Wie 'bezit' de identiteit van een school?

Onlangs heeft het kabinet besloten dat het begrip 'richting' geen rol meer zal spelen bij de stichting of opheffing van scholen. De overheid toetst niet langer of de levensbeschouwelijke grondslag van een nieuw te stichten school past in het erkende rijtje uit de jaren dertig. Bovendien moeten scholen gemakkelijker van identiteit kunnen veranderen. De auteur is lid van het hoofdbestuur van de vereniging Ons middelbaar onderwijs (Omo) en beleidsmedewerker van het secretariaat RKK.

Natuurlijk is het geen onzin na te denken over een betere afstemming tussen aanbod en vraag in de identiteit van scholen. De levensbeschouwelijke kaart van Nederland is de afgelopen dertig jaar flink veranderd. In het grondgebied van het bisdom Den Bosch bijvoorbeeld wordt de helft van de nieuwgeboren kinderen katholiek gedoopt terwijl drie kwart van de mensen daar rooms-katholiek is. Je kunt dus voorspellen dat er een overschot aan katholieke scholen in Midden- en Oost-Brabant komt, ook bij het open toelatingsbeleid van die scholen. Zelfs als ouders een opleiding van deze signatuur voor hun kinderen kiezen zonder een overeenkomstige kerkelijke keuze te maken, is dat het geval. Het kabinet zit dus niet achter een schijnprobleem aan.

De tot nu toe voorgestelde manier om van 'richting' te veranderen roept echter wel de vraag op wie eigenlijk het gezicht van een school bepaalt. Van wie is die identiteit? Van het bestuur? Van de schoolgemeenschap zelf, docenten en leerlingen? Van ouders? Het valt op dat deze vraag in de huidige politieke discussie alleen wordt gesteld vanuit het perspectief van de school. Een school 'heeft' een identiteit, zo denkt men. Alsof het een eigenschap is, zoals rood de kleur van een deur kan zijn. Verandering van identiteit is dan net zoiets als een opknapbeurt. Je schildert de deur gewoon paars.

Maar als identiteit al verwisselbaar is - op zich tegenstrijdig: identiteit doelt juist op het gelijkblijvende door de wisseling van de tijden heen - , waar komt zij dan vandaan? Het antwoord hierop wijst naar de levensbeschouwelijke gemeenschap: de moreel-religieuze en soms ook etnische groep, die een bepaalde praxis en een bepaald patroon van waarden en normen onderschrijft. En zo een bepaald gezicht op het leven voorstaat.

Vanuit het perspectief van zo'n gemeenschap wordt door de politiek de vraag naar de verandering van de schoolidentiteit niet gesteld. En dat is een wezenlijk manco. Maar ouders dan, kan men terugzeggen, die kunnen toch heel goed kenbaar maken wat ze levensbeschouwelijk voorstaan? Even wachten, zou ik repliceren; moeten we niet eerst goed onder ogen zien hoe het samenspel tussen school, ouders en levensbeschouwelijke gemeenschap zich voltrekt, precies waar het gaat om onderwijs?

Als het probleem van de identiteit van een opleiding beperkt bleef tot het samenspel van school en ouders, was er wel uit te komen volgens de richting waarin het kabinet zoekt. Men kan zich dan beperken tot een plaatselijk en momentaan onderonsje. Maar dat is te makkelijk en doet geen recht aan de levensbeschouwelijke gemeenschappen. Want zo'n gemeenschap is per definitie plaatselijk én boven-plaatselijk tegelijk. Zoals ze ook per definitie actueel is en zich eveneens verder uitstrekt dan het moment. Haar wortels liggen immers in een traditie en haar verantwoordelijkheid betreft ook de toekomst daarvan. Traditie is de gemeenschap door de tijden heen. En daarmee spreekt in het bepalen van de identiteit een factor mee die het plaatselijke en het momentane overstijgt. Ouders 'staan' daarin, evenals de school. Ze delen erin naarmate ze die traditie beamen. Alleen vanuit dit deelgenootschap dragen school en ouders verantwoordelijkheid voor de identiteit van een school. Alleen vanuit deze participatie, kritisch en beamend, hebben ze een stem in een eventuele verandering ervan. Maar ze kunnen er niet autonoom over beschikken. Identiteit is meer dan alleen iets van dit moment.

Wie identiteitsdiscussies heeft meegemaakt, weet hoezeer levensbeschouwelijke frustraties schuil kunnen gaan onder het geclaimde beschikkingsrecht en hoeveel invloed ze hebben op besluitvorming. En dat is op zijn minst kortzichtig. Want om het te zeggen met het recente Unesco-rapport over de koers van het onderwijs in de 21ste eeuw: elke school moet leerlingen leren weten, handelen, samenleven en leren zijn. Daarin gaat het niet alleen om introductie in de feitelijke, maar ook in de gewenste samenleving. Lea Dasberg gaat er terecht van uit dat deze twee niet samenvallen. Omdat onze gewenste samenleving er (deels) nog niet is, heeft onderwijs een normatieve dimensie in zich. Onderwijs gaat ook over idealen, dromen, wensen. En die vinden hun voeding in de verhalen en waarden van de levensbeschouwelijk-ethische gemeenschappen.

Natuurlijk is er nog een hele discussie te voeren tussen de vele gemeenschappen en hun waardenstelsels. De waarde van de verschillende kaders is niet om het even, zo schrijven de Nederlandse bisschoppen in hun recente brief over 'Katholiek onderwijs en de komende tijd'. Niet elk zingevend kader treft even diep wat waar en waardevol is. Niet elk is vrij van elementen die in geestelijk of ethisch opzicht voor discussie vatbaar of zelfs gevaarlijk zijn. Zij beschouwen dit als een belangrijke uitdaging en verantwoordelijkheid van ouders en scholen.

Afgezien daarvan is het allereerst beslist gewenst dat ook de stem van levensbeschouwelijke gemeenschappen meeklinkt in de wijze waarop identiteitsverandering van scholen tot stand gaat komen. Via de vraag wie daartoe bij machte is, staat wel degelijk een onderwijsinhoudelijk belang op het spel.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden