Wetenschappelijke fraude / Zwijgen over het gerommel

De rechtbank in Almelo doet morgen uitspraak tegen een neuroloog die wordt beschuldigd van wetenschappelijke fraude. Er zijn sterke aanwijzingen dat de neuroloog al sinds 1985 rommelde met onderzoeksgegevens. Maar niemand deed iets. Waarom zweeg iedereen?

De strafzaak tegen dokter G. uit Almelo is meer dan het verbijsterende verhaal van een sjoemelende neuroloog. De kwestie gaat dieper. Collega's en opdrachtgevers wisten al veel langer dat er iets niet in orde was. Maar ieder had zo zijn eigen redenen om G.'s handelwijze te negeren. Ze werden gedreven door eigenbelang, oordeelt het openbaar ministerie.

Precies hetzelfde gebeurde enkele jaren geleden in de zaak van een cardioloog uit Zevenaar die voor een wetenschappelijk onderzoek laboratoriumuitslagen bij elkaar had gefantaseerd. Het farmaceutisch bedrijf dat de studie liet uitvoeren, hield de zaak liever binnenskamers.

Er zijn aanwijzingen dat neuroloog G. bij nog drie andere wetenschappelijke onderzoeken gegevens vervalste. Dat bleek vorige week toen officier van justitie M. Verwiel voor de rechtbank in Almelo het verloop van de zaak schetste. Drie farmaceutische bedrijven besloten gegevens die door G. voor geneesmiddelstudies waren aangeleverd, niet te gebruiken omdat ze de informatie niet vertrouwden.

Het patroon van zijn wetenschappelijke wangedrag vertoonde telkens sterke overeenkomsten: G. gebruikte slechts de namen van zijn patiënten, de gegevens die hij over hen aan farmaceutische bedrijven doorgaf berustten volgens het OM op fantasie.

Het materiaal dat G. bij de pillenfabrikanten aanleverde was te mooi om waar te zijn. G.'s patiënten slikten trouw hun middelen, terwijl andere onderzoekers stuitten op normale percentages ontrouwe slikkers. G.'s patiënten ondervonden nooit bijwerkingen, terwijl die van de andere onderzoekers wel bijeffecten rapporteerden.

Het kón niet kloppen, wist Sandoz (tegenwoordig van Novartis Pharma) al in 1985. Sandoz besloot de informatie van de neuroloog niet in een medicijnstudie op te nemen. De arts kreeg wel keurig zijn honorarium. Daar bleef het bij: geen melding bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg, zoals voorgeschreven. En geen aangifte bij justitie.

Rond die tijd had ook fabrikant Bayer vragen over té gunstige resultaten die G. rapporteerde in een onderzoek naar een geneesmiddel. Dat wekte vooral verbazing, omdat de andere deelnemende artsen juist tot negatieve conclusies kwamen. Bayer deed geen nader onderzoek, maar bracht wel de inspectie op de hoogte.

In 1991 schrapte Glaxo (tegenwoordig GlaxoSmithKline) data die G. had aangeleverd, omdat de neuroloog volgens het OM had geknoeid met patiëntengegevens. Glaxo liet het bij een melding bij de inspectie en betaalde netjes G.'s declaraties uit.

Bij het onderzoek voor Boehringer Ingelsheim, waaraan G. van 1989 tot 1993 meewerkte, leek het materiaal dat G. aanleverde aanvankelijk perfect. Het bedrijf dacht van doen te hebben met een modelwetenschapper. De neuroloog waarschuwde het farmaceutisch bedrijf er nog voor dat er goed moest worden gelet op de betrouwbaarheid van de gegevens die de andere collega-neurologen rapporteerden.

Toen uiteindelijk bleek dat G.'s gegevens aan alle kanten rammelden, meldde Boehringer dit bij de inspectie, maar besloot van aangifte af te zien. Dat was niet in het belang van het bedrijf, meende destijds de medisch directeur.

De firma had omgerekend meer dan 300000 euro aan G. betaald. Boehringer was evenmin van plan het geld terug te vorderen, er was immers geen veroordeling voor fraude. ,,Een cirkelredenering'', aldus officier Verwiel. Want zonder aangifte zou er ook nooit een veroordeling komen.

Farmaceutische bedrijven investeren grote sommen geld in geneesmiddelonderzoek. Niet zelden gaat het om pseudo-wetenschappelijke studies waarbij het er eigenlijk alleen maar om gaat de naam van een nieuw middel er bij artsen in te hameren. Daarnaast worden er onderzoeken opgezet waarbij een farmaceutisch bedrijf hoopt aan te tonen dat een al langer bestaand middel ook heilzaam kan zijn voor een andere (dus: grotere) groep patiënten.

Dat laatste was het geval met het internationale onderzoek dat Boehringer op touw zette. Het ging om de vraag of een stof, dipyridamol, ook werkzaam zou kunnen zijn om een tweede beroerte te voorkomen bij patiënten die al een keer door een herseninfarct waren getroffen.

In 1992 rees er bij Boehringer argwaan over G.'s bijdrage aan het onderzoek. Spoedig bleek dat alleen al het enorme aantal patiënten (438) dat hij had opgegeven, niet kon kloppen. De neuroloog zou twee jaar lang geen dag vrij hebben gehad. Volgens zijn eigen rapportages zou hij zelfs op zaterdagen en zondagen patiënten hebben ontvangen, terwijl de polikliniek van het Almelose ziekenhuis in het weekeinde toch echt gesloten was.

Toen het onderzoek uiteindelijk in een medisch tijdschrift werd gepubliceerd, meldde Boehringer onderaan de tekst dat de gegevens van G. waren weggelaten omdat de betrouwbaarheid niet kon worden vastgesteld. Vanaf dat moment ging het balletje rollen. Er kwamen stukken in de krant. De Nederlandse Vereniging voor Neurologie, beducht voor de goede naam van de beroepsgroep, besloot tot een eigen onderzoek. De conclusie van deze commissie zou uiteindelijk openbaar worden gemaakt, zo was ook met G. afgesproken. Maar het liep anders. Het rapport bleef zorgvuldig geheim, volgens het OM door toedoen van G., die Jan en alleman met rechtszaken bedreigde.

Zowel G. als de neurologenclub weigerden de inspectie inzage. Ook de toenmalige directie van het Twenteborg Ziekenhuis in Almelo wees de volhardende gezondheidsinspecteurs de deur. Pas na anderhalf jaar soebatten mocht de inspectie het rapport inzien. Letterlijk inzien, de inspecteurs konden aantekeningen maken, kopiëren werd niet toegestaan.

Uit het rapport bleek dat patiënten die door G. in het onderzoek waren betrokken van niets wisten. Ze waren meestal ook maar één of twee keer bij hem op consult geweest, sommigen voor heel andere klachten dan beroertes.

G. beriep zich bij het onderzoek telkens op zijn beroepsgeheim, ook toen justitie tijdens een huiszoeking bij hem thuis exemplaren van het neurologenrapport in beslag nam. ,,De essentie van het beroepsgeheim is dat de patiënt er op moet kunnen vertrouwen dat zijn gegevens veilig zijn bij een arts. Het is niet de arts die dank zij het beroepsgeheim straffeloos gegevens van een patiënt kan misbruiken en iedere vorm van controle ver van zich zal kunnen houden'', aldus officier Verwiel.

Ze hekelde de houding van het Almelose ziekenhuis. ,,Commerciële belangen gaan boven het belang van de volksgezondheid en individuele patiëntenbelangen.'' Datzelfde geldt volgens haar voor de houding van de farmaceutische industrie. Verwiel wees er op dat fraude bij geneesmiddelenonderzoek ertoe kan leiden dat er aan patiënten middelen worden voorgeschreven die schadelijk voor hen zijn.

Het lijkt er op dat tegenwerking door de opdrachtgever van geneesmiddelenonderzoek en het ziekenhuis niet op zichzelf staat. Toen eind jaren negentig een cardioloog van het Streekziekenhuis in Zevenaar werd betrapt op fraude met patiëntengegevens, weigerde ook toen het benadeelde Novartis Pharma aangifte te doen. Het ziekenhuis, dat wel aangifte deed, wilde het OM geen gegevens beschikbaar stellen op grond van het medische beroepsgeheim.

In Nederland komen maar weinig gevallen van wetenschappelijke fraude bij geneesmiddelenonderzoek aan het licht. Er is ook nooit door de wetenschap zelf onderzoek naar gedaan. Bij een enquête (1992) onder 93 Nederlandse artsen meldden er 68 dat ze gevallen van bedrog kenden. Zes artsen zeiden dat zes voorbeelden hadden van plagiaat en vier van hen meldden gevallen van fraude.

,,In het algemeen zijn onderzoekers eerlijk, want ze worden op de vingers gekeken door hun collega's'', zegt oud-hoogleraar antropologie A. J. F. Köbben, die een boek schreef over de integriteit van de wetenschap. ,,Ze weten dat ze het gevaar lopen uit de kaste te worden gestoten als ze in de fout gaan.''

Köbben onderscheidt twee vormen van wetenschappelijk wangedrag: doodzonden en dagelijkse zonden. De doodzonde, fraude, knoeien uit hebzucht of om te stijgen op de wetenschappelijke ladder (neuroloog G. had grote wetenschappelijke ambities, hij wilde dolgraag hoogleraar worden), komt volgens Köbben niet veel voor. ,,De dagelijkse zonde is pas echt een probleem. Dat zijn de kleine vergrijpen tegen de eerlijkheid, een veel schadelijker bedreiging van de wetenschap. Voorbeelden? Het versluierd weergeven van uitkomsten die de opdrachtgever liever niet ziet, pijnlijke vragen niet stellen tijdens interviews voor een onderzoek, zover mogelijk meegaan met de opdrachtgever, naar wenselijke conclusies toeschrijven.'' De pakkans bij plagiaat is in Nederland niet veel groter dan de pakkans bij diefstal van een fiets, aldus Köbben.

De Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, de Vereniging van Universiteiten en de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen werken aan de vorming van een commissie, die wetenschappelijk wangedrag moet gaan bestrijden. Maar het op te richten Landelijke Orgaan Wetenschappelijke Integriteit richt zich vooral op het algemene wetenschappelijke onderzoek. Het geneesmiddelenonderzoek valt eigenlijk een beetje buiten de boot.

Of dat zorgelijk is valt te betwijfelen, zegt J.H.G. Jonkman, hoogleraar kwaliteitsmanagement van geneesmiddelenonderzoek in Groningen. ,,De fraude door G. speelde zich tien jaar geleden af. Er is sindsdien veel verbeterd. We hebben nu de Wet Medisch Wetenschappelijk Onderzoek en er is een internationale code voor geneesmiddelenonderzoek gekomen, Good Clinical Practice. De farmaceutische industrie kan zich tegenwoordig niet meer veroorloven om wetenschappelijk wangedrag niet hard aan te pakken.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden