Werk maakt een stad gewild, meer dan wonen

Stedelijke lange-termijnplannen gaan te veel uit van mythen, laten economen Martijn Burger en Frank van Oort zien.

Martijn Burger

Universitair Docent industriële en regionale economie, Erasmus Universiteit Rotterdam

Frank van Oort

Hoogleraar stedelijke economie, Universiteit Utrecht

Onze economie, onze welvaart, ons welzijn en onze kwaliteit van leven organiseren we in stedelijke regio's met goede voorzieningen die bedrijven en consumenten uit binnen- en buitenland op hun plek doen zijn. Maar van Maastricht tot Den Helder en van Delfzijl tot Sas van Gent schort het nogal aan grootstedelijkheid en economische massa. Hoe nu verder?

De uitdaging

Sinds 2008 woont meer dan de helft van de wereldbevolking in steden. Om de kracht van steden te begrijpen moeten we die niet zozeer zien als plaatsen, maar veel meer als systemen van netwerken van mensen, bedrijven, talent, informatie, sociale contacten en culturen. De stad biedt mensen de meeste economische kansen, naast lering en vermaak. En de stad verlaagt zoekkosten van bedrijven die op zoek zijn naar passende arbeid, naar kennis en informatie, naar toeleveranciers en afnemers.

Hoewel niet alle steden groeien en niet iedere bevolkingsgroep en bedrijfstak in steden profiteert van de dichtheid in kansen, spreken we in navolging van de Amerikaanse stedelijk econoom Edward Glaeser toch over 'de triomf van de stad'. In deze stedelijke realiteit zijn economische massa, kenniseconomie en netwerkvorming vereisten voor een goede concurrentiepositie.

De mythen

Als de huidige wetenschappelijke kennis te liberaal en voorvarend worden geïnterpreteerd, dan blijven ontwikkelingsvisies van welhaast mythische proporties niet uit. Zo wil iedere stad tegenwoordig een campus, valley of ander hoogwaardig cluster van economische activiteiten die bijdraagt aan de internationale concurrentiepositie. Hierbij wordt vaak getracht succesformules uit binnen- en buitenland te kopiëren, met een wildgroei aan leegstaande bedrijvenparken als gevolg. Niet alle steden hebben het vermogen specifieke activiteiten te herbergen. Er is dan ook geen lokaal beleid te formuleren dat altijd en overal goed uitpakt. Steden moeten vooral uitgaan van hun eigen kracht en dan kijken wat voor activiteiten daarbij passen.

Om (hoogopgeleide) inwoners te trekken, zijn lokale overheden hard bezig met het verlevendigen van de binnenstad. Oude stadswijken worden opgewaardeerd, er komen voorzieningen en evenementen. De consumptiestad is geboren. Het idee is hier dat de koopkracht van deze hoogopgeleide inwoners werkgelegenheid voor lageropgeleiden genereert. Bovendien biedt de consumptiestad plekken voor hogeropgeleiden om kennis en informatie uit te wisselen.

Maar om gewild te zijn moet een stad vooral veel aantrekkelijke banen bieden in sectoren waarin kenniswerkers gedijen. Als dat ontbreekt, heeft het geen zin te werken aan verdere ontwikkeling. De vraag 'volgt wonen werken of werken wonen' lijkt te snel in het nadeel van het eerste te worden beantwoord, met forse beleidsconsequenties, zoals investeringen in hoogwaardige woningen en voorzieningen waar een verbeterde economische structuur een groter vereiste is.

Het gebrek aan agglomeratiekracht en economische massa, zo belangrijk voor het creëren en in stand houden van metropolitane functies, kan volgens beleidsmakers opgelost worden door omvang van elkaar te lenen. Een verzameling middelgrote steden functioneert in die visie, mits goed verbonden, als één grote stad.

Stedelijke netwerken, zoals de Randstad en Brabantstad, wordt al langer zo'n meerwaarde toegedicht. Maar wie leent dan welke functies en metropolitane omvang van wie? En wat wil het bedrijfsleven van de één daadwerkelijk gebruiken van de ander? De genoemde stedelijke economieën zijn eerder concurrerend dan complementair. En het schort nogal eens aan de bestuurlijke wil tot samenwerking.

De oplossing

Stedelijke hoogwaardige werkgelegenheid is dus, nog veel meer dan woonmilieus en voorzieningen in de consumptiestad, troef voor de Nederlandse economie in de 21ste eeuw. Voor lokale concurrentiekracht is het palet van locatiefactoren te divers om er gericht en eenduidig beleid op te voeren. En tussen droom en daad van netwerkvorming en economische complementariteit tussen steden staan blijkbaar wetten en bestuurlijke bezwaren. Zijn met een kleine stedelijke massa en geen geld voor verdichting en uitbreiding de kansen voor vernieuwing en ontwikkeling van onze steden verkeken?

De oplossing ligt wellicht veel meer in het vernieuwingsvermogen van het bedrijfsleven in steden. De economische specialisaties van onze steden brengen met zich mee dat er veel hoogopgeleide werknemers samenkomen. Vanuit die bestaande sterktes - zoals hightech systemen en materialen in Eindhoven, chemie in Rotterdam en Arnhem, life sciences and health in Leiden, Utrecht en Twente, agri en food in Wageningen, en de zakelijke dienstverlening in Amsterdam en Utrecht - is het zaak om de lokale economie verder te diversifiëren. Welke kruisbestuivingen met andere sectoren zijn mogelijk - sectoren die nu nog klein zijn in de regio maar eenzelfde kennisbasis hebben als de bestaande sterke sectoren? Kennis die vooral zit opgesloten in de werknemers en onderzoekers bij bedrijven en kennisinstellingen, maar wel mobiel is. Vernieuwing en innovatie ontstaan vaak op het kruisvlak van gerelateerde, maar net andere technologie, expertise en toepassing.

De hoogwaardige arbeidsmarkt met de daaraan verbonden werkgelegenheid is de belangrijkste bron voor het toekomstige verdienvermogen en het welzijn van onze stedelijke samenleving. De door lokale bestuurders overwegend gebruikte beleidsinstrumenten van het bieden van ruimte, vastgoed, woningen, voorzieningen en infrastructuur zijn slechts noodzakelijke voorwaarden voor stedelijke ontwikkeling.

Cruciaal zijn veel meer een hoogwaardige arbeidsmarkt, valorisatie tussen kennisinstellingen en bedrijven, en het aanbod van opleidingen dat lokaal aansluit bij de vraag.

Lokale beleidsmakers hebben hier beduidend minder kaas van gegeten; de sturing zit vooral bij bedrijven en kennisinstellingen en hun (inter)nationale netwerken. Het wordt tijd dat bestuurders en beleidsmakers dit gaan onderkennen.

Dit is de tweede aflevering van de vierdelige serie 'Later in Nederland'. Komende zaterdag: Zef Hemel over grootstedelijk wonen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden