Wie controleert de dopingcontroleurs?

interview | fair play | De EK atletiek beginnen vandaag in Amsterdam, zonder Russische atleten. Je zult maar een 'schone' Russische sporter zijn, zegt hoogleraar Marjan Olfers. Ze kraakt harde noten over het huidige anti-dopingbeleid.

Ze voelt zich soms een roepende in de woestijn. In een tijd waarin onthullingen over doping - recent en van jaren terug - elkaar snel opvolgen, doorgaans gepaard met een verontwaardigde roep om méér straf, méér controle en méér regels, doet Marjan Olfers een stap terug. Het anti-dopingbeleid is ver afgedreven van de oorspronkelijke doelen, fundamentele rechtsregels staan buitenspel, aldus de jurist, sinds 2012 aan de VU verbonden als buitengewoon hoogleraar sport en recht, en daarnaast als bestuurslid betrokken bij de Europese kampioenschappen atletiek. "In het anti-dopingbeleid zijn we het spoor bijster. Dat meen ik echt."

De Wada, de World Anti-Doping Agency, in 1999 in het leven geroepen om paal en perk te stellen aan dopinggebruik, is haar een doorn in het oog. Via het opstellen van wereldwijd geldende regels en eenduidige sancties moest de organisatie zorgen voor een eerlijke en schone sport. Ideaal, zou je zeggen maar Olfers ziet het anders. Om te beginnen moet de Wada een stuk transparanter worden, vindt ze. En waarom mogen sporters zelf amper meepraten over wat wel en niet mag, terwijl ze wel op elke misstap genadeloos worden afgerekend?

Olfers: "Wada is een private organisatie die regels kan opstellen die gelden over de hele wereld, voor alle sporters. Dat is echt uniek. Ik ken geen organisatie die zo'n machtspositie heeft. Wada is een monopolist. Er is geen controle. En het bijzondere is dat de Nederlandse overheid, door de ondertekening van de UN Convention on Doping, zegt: we vinden het een prima systeem. Daarmee wordt er ook nog een soort goedkeurend publiek sausje overheen gegoten. Maar wie controleert Wada? Die vraag wordt niet meer gesteld."

Sport moet schoon en fair zijn, doping is ongezond en oneerlijk: het is een mantra, een ideologie geworden, constateert Olfers. "Zodra iets een ideologie wordt, vergeten we de achterliggende principes ter discussie te stellen. Topsport is misschien wel per definitie ongezond. En het is zeker oneerlijk, anders zou iedere wedstrijd eindigen in een gelijkspel. Ian Thorpe heeft schoenmaat 54 en ik zal het nooit redden als professioneel basketballer. Maar daarvan zeggen we dat het aangeboren is, dat het de genen zijn, dat we daar nu eenmaal niets aan kunnen doen. Maar ook dan ontstaat een grijs gebied. Wat als iemand meedoet met een afwijkend chromosomenpatroon en daarom mogelijk een voordeel heeft?"

Meldonium

Is dat een argument om doping te negeren? Maakt dat de strijd misschien niet nog oneerlijker? "Belangrijke vraag is wat de ratio is achter de middelen die door Wada op de dopinglijst worden gezet. Een zuurstoftent staat er niet op, middelen met soortgelijke effecten wel. Sommige producten mogen niet tijdens de wedstrijd, buiten het seizoen wel. Wada beslist: dit middel gaan we verbieden en legt onvoldoende uit waarom en waarom nu."

Een voorbeeld is meldonium, een medicijn dat enkele maanden geleden plotseling wereldfaam verwierf nadat de Russische tennisser Maria Sjarapova het gebruik ervan had opgebiecht. Vergeten nieuwe Wada-regels te lezen waarmee meldonium met ingang van 2016 werd verboden, was haar verklaring. Het zou, zoals dat heet, prestatiebevorderend werken.

Of dat inderdaad zo is, is zeer te betwijfelen, stelde Henk Kraaijenhof, voormalig trainer van atlete Nelli Cooman, eerder dit jaar in Trouw. Bij de toepassing van de anti-dopingregels doet dat er echter niet meer toe. Sjarapova werd gestraft met een schorsing van twee jaar. De vraag of afdoende bewezen is dat meldonium inderdaad tot kunstmatig voordeel leidt deed daarbij niet ter zake, zo valt in de uitspraak te lezen.

Olfers: "We zeggen: het is verboden omdat het verboden is, je hebt je er maar aan te houden. Maar we leven toch in een rechtsstaat? Als een sporter wordt uitgesloten, wil ik dat dit op goede gronden gebeurt. Dat ik het mensen kan uitleggen, zodat ze zeggen: natuurlijk, dat is terecht, dat is rechtvaardig. Maar Wada moest erkennen dat niet precies duidelijk is hoe lang meldonium in het lichaam blijft. Een sporter moet erop kunnen vertrouwen dat voldoende onderzoek ten grondslag ligt aan een verbod. En dat weten we eigenlijk niet. Er is gewoon nul transparantie."

Sporters zelf stellen amper vragen. Die hebben wel iets anders aan hun hoofd, is de ervaring van de hoogleraar. Het is eten, drinken, trainen, slapen en naar wedstrijden gaan. "Het is een leven met een hele nauwe focus. Vergeet niet dat het vaak ook nog heel jonge mensen zijn."

Als ze al bedenkingen hebben, is de drempel om die te uiten hoog. Voor je het weet ben je zelf verdacht. Zelfs de sporter die pleit voor 'streng, strenger, strengst' als het om doping gaat, is niet automatisch boven alle verdenking verheven. Iemand die zo hard roept, is soms de reactie, heeft misschien juist wel iets te verbergen.

Want eigenlijk worden topsporters altijd gewantrouwd. Wie eenmaal een bepaald niveau heeft bereikt en wil meedoen aan belangrijke wedstrijden moet het hele jaar dagelijks beschikbaar zijn voor een dopingtest. Hij of zij is verplicht lang van tevoren zijn of haar zogenaamde whereabouts door te geven; een tijdstip en plek waar een dopingcontroleur kan langskomen om een sporter een plas te laten doen of bloed af te nemen. "Ik vraag weleens aan mijn studenten: weet jij waar je over twee maanden bent? Natuurlijk niet."

Topsporters hebben amper privacy, stelt Olfers. "Een atleet zei eens: Als ik een leuke dame tegenkom die me uitnodigt voor een kopje koffie, moet ik eigenlijk meteen bedenken of ik mijn whereabouts moet aanpassen."

De meeste sporters geven doorgaans maar aan dat ze 's ochtends tussen zes en zeven beschikbaar zijn, omdat ze dan in bed liggen. "Maar stel, je hebt als sporter een homoseksuele relatie en dat ligt moeilijk in jouw land of in jouw familie. Probeer je al die situaties eens in te beelden waarvan het mogelijk onaangenaam is dat anderen weten waar je precies verblijft."

Datzelfde geldt voor allerlei medische gegevens die sporters verplicht zijn te verstrekken, bijvoorbeeld voor dispensatie. "Je bent bijvoorbeeld hiv-positief, of je hebt een depressie. Dat kan gevoelige informatie zijn, waarvan een sporter ook nog niet weet met hoeveel mensen die precies wordt gedeeld. Het lijken bijzondere voorbeelden, maar het zijn allemaal situaties waarover sporters hebben verteld."

Zeggenschap

Het is nogal wrang, vindt Olfers. Waar de sporter voortdurend wordt voorgehouden dat dit het offer is voor een schone en eerlijke sport, lijkt Wada zijn rol als ultieme hoeder van fair play nauwelijks te kunnen waarmaken. De klucht rond meldonium - inmiddels is het middel nog een beetje toegestaan tot 1 oktober -, schorsingen van laboratoria in verschillende delen van de wereld, onthullingen over georganiseerd dopinggebruik in Rusland: het roept de vraag op hoe het eigenlijk zit met die bestuurders. Hoe integer zijn zij?

Kan het anders? Of moeten we de strijd tegen doping maar opgeven, zoals ook door Henk Kraaijenhof in Trouw werd gesuggereerd.

Dat is Olfers een stap te ver. Daar is uiteindelijk de gezondheid van sporters niet mee gediend. Terug naar toestanden zoals in de voormalige DDR wil niemand. En dat sporters niet de concurrentie willen aangaan met bionische mensen, vindt ze ook begrijpelijk. Geef de sporter meer zeggenschap bij de totstandkoming van de regels en dwing Wada verantwoording af te leggen. "En laten we verder proberen rationeel te blijven".

Iets meer nuchterheid, graag. Ja, ook bij ons sportliefhebbers die zich zo graag vergapen aan veelal jonge, mooie, sterke, behendige en snelle mannen en vrouwen. "Topsporters zijn de helden van deze tijd. We zetten ze op een voetstuk én we willen ons met hen kunnen identificeren. Maar natuurlijk niet met iemand die vals heeft gespeeld. Dan ontstaat een enorme morele verontwaardiging. Dat is echt iets van de laatste decennia. Wie bekent of wordt betrapt, wordt afgebrand. Liefst willen we dan een publieke boetedoening, bij voorkeur op tv. Zo iemand moet heel, heel diep door het stof. Liefst moet hij dan ook nog zeggen dat hij de lessen die hij heeft geleerd gaat gebruiken om jongeren op te voeden. Dan willen we iemand wel weer een beetje in genade aannemen. Zelfs als een sporter ten onrechte blijkt te zijn beschuldigd, blijft er vaak iets hangen. Die tennisser, die sprinter, was daar niet iets mee? We zien de sporter als bron van verderf, maar niemand kijkt naar zichzelf: sportbonden niet, Wada niet, nationale dopingautoriteiten niet, maar het publiek ook niet."

Gemengde gevoelens

Vandaag beginnen in Amsterdam de EK atletiek. Russische atleten zullen er niet zijn, op middenafstandsloopster Julia Stepanova na, die vorig jaar onthullingen deed over geïnstitutionaliseerd dopinggebruik in haar land. De anderen zijn daardoor collectief geschorst, ook voor de komende Olympische Spelen. Hoewel die beslissing alom is toegejuicht ("eindelijk een voorbeeld gesteld") heeft Olfers gemengde gevoelens.

"Er wordt een collectieve straf uitgesproken. Dat doen we in het recht natuurlijk vaker, dat is ook niet altijd onterecht. Maar de sanctie moet een objectief doel dienen en noodzakelijk, geschikt en proportioneel zijn. Ik weet niet of dat zo is. Je zult maar een schone Russische sporter zijn."

Maar die kan toch zijn recht halen? Er is immers afgesproken dat atleten die kunnen aantonen buiten Rusland te trainen en door bonafide niet-Russische dopingautoriteiten te zijn gecontroleerd, wellicht toch mee mogen doen? "Dat is de theorie. We moeten nog zien hoe deze casus in de praktijk uitpakt". In het algemeen, constateert Olfers, is het voor een individuele sporter heel lastig zijn recht te halen. Hij moet naar Lausanne reizen, waar het Court of Arbitration for Sport (Cas) zit, een advocaat in de hand nemen. "Het kost veel tijd, energie en geld."

Er is grote behoefte aan sterke spelersvakbonden, besluit Olfers. Bij alle regelgeving die op atleten wordt losgelaten is de inbreng van de sporters zelf nihil. "Nu hebben vooral de grootverdienende sporters met een publiek profiel enige kans hun recht te halen".

Wie is Marjan Olfers?

Marjan Olfers (Haarlem, 1969) studeerde rechten en is sinds 2012 bijzonder hoogleraar Sport en Recht aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. In 2009 promoveerde zij op een studie over sport en mededingingsrecht. Van juli 2011 tot april 2012 was ze lid van de Raad van Commissarissen van Ajax. Eerder zat ze in een commissie die onderzoek deed naar de gang van zaken rond wielrenner Rasmussen. Nu doet zij onder meer onderzoek naar matchfixing en seksuele intimidatie in de sport.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden