Werkloze acteurs de dupe van neoliberale tijdgeest

Theatergezelschappen centreren zich meer en meer rond een vaste kern, bestaande uit een artistiek en zakelijk directeur, een pr-afdeling, dramaturgen en een selecte groep regisseurs en theatermakers. Acteurs zijn op de achtergrond geraakt, evenals het idee dat het onderhouden van een vast acteursensemble cruciaal is voor de binding van publiek aan je theatergezelschap. Trouw maakte op 13 september melding van een dalend aantal vaste aanstellingen voor toneelspelers en een daling van werkgelegenheid voor acteurs überhaupt.

Ellen Walraven, artistiek leider van het nieuwe Theater Rotterdam, legt in genoemd artikel uit dat regisseurs en theatermakers steeds vaker kiezen voor een interdisciplinaire aanpak, waarin wordt samengewerkt met bijvoorbeeld amateurs, vrijwilligers of zangkoren. "Dat is de ontwikkeling die je nu overal in Nederland ziet", stelt Walraven en het effect is volgens haar dat er een andere opvatting ontstaat over wat een acteur is. De positie van acteurs wordt op deze manier volledig afhankelijk gemaakt van de arbitraire wil van regisseurs en theatermakers. Dit roept de vraag op in hoeverre kunstinstellingen verantwoordelijk zijn voor de positie van toneelspelers in de traditionele zin van het woord.

Opportunisme

Uiteraard is het volkomen legitiem dat Walraven haar nadruk wil leggen op theatermakers die zoeken naar nieuwe vormen van theater en samenwerking. Maar haar keuze om geen acteurs in dienst te nemen, wordt mijns inziens evengoed genomen uit opportunisme. Het ontslaat haar van langdurige financiële en artistieke verplichtingen jegens acteurs. Toneelspelers worden in deze manier van denken niet langer gezien als een wezenlijk onderdeel van een gezelschap, maar gereduceerd tot een kostenpost die het gezelschap tot last is wanneer een theatermaker besluit niet met acteurs te willen werken. Het neoliberale denken rukt op, ook binnen de kunstinstellingen.

Dit is nauw verbonden met een andere tendens die overal in Nederland te zien is: acteurs worden steeds vaker behandeld als sluitpost van de begroting. Ondanks de financiële tekorten die door de kunstbezuinigingen zijn ontstaan, willen kunstinstellingen hun productieniveau op peil houden. En om de kosten van die productie zo laag mogelijk te houden wordt aan acteurs gevraagd hetzelfde werk - het repeteren en spelen van voorstellingen - in kortere tijd en voor minder geld te doen. Gecombineerd met de zwakke onderhandelingspositie van beginnende spelers en acteurs die bij het grote publiek minder bekend zijn - voor jou tien anderen - leidt dit tot situaties die grenzen aan uitbuiting en marginalisering van de inkomenspositie van toneelspelers. De cao theater is voor veel acteurs een waardeloos vod geworden.

Het is de kunstinstellingen niet aan te rekenen dat zij willen produceren; wel dat de keuze tussen goed werkgeverschap en productie steeds uitpakt ten voordele van het laatste. Dit is in mijn ogen extra schrijnend omdat de theatersector er een is waar aan de voorkant, in voorstellingen en debatten, mooie sier wordt gemaakt met een kritische houding ten aanzien van instrumentalisme en de neoliberale tijdgeest. Dezelfde tijdgeest die aan de achterkant in praktijk wordt gebracht. Uit noodzaak om te overleven is zo een nogal schrijnende situatie ontstaan.

Hieruit zijn twee ontsnappingsmogelijkheden: meer geld om acteurs fatsoenlijk te betalen. En, in de keuze tussen productie en goed werkgeverschap vaker kiezen voor goed werkgeverschap. En als publiek en/of politiek daarover gaan klagen, dan dient die keuze helder en met vuur te worden verdedigd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden