatisch moment van apocalyptische verstilling. Een moment overigens dat jaren lijkt te duren en dat zich als het ware afspeelt in een aquariumwereld. Daaromheen komt de werkelijkheid al snel weer met horten en stoten op gang op een wijze die vaag doet denken aan het contrast tussen verstilling en turbulentie in Vasalis' vermaarde gedicht 'Tijd'.

Hier, in de schemerwereld van het irreeel-reele, is Uitdehaag op zijn best. Laten we hopen dat zijn dichterschap zich in deze richting verder ontwikkelt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden