Interview

Wereldkampioen Kirsten Wild fietst alleen voor haar eigen herinneringen

Kirtsen Wild Beeld Patrick Post

Drie keer werd Kirsten Wild in maart wereldkampioen in eigen land. Vooraf twijfelde ze nog of ze wel vrienden en familie moest uitnodigen om te komen kijken.

Eigenlijk vindt Kirsten Wild (36) reizen het allerlekkerste van haar vak. In de trein of in het vliegtuig is er ­gewoon helemaal niets te doen. En dat is waanzinnig ontspannend. Ze heeft nog een voordeel: bijna niemand kent haar. En toch is de baanwielrenster sinds afgelopen maart drievoudig wereldkampioen. In Apeldoorn won ze de scratch, het omnium en de puntenkoers.

Een prestatie die haar bekendheid vooral in ‘het wereldje’ heeft vergroot, vertelt ze op Schiphol, vlak voordat ze het vliegtuig neemt naar Londen. Terwijl Wild toch al jaren meedoet. Bij de eerste wereldbekerwedstrijd van dit jaar, in oktober in Frankrijk, draaiden meer hoofden mee als ze voorbij liep. Die mensen zagen opeens een regenboogtrui voorbij komen. Wild, dus. “Dat vond ik gek. Ken je me ­eigenlijk wel, dacht ik.” Aandacht hoort erbij als je de beste van de ­wereld bent. Maar eigenlijk wil ze zo normaal mogelijk blijven.

Doet het wat met je als je leest dat je de koningin van het wereldkampioenschap in Apeldoorn was?

“In het begin vond ik het ongemakkelijk. Er zijn wel meer renners goed, dacht ik. Ik ben ook niet zo ­publiek als bijvoorbeeld Peter Sagan, helemaal niet. Bekendheid hoort bij het vak, maar ik vind het ­belangrijk om ook een fijn leven te hebben. Dat heb ik wel.”

Hoe is dat, drie keer wereldkampioen worden?

“Dat gevoel omschrijven is heel moeilijk. Volgens mij zei ik in het ­interview voor de televisie na afloop honderd keer ‘supercool’, maar dat vond ik ook echt. Niet cool, supercool! Alles viel samen. Het was in Nederland, er zaten vrienden op de tribune. Ik wist niet of ik kaartjes zou uitdelen. Misschien bakte ik er wel helemaal niks van, en dan zaten ze daar maar. Uiteindelijk heb ik kaartjes gekocht. Iedereen zat er. Dat was wel erg bijzonder.”

Die zin is in een notendop hoe Kirsten Wild denkt. Ondanks haar lange carrière met veel hoogtepunten en ereplaatsen (wereldkampioen scratch in 2015, zes keer Europees kampioen, zilver op de WK wielrennen op de weg in 2016) hoort bij winnen nog altijd het woord twijfelen. Zenuwachtig zijn. De avond voor een race leest ze vaak meerdere keren dezelfde pagina van haar boek. Het liefst heeft ze een eigen ­kamer om lekker te rommelen. Pakt ze haar tas in, wetende dat ze die ­de ochtend voor de race zeker nog een keer overhoop haalt. En ze heeft voor een wedstrijd gek genoeg altijd een zere keel.

Fanatisme

Aan de andere kant is er het ­fanatisme. Zelfs op vakantie, waar Wild en haar vriend Bas twee spelletjes doen: Rummikub en tafeltennis. Rummikub wint Wild ‘altijd’. Bij tafeltennis kan ze niet ‘zomaar een beetje slaan’. Dan moeten er wel punten bij komen. “Ik ben altijd competitief. Ik ga ook niet zomaar zwemmen. Dan gaat het om wie het hoogste bommetje kan, of wie van de hoogste duikplank durft.”

“Ik ben dol op cijfertjes. Er bestaat een logboek waarin ik ­alles ­bijhoud. Welke versnelling ik heb ­gereden, hoeveel vermogen ik heb geleverd. Op de middelbare school schreef ik alles in agendaatjes. Nu staat alles in een Excel-­bestand. Dat is altijd hetzelfde ­bestand ­gebleven, nu met heel veel tabbladen.

“Er zit een wattagemeter op mijn fiets. Als die het niet doet tijdens een training, vind ik echt dat ik voor niets heb getraind. En als ik op een training zoveel wattage moet halen, dan zal ik een sprintje doen als ik daar net onder zit. Dat is ook het ­fanatisme.

“Ik vind de fijnste periode zo’n anderhalve maand voor een toernooi. Dat je supergoed in vorm bent, dat je ook heel hard mag trainen en heel erg moe mag worden. Daarna ga ik aan heel veel dingen twijfelen. Dat laatste stukje richting een wedstrijd is niet per se het leukst.”

Hoe komt het dat je opeens bent gaan winnen?

“Ik was altijd al goed, hoor. Ik reed ­altijd wel stabiel top-5. Maar ik denk dat het ook wel een trucje is dat Peter Schep, de laatste jaren mijn coach, en ik nu beheersen. Vroeger ging ik elke sprint vol aan. Tot Peter eens zei dat ik iets minder snel moest sprinten, zodat ik daarna mee kon zitten in een ontsnapping. Toen won ik opeens. Dus zo moet het! Het klinkt simpel, maar ik moest er wel op worden ­gewezen.”

Je viel ook zeven kilo af.

“Ja, dat is op een aparte manier ontstaan. Ik zag een foto van mezelf en vond het een erg slechte hoek. Toen keek ik verder en het bleek dat elke foto zo was. Dat vond ik echt niet fijn. Met de WK in Apeldoorn wilde ik wel dat ik trots kon zijn op foto’s die gemaakt zouden worden.

“Dus kwam het briefje in de koektrommel, met daarop het getal hoeveel er nog in zaten. Een streepje op de vla, om aan te geven hoe vol die nog zat. En Bas zette weleens de hagelslag weg. Dan voel je je wel ­betrapt. Dat gevoel, dat betrapte ­gevoel, is eigenlijk al genoeg.”

Hoe zijn de foto’s nu?

“Wel oké. Eten of niet eten is het moeilijkste aan de sport. Ik ben altijd met gewicht aan het struggelen. Ik kan alles, maar dat niet, dacht ik. Erg hè? Gelukkig is het nu wel gelukt.”

En op vakantie?

“Eigenlijk wil je op vakantie niet met gewicht bezig zijn, maar in je hoofd is het zo verknipt dat je het niet zomaar kan loslaten. Je kan niet die chocomel met slagroom én ­appeltaart nemen. De appeltaart oké, maar wel met thee.”

Is dat verknipt zijn?

“Nee, ook weer niet. Het is heel ­bewust zijn. Mijn regel is dat zelfgemaakte appeltaart altijd mag. Maar een slagroomtaart op een feestje? Daar denk ik even over na. Wil ik dit nu echt, of willen mensen dat ik dit neem?”

Annemiek van Vleuten gaat expres op haar tijdritfiets trainen zodat ze in de regenboogtrui kan rijden. Ben jij ook zo?

“Ha, ik ben niet zoals Annemiek. Die vroeg toen ze me zag meteen of ik al in de trui had geslapen. Maar die lag nog in plastic in mijn tas. Toen ik in 2015 wereldkampioen werd, trainde ik gewoon in oranje.

Dan was ik bang dat ik anderen de indruk gaf dat ik heel goed was. Kijk mij eens, dat idee. Maar zo ben ik niet.”

Mag je dan niet genieten?

“Ik fiets niet vanwege het ‘zie mij eens’. Ik ben heel trots op de wereldtitels, maar dat gevoel moet ik niet uit anderen halen. Het gaat om mijn eigen herinnering. Ik heb niet het gevoel dat ik hele kamer vol moet hangen met regenboogtruien of fietsen. Maar áls ik die trui aan heb, is dat natuurlijk heel cool.

“Weet je, het voelt stom om te zeggen, maar in Apeldoorn had ik echt bijna een onoverwinnelijk ­gevoel. Daar kan je nonchalant van worden. Je moet blijven denken: ik moet de beste worden. Als je denkt dat je het al bent, word je lui.”

Kan je dan niet minder goed genieten van overwinningen?

“Toen ik in 2015 wereldkampioen werd op de scratch, had ik echt een ‘maar-gevoel’. Het was ‘maar’ de scratch. Alsof het niet echt was, ­omdat het geen olympisch onderdeel was. Nu heb ik dat wel. Het ­omnium, ik ben olympisch bevestigd, haha.

“Peter zei ooit: ‘Als je wereldkampioen wordt, wat ga je dan doen?’ Eh, hetzelfde als normaal, dacht ik. Hij spoorde me aan iets als herinnering te kopen. Na mijn kampioenschap in 2015 hebben Bas en ik dan ook een mooi horloge gekocht.”

Wat heb je na de WK in Apeldoorn gekocht?

“Nog niet echt iets. Ja, van een sponsor kreeg ik een frame. Daar heb ik een fiets van gemaakt. Een mountainbike, dat is nu mijn WK-fiets.

“Je moet inderdaad wel iets doen na een overwinning. Anders blijf je alleen maar verdergaan. Je moet er bewust bij stilstaan, bewust die trui aantrekken. Soms ben ik wel een beetje jaloers op Annemiek, dat zij dat zo goed kan. Misschien heb ik wel te veel ontzag voor tegenstanders.”

In een olympisch jaar zijn de Britten altijd goed...

“Ja, dat dacht ik ook, hoor: het is hartstikke leuk dat ik nu win, maar straks gaan die Britten weer harder. Daar maak ik me wel druk om. Ik moet beter worden dan ik nu ben. Bij hen staan de Spelen écht op één. Bij mij staat het WK ook op één. Of op 1.1. En dan denk ik: waren die Britten op dat WK niet op hun best? Zij ­weten ook dat het ultieme namelijk een olympische medaille is.

“Dat heb ik ook wel. Ik ben nu wel weer bezig met de Olympische Spelen. En natuurlijk is er maar één kleur echt ultiem, maar voor mij zou een medaille nu heel cool zijn. Ach, je weet het ook niet, hè. Het duurt nog heel lang, nog drie keer een hele seizoensopbouw. Daarom is dit nu wel een lekker moment.”

Lees ook:

Kirsten Wild, waar zijn je billen gebleven?

Ik kwam om het huis heen gefietst en daar stond ze te wachten, in de nieuwe outfit van haar ploeg voor 2018. Ik keek. Keek nog een keer. En vroeg toen wat er in godsnaam met háár gebeurd was. Ze lachte haar verlegen giechel. Hoe bedoel je, vroeg ze, terwijl ze echt wel wist wat ik bedoelde. Waar zijn je billen gebleven - riep ik uit. Zwart hè, grinnikte ze. Dat kleedt af.

De baanrenners zijn er, nu de bondscoaches nog

Acht maanden na een succesvol WK baanwielrennen heeft het Nederlands team geen bondscoaches meer. Wat nu? 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden