Wet geeft ruimte voor dwangvoeding Volkert

Wie in de gevangenis zit, kan onder dwang voeding toegediend krijgen. Maar als de hongerstakende Volkert van der G. in coma raakt, biedt de Nederlandse wetgeving geen uitkomst. Internationale regels verhinderen niet dat een arts dan toch ingrijpt.

De hongerstaking van Volkert van der G., de verdachte van de moord op Pim Fortuyn, is de vierde week ingegaan. Hij protesteert daarmee tegen zijn detentieregime, waaronder het permanente toezicht met behulp van camera's in zijn cel. Hij wil een wilsverklaring tekenen waarin expliciet staat dat hij geen dwangvoeding toegediend wil krijgen als hij door zijn hongerstaking in coma raakt.

De vraag is hoe kansrijk deze actie is. Deskundigen verschillen van mening of zo'n wilsverklaring gedwongen infuusvoeding zal kunnen voorkomen. Strafrechtdeskundigen achten de kansen gering. Maar gezondheidsjuristen (het aanbrengen van een infuus is immers een medische verrichting) stellen dat er enkel bij twijfel aan Van der G.'s vermogen tot zelfbeschikking redenen kunnen zijn om diens dood door middel van dwangvoeding te voorkomen.

De verschillen van mening ontstaan omdat de Nederlandse wetgeving in kwesties als deze niet echt duidelijkheid verschaft. In normale behandelingsrelaties is voor geneeskundige verrichtingen steeds de toestemming van de patiënt vereist. Is deze zestien jaar of ouder en niet in staat tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, dan volgt de hulpverlener de 'kennelijke opvattingen' van de patiënt op. Dat is de mening van de patiënt die deze eerder op schrift heeft vastgelegd.

De wet waarin dit is bepaald, de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (Wgbo), is niet alleen op normale behandelingsrelaties van toepassing, maar in beginsel ook op zogenaamde 'buitencontractuele situaties'. In zo'n situatie zijn de bepalingen van de Wgbo echter weer niet van toepassing als er een bijzondere wet voorhanden is.

Dat is het geval bij Volkert van der G. Hij zit in voorlopige hechtenis. Daarmee is hij een gedetineerde in de zin van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw). In artikel 32 van deze wet is bepaald dat de directeur van een penitentiaire inrichting een gedetineerde kan verplichten te gedogen dat ten aanzien van hem een bepaalde geneeskundige handeling wordt verricht. Dat is het geval als die handeling naar het oordeel van een arts noodzakelijk is om ernstig gevaar voor de gezondheid of de veiligheid van de gedetineerde of van anderen af te wenden. Over gedwongen medische behandeling staan nadere regels in de Penitentiaire maatregel. Daarin is onder meer bepaald dat slechts tot toepassing mag worden overgegaan indien het gevaar niet op een andere wijze kan worden afgewend.

Met andere woorden, indien deze wettelijke voorwaarden op dit moment zijn vervuld, dan zou de directeur van de inrichting waarin Van der G. verblijft, deze nu reeds kunnen verplichten infuusvoeding te gedogen. Het probleem is evenwel dat de genoemde bepaling van de Penitentiaire beginselenwet niet toeziet op comateuzen. Immers, slechts mensen die bij bewustzijn zijn, kunnen worden verplicht tot het gedogen van iets. De vraag is dan welk recht van toepassing is op comateuze gedetineerden. Is dat toch de Penitentiaire beginselenwet? Kunnen we die breder toepassen met als argument dat het bewustzijnsniveau van de betrokken gedetineerde er niet toe doet? Het doel van de gedwongen medische handeling is immers het afwenden van ernstig gevaar voor diens gezondheid of veiligheid en dat gevaar kan zich ook voordoen wanneer de gedetineerde in coma is. Of stellen we ons op het standpunt dat in het strafrecht in het algemeen en in het penitentiaire recht in het bijzonder geen bevoegdheden mogen worden aangenomen wanneer daarvoor een wettelijke grondslag ontbreekt. De Penitentiaire beginselenwet zegt niets over wat een inrichtingsdirecteur mag ten aanzien van comateuze gedetineerden, en dus is niet de bijzondere wet van toepassing, maar de algemene, de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (Wgbo).

In dat geval zijn de Wgbo-bepalingen inzake de toestemming voor medisch handelen, wilsonbekwaamheid en wilsverklaringen van toepassing. En volgens die wet hebben patiënten nu eenmaal het recht om medische behandeling te weigeren, ook als dat de dood tot gevolg heeft.

De Nederlandse wetgeving biedt dus geen uitkomst, maar het internationale recht zeer waarschijnlijk wel. Volkert van der G. protesteert tegen zijn detentieregime. Hij voert aan dat er schending plaatsvindt van zijn grondrechten, zoals die zijn neergelegd in de verschillende mensenrechtenverdragen. Waarschijnlijk moet daarbij gedacht worden aan het verbod op onmenselijke behandeling van artikel 3 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en het recht op privacy, zoals dat wordt gewaarborgd door artikel 8 van datzelfde verdrag.

Echter, maatregelen die strekken tot bescherming van leven en gezondheid worden niet snel aangemerkt als schendingen van deze grondrechten. Onlangs nog heeft het Europees Hof te Straatsburg dit bevestigd in de zaak Pretty.

In dit arrest oordeelden de rechters dat het (Britse) verbod op hulp bij zelfdoding geen schending oplevert van het recht op privacy. Ook de handhaving van dat verbod was in de ogen van het hof niet in strijd met het verbod op onmenselijke behandeling.

In de zaak-Pretty ging het om een terminaal zieke patiënte die vanwege het uitzicht op een zeer pijnlijk levenseinde de zachte dood zocht. Zij wilde werkelijk sterven, Volkert van der G. zoekt de verwijdering van camera's. Bij de laatste zal een levensbeschermende maatregel als gedwongen infuusvoeding dus zeker geen schending van de mensenrechten opleveren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden