WETEN WIJ MEER DAN SPINOZA?

Spinoza is de belangrijkste Nederlandse filosoof. De Ethica is zijn belangrijkste werk. Maar wie leest Spinoza? Wie leest de Ethica? “Ik was sceptisch toen ik aan de ontleding van het bewijs begon, dat moet ik toegeven. Ongeveer vijftien jaar heb ik als criminoloog de kost verdiend. Veel boeken heb ik gelezen en veel onderzoek heb ik gedaan. Van goed en kwaad begrijp ik nog veel minder dan toen ik begon. Dus: niets anders dan een aandoening van Blijheid of Droefheid? Kennis een aandoening? Voorzover wij ons daarvan (waarvan?) bewust zijn?”

Hoe zit het met kennis van de menselijke psyche en het sociale leven? Er zijn weinig psychologen of sociologen die over de vooruitgang van kennis op hun vakgebied een debat met notoire -ogenhaters als Komrij of Blokker durven aangaan. Dat komt omdat mensen en samenlevingen veel ingewikkelder in elkaar zitten dan een vliegtuig of een robot. De psyche en het sociale leven veranderen voortdurend in onontwarbare samenhang. Wat vandaag opgaat, is morgen onzin.

Daarbij komt dat de wetenschappelijke kennis over het functioneren van mensen invloed heeft op dat functioneren. Sociologische en psychologische kennis veroudert zodra ze verbreid wordt. Kennis van mensen en samenlevingen is daarom moeilijk, zo niet principieel onmogelijk in wetmatige uitspraken te vatten zonder in trivialiteiten te vervallen.

De appel valt niet ver van de boom bij voorbeeld. Die uitspraak heeft een enorme reikwijdte maar is tevens nietszeggend. Bovendien vallen heel veel menselijke appels juist wel ver van de boom en tegenwoordig veel vaker dan vroeger. Hoeveel, wanneer, waarom? Dat weten we niet. En als we het weten vallen ze misschien opeens weer opvallend vaak dichtbij de boom.

Toename van kennis in de sociale wetenschappen is moeilijk hard te maken en zal zelfs dan altijd omstreden blijven omdat velen tegen die kennis zijn of andere kennis willen. Toch werken ook uitspraken van vroegere geleerden over het psychische en sociale leven vaak op de lachspieren. Niet omdat ze wetenschappelijk weerlegd zijn en vervangen door juistere uitspraken, zoals veel oude natuurwetten, maar omdat de wrede tijd hun uitspraken gedateerd heeft. Ze geven hooguit een aardig beeld van de samenleving waarin ze gedaan werden.

Weten wij meer dan Spinoza? Die vraag kwam dwingend bij me op na lezing van zijn Ethica. Naar de maatstaven van de mensen die lang na hem leefden, is dit een prachtig, wijs boek. Maar het is zeer de vraag of Spinoza blij zou zijn geweest met dit oordeel. Hij wilde iets heel anders dan een prachtig, wijs boek schrijven. Hij wilde, en ik zal proberen mij niet ironisch uit te drukken, bewijzen dat wat hij allemaal dacht en voelde waar was. Niet alleen waar voor het handjevol mensen dat in zijn tijd lezen en schrijven kon, maar waar in absolute zin, voor eens en voor altijd, voor alles en iedereen. Spinoza meende dat er geen speld meer tussen te krijgen was. De Ethica bestaat uit gewapend beton.

Dat hij niet slechts wat overtuigingen aan de man wilde brengen, blijkt uit de structuur van zijn betoog, die wiskundig van vorm is. Eerst formuleerde hij definities van kernbegrippen, daarna poneerde hij enkele grondwaarheden (axioma's) waaraan zijns inziens dus niet te twijfelen viel en vervolgens gaf hij zijn zeventiende-eeuwse denkbeelden weer in de vorm van stellingen met bewijzen. Strak redenerend en met verwijzingen naar zijn axioma's, definities en eerdere stellingen kwam hij telkens tot de slotsom dat twijfel aan de stelling uitgesloten was: quod erat demonstrandum. Er was bewezen wat bewezen moest worden. Soms voegde hij er voor trage lezers een 'toegift' of 'opmerking' aan toe waarvan de formulering nogal eens wat ongeduld verraadt.

Het keurslijf van deze wiskundige betoogtrant begon natuurlijk gauw te knellen. Stelling 11 in het eerste deel ('God') over het noodwendige bestaan van God sluit hij af met een weinig wiskundige argumentatie: 'Hetgeen naar ik geloof, voor elk die maar even oplet, duidelijk zal zijn'. De waarheid is al wat menselijker geworden. Iedereen die een beetje oplet moet het wel met hem eens zijn. Het bewijs is verworden tot een polemisch trucje waarvan mensen zich bedienen als de argumenten te zwak worden. W. F. Hermans was daar altijd heel sterk in.

Onder God verstond Spinoza overigens niet een grijze, nukkige albestierder die, zoals in het prachtige verhaal Tramrace van F. B. Hotz de tijd even terugzet door met 'Zijn Oneindige Hand' een reusachtige handle over te halen in het 'Hemels Wachthuis'. Bij Spinoza is God het 'volstrekt oneindige wezen' of 'een substantie', bestaande uit een oneindig aantal 'attributen', waarvan ieder voor zich een eeuwig en oneindig wezen uitdrukt. Die ruime definitie van God maakt zijn metafysica in veel opzichten nog steeds overtuigend. Als hij zich bij God en de metafysica gehouden had, zouden zijn bewijsvoeringen niet lachwekkend pedant zijn geworden, maar dan had ook niemand Ethica een prachtig, wijs boek gevonden. Spinoza wilde meer. Via God en 'de aard en de oorsprong van de geest' belandde hij stug doorbewijzend bij de 'aard en oorsprong van de aandoeningen' en 'de menselijke knechtschap of de macht van aandoeningen'. Daar werd hij menselijk, al te menselijk. Hij krijgt iets weg van een doe-het-zelver die met zijn waterpomptang verbeten houvast blijft zoeken op de al lang rond gedraaide moeren.

Bij het bewijs van een stelling als - 'Wie zich voorstelt dat een geliefd wezen zich met even nauw of nog nauwere band van vriendschap aan een ander bindt, dan waarmee het aan ons-zelf verbonden was, zal jegens dit geliefde wezen haat gevoelen en die ander benijden' (stelling 35, derde deel: Over aard en oorsprong van de aandoeningen) - wordt het afsluitende Quod erat demonstrandum al komisch. Als het bewijs vervolgens vanuit een strikt mannelijk perspectief wordt uitgebreid met de zin: 'Welk geval zich het meest voordoet bij de liefde voor een vrouw. Want wie zich voorstelt dat de vrouw, die hij liefheeft, zich aan een ander overgeeft, wordt niet alleen bedroefd door het feit dat zijn eigen lust wordt belemmerd maar heeft ook een afkeer van haar, omdat hij gedwongen is het beeld van het geliefde wezen in verband te brengen met de schaamdelen en zaadafscheidingen van een ander', wordt de pretentie van eeuwige waarheid belachelijk. Hier is een man aan het woord met een beperkte, gedateerde opvatting over jaloezie, liefde en sexualiteit.

Naarmate het proza van Spinoza mooier wordt, gaat het met de kracht van zijn bewijzen bergafwaarts. Zij worden te cultureel bepaald. De koele wiskundige wordt steeds meer een warme man die het leven en de mensen om zich heen scherp observeerde en hun emoties en praatjes doorprikte. Vooral een man, want vrouwen hebben ook bij Spinoza de bekende positie van veredelde vrouwtjesdieren, waaruit weer eens blijkt dat sociale vooroordelen zich vaak ongehinderd ook toegang tot grote geesten verschaffen. Stellingen als 'zeer grote hoogmoed of diepe zelfverachting duiden op groot gemis aan zelfkennis' zijn goed voor een gezellig avondje met vrienden en een borrel. Het kan zijn, het kan niet zijn, het is maar hoe je er tegen aan wilt kijken, wat is zelfkennis, wat is hoogmoed, enzovoort, enzovoort. De uren vliegen voorbij, maar zulke stellingen lenen zich niet voor bewijsvoeringen die tot Quod erat demonstrandum moeten leiden. Popper zou zich in zijn graf omdraaien over zoveel onweerlegbaarheid in een uitspraak. Wij, en daar worden in onze tijd ook vrouwen mee bedoeld, weten wat dit betreft nu beter dan Spinoza. Quod erat demonstrandum.

Na dit bewijs, begon ik bloed te ruiken. Ik wilde nog meer bewijzen. Ik wilde bewijzen dat de hele bewijsvoering in de Ethica ook op strikt wiskundige gronden niet klopt. Daartoe heb ik onlangs een heel weekend besteed aan het narekenen van een van zijn stellingen over het volle leven. Die bezigheid leek veel op het opzetten van een stamboom van argumenten. In het bewijs werd ik verwezen naar axioma's, definities en eerdere stellingen met hun bewijzen. In de bewijzen van die eerdere stellingen stonden verwijzingen naar eerdere stellingen, waarin verwijzingen stonden naar, naar, naar, naar, repetent. Blaadjes en blaadjes schreef ik vol, want ik wilde het begrijpen, tot ik te vaak bij stellingen en bewijzen terecht kwam die ik al gehad had. Mijn voldoening was groot - de menselijke vreugde en ellende bleek gelukkig geen wiskundig systeem - maar mijn teleurstelling was zo mogelijk nog groter. Het hele bouwwerk klopte niet. Ik had het natuurlijk kunnen weten. Het feit dat hij bewijzen begon stop te zetten met zinnen als 'Ik ga thans echter voort met op te tekenen...' duidde er al op dat hij zelf ook niet meer wist hoe er een punt aan te draaien, maar zelfs een nihilist als ik aarzelt even voordat hij besluit een pareltje van de wereldfilosofie als mislukt af te doen.

Niemand gelooft mij natuurlijk. Maar het is echt zo! De stelling die mij een weekend en mijn onschuld kostte, luidt: “De kennis van goed en kwaad is niets anders dan een aandoening van Blijheid of Droefheid voorzover wij ons daarvan bewust zijn”. (stelling 8 van deel vier). Ik was sceptisch toen ik aan de ontleding van het bewijs begon, dat moet ik toegeven. Ongeveer vijftien jaar heb ik als criminoloog de kost verdiend. Veel boeken heb ik gelezen en veel onderzoek heb ik gedaan. Van goed en kwaad begrijp ik nog veel minder dan toen ik begon. Dus: niets anders dan een aandoening van Blijheid of Droefheid? Kennis een aandoening? Voorzover wij ons daarvan (waarvan?) bewust zijn?

Het bewijs ziet u, in het kader, in zijn geheel afgedrukt. Er valt ook zonder ontleding al veel op aan te merken. 'Goed' definieert Spinoza als 'dat, waarvan wij zeker weten dat het nuttig voor ons is'. In het bewijs wordt dat nuttig opeens in verband gebracht met 'het handhaven van ons bestaan'. Tien bladzijden eerder (voorrede, deel IV) verstaat hij onder 'goed' datgene, waarvan wij 'zeker weten' dat het een middel is om het 'ideaal van de menselijke aard, dat wij ons voor ogen stellen' te benaderen. 'Kwaad' is 'dat, waarvan wij zeker weten dat het ons belemmert iets goeds te bereiken of te verkrijgen'. (definities I en II, deel IV). De definities zijn wel erg utilistisch, plat, slordig, egoïstisch en goddeloos in een boek dat het noodwendige bestaan van God heeft aangetoond. De toon van de stelling staat ook tegen. Dat kennis van goed en kwaad 'niets anders' dan een aandoening van blijheid of droefheid mag zijn, wijst op gelijkhebberigheid. Nuances, aanvullende waarheden en tegenspraak worden bij voorbaat niet geduld.

Maar mij gaat het hier om de bewijsvoering en de verwijzingen in de bewijsvoering. De eerste verwijzing betreft Stelling 7 in Deel III: “Het streven, waarmee elk ding in zijn bestaan tracht te volharden is niets anders dan het werkelijk wezen van dit ding zelf”. In het bewijs van deze mooie, maar hachelijke stelling (die overigens maar zeer indirect de bewering in onze stelling 8 uit deel IV ondersteunt) verwijst hij naar de stellingen 29 en 36 in deel I. In de bewijzen van die stellingen verwijst hij achtereenvolgens naar de stellingen 15, 11, 16, 21, 27, 24, 26, 26, 27, 14, 17, 25, 34, 16. In de bewijzen van die stellingen verwijst hij naar de stellingen 14, 6, 8, 14, 12, 13, 13, 8, 5, 12, 14, 7, 7, 2, 7, 6, 11, 11, 11, 20, 14, 25, 16, 11, 5, 10, 16, 15, 11, 14, 16, 16, 16, 15, 16, 15, 11 en 16, naar de axioma's I, VII, I, III, I en IV en naar de definities III, V, VI, VI, II, I, VI, VI, VII en V.

Met deze opsomming, dat is nu al duidelijk, kan ik eindeloos doorgaan. Eigenlijk voert Spinoza bij elke stelling zijn hele boek als bewijs op. Oneerbiedig gezegd komt zijn wiskundig bewezen systeem neer op: het is zo omdat ik het zeg. Ik denk dat een computer, en Spinoza wist duidelijk niet wat een computer was, van de eindeloze reeks verwijzingen op tilt zal slaan. En nu zijn we nog maar bij de eerste verwijzing in het bewijs van de stelling over goed en kwaad! De verdere bewijsvoering draait in zichzelf rond en rond en rond als een stuurloos bootje op de oceaan van het Spinoziaanse weten. De bewijsvoering in de Ethica is een repeterende breuk, lijdt aan een complexe variant van het Droste-effect, is circulair, tautologisch en nog heel veel meer, behalve onomstotelijk waar.

Hiermee is overigens niet gezegd dat Spinoza onzin verkocht. Natuurlijk heeft onze kennis van goed en kwaad te maken met gevoel. Schuld, berouw, spijt, vergeldingsdrang, wraakzucht, al die eeuwenoude gevoelens bevestigen dit. De hamvraag blijft waar die gevoelens op berusten. Op bovennatuurlijke geboden, op de overlevingsdrang van groepen of samenlevingen, op angst voor onszelf, op de belangen van de machtigen? Ik weet het niet. Maar ik weet wel dat Spinoza het ook ook niet wist en ons zand in de ogen heeft gestrooid met wiskundig geformuleerde schijnzekerheden. Ik heb dat al lang verwerkt. Ik vind het niet erg dat onze kennis van goed en kwaad meer is en iets anders dan een aandoening van Blijheid of Droefheid. Kennis over de kern van het menselijk leven is geen zaak van de wiskunde, zoals de buitengewoon brede maatschappelijke discussie in de media over de slechte/goede dood van de slechte/goede Van Damme weer eens overtuigend heeft laten zien. Je kunt niet uitrekenen of iemand slecht is. Quod erat demonstrandum.

Toegift: Iedereen die maar even nadenkt, ziet onmiddellijk dat ik gelijk heb.

Opmerking: Misschien schreef ook Shakespeare niets anders dan platte draken in eigentijdse poëtische taal en dankt hij de eeuwenlange waardering voor zijn volkse wijsheden aan het Van Oekel-effect. Misschien zou Shakespeare hedentendage Shakespeare niet eens begrijpen. Het kan allemaal als Spinoza's Ethica niet klopt.

Stelling 8.De kennis van goed en kwaad is niets anders dan een aandoening van Blijheid of Droefheid voorzover wij ons daarvan bewust zijn. Bewijs Wij noemen (vlg. Definities I en II v.d. D.) goed of kwaad, wat ons bij het handhaven van ons bestaan van nut is of in de weg staat, d.w.z.(vlg. St. 7 D. III) wat ons vermogen tot handelen vermeerdert of vermindert, bevordert of belemmert. Voorzover wij dus (vlg. de Definities van Blijheid en Droefheid, zie Opmerking St. 11 D. III) waarnemen, dat een of andere zaak ons Blijheid of Droefheid schenkt, noemen wij haar goed of kwaad, zodat de kennis van goed of kwaad dus niets anders is dan die voorstelling van Blijheid of Droefheid, die (vlg. St. 22 D. II) noodzakelijk op de aandoening van Blijheid of Droefheid volgt. Doch deze voorstelling is (vlg. St. 21 D. II) op dezelfde wijze verenigd met die aandoening als de Geest met het Lichaam, d.w.z. (gelijk in de Opmerking bij diezelfde stelling werd aangetoond) , deze voorstelling is van die aandoening zelf, of (vlg. Alg. Def. van de Aand.) van de voorstelling van deze inwerking op het Lichaam, inderdaad niet anders onderscheiden dan alleen in onze opvatting. Derhalve is deze kennis van goed en kwaad niets anders dan de aandoening zelf, voorzover wij er ons van bewust zijn. H.t.b.w.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden