Wereldeten in Den Haag: in lijn 6 schommelen de multi-culti doksa's mee.

Ook de culinaire wereld wordt steeds kleiner. Jeroen Thijssen ging op onderzoek uit.Vandaag: Hindoestaans in Den Haag.

door Jeroen Thijssen

Tramlijn 6 spuugt mij uit op het Haagse Hobbemaplein en rammelt verder, de hoek om richting zee. De zon schijnt, de wind jaagt witte wolken door een blauwe hemel. Talloze medelanders uit alle culturen drommen om mij heen, op weg naar de Haagsche Markt. Hier ergens moet de grootste populatie Hindoestanen van het vasteland zich bevinden, heb ik gelezen, Hindoes van Surinaamse afkomst, naar Nederland uitgeweken toen Suriname onafhankelijk werd. En uiteraard hebben ze hun eigen eten meegenomen.

Eerst maar eens de markt op. Omstuwd door alles wat de multi-culti samenleving zo leuk maakt zoek ik mijn weg door de eivolle gangen. Turken, Marokkanen, Surinamers, mensen van onnaspeurbaarder afkomst, en witgezichten als ik, alles krioelt tussen de koopwaar uit alle hoeken van de wereld: kleurige doeken, dozen met gouden ringen en zilveren sieraden, een kraam vol strijkijzers. Het wereldvoedsel is heel wel vertegenwoordigd, maar de vaste cafetaria's serveren puur Hollands: friet met mayonaise, broodjes hamburger en kibbeling.

Een kraamhouder van zo te zien Turkse afkomst wijst mij de richting van de Hindoestaanse afdeling: in de linkergang, vanaf het plein bezien, na zo'n vijfhonderd meter. Voorbij de poelier, barst een waar concert van kleuren los. Het oranje en rood van de pepers, het bleke groen van birambi's, het bruin van bakkeljauw en de roze spruitjes van de galangal of geelwortel.

De uitbaters van de kramen zijn bijna allemaal gewone Hollanders. Voor Hindoestaanse ondernemers, en hun eten, moet ik aan de andere kant van het Hobbemaplein zijn.

Langs het monument van dertig jaar Hindoestanen in Nederland loop ik, over het enorme nieuwe plein daarachter. Tweehonderd meter verderop opent de brandnieuwe gevelrij naar een straat uit het begin van de vorige eeuw, met rood-bruine bakstenen gevels en een veranda van stalen binten en glas langs alle gevels: de Paul Krügerlaan. Hier vestigden zich tienduizenden Surinamers van Indiase afkomst, in 1974, na het onafhankelijk worden van onze ex-kolonie. Dit is het hart van hindoestaans Nederland.

Een beetje schrompelend hart is het wel. Tussen de winkels die ooit alleen maar Hindoestanen kenden, vestigen zich steeds meer ondernemers uit het nabije oosten. Aanpassing heeft niet altijd het beoogde succes gehad; roti-shop Chandane, die eten met halal-vlees verkocht, is gesloten. In de houten keet midden op het Paul Krügerplein verkoopt men Döner kebab. Maar er is het een en ander over. Meteen rechts zit Bharat Kings, een winkel vol hindoe-materialen die een oude hippie doen watertanden: India-sjaals, India-sieraden, de indringende lucht van wierook maar ook feestkleding, sari's en offeraltaartjes.

Helaas verkopen ze niets te eten. Verder dus maar weer, langs donkere mannen in oranje pakken die de stoep schoonmaken. Ergens in deze straat moet Ramon zitten, de oudste Hindoestaanse toko van de stad en nog steeds eigendom van de oorspronkelijke eigenaar.

Even tussendoor neuzen, in andere culturen, kan ook geen kwaad. De mediterrane winkels in deze straat zijn welvoorzien van Midden-Oosterse artikelen, en zij hebben zich aan de oorspronkelijke clientèle aangepast. In wit een betegelde hal, waar alleen vlees wordt verkocht, prijken hele stapels Doks of Doksa's, samen met de roti het kenmerkende eten van de Hindoestaanse keuken. Ze zijn niet duur ook, 3,50 voor een kilo tamme eend. Een brander heeft even hun huid geschroeid, zoals het hoort, en de verkoper vraag in hoeveel stukjes ik het beestje gehakt wil hebben. Doe maar vier. Ik heb ook mijn cultuur.

Het Paul Krügerplein is meer een grote inham dan een plein. De oorspronkelijke roti-afhaalshop, volgens mijn bronnen de beste van Den Haag, heeft plaatsgemaakt voor een kapsalon. Gelukkig zit aan de overkant, op de hoek van Krügerlaan en Steynlaan, een hoogst modern ogende roti-shop, Siddiq's Corner. Die moet wachten, al knort mijn maag. Waar is Ramon?

Het is even zoeken. Er zit een aantal toko's, met kenmerkend schemerig interieur, die allemaal anders heten. Het eind van de straat nadert al, de Loosduinsekade komt in zicht, maar dan duikt, ook aan de rechterkant, gelukkig toko Ramon op.

Binnen geurt het naar tropen. In open kratten liggen bakbananen, die ken ik wel, en birambies, die ken ik inmiddels, en kloewaks, tajer, urdi's, rietsuiker - en dat zijn dan alleen nog de ingrediënten die ik ken. Wat is dat voor bak met rare visjes, bijvoorbeeld? 'Kwikwi's,' zegt een aardige juffrouw, Ramon is niet aanwezig. Even denk ik dat ze me voor de gek houdt, maar ze zegt het nog een keer met nadruk. Kwikwi's. Het lijken de visjes wel die ik vroeger in mijn aquarium had.

Wanneer ik vraag naar iets typisch Hindoestaans, iets wat andere bevolkingsgroepen in Suriname niet hebben, grijpt de jongedame zonder aarzelen naar een etiketloze fles met zwarte inhoud. 'Deze ketjap', zegt ze. Even beslist zet ze er een potje 'birambie-chutney' naast, en vlijt er een zakje kerrie bij, die hier natuurlijk 'massala' heet. 'Massala van Nandan', zegt ze. 'Die wordt hier in Den Haag gemaakt, en zelfs naar India geëxporteerd.' Doe die drie dan maar, en een pakje kwikwi's. De andere spullen probeer ik een andere keer wel eens uit. Iets meer dan tien euro is het bij elkaar.

Dan wacht de laatste uitdaging, Siddiq's Corner. Een strak snackbarinterieur, met rechts een glazen counter vol warm- en koelhoudbakken, links grote ramen met uitzicht op het Krügerplein, en achterin een setje tafels en stoelen. Een groot display somt gerechten op. Er staat gewoon Surinaams eten op, en Chinees-Indisch, maar ik kom hier voor roti. Roti doksa, om die beide hoogtepunten van de Hindoestaanse keuken maar eens te combineren. En daarbij neem ik een flesje Tesi Bon, van een huiveringwekkend rood, en een smaak die aan vloeibare kauwgum doet denken - buitengewoon Surinaams, melden mijn bronnen.

Een slanke, donkere jongen neemt mijn bestelling op, een dikke, donkere vrouw komt hem brengen. Ze heeft een plastic haarnetje op, blauw plastic, en lacht me vriendelijk toe. Op het bord ligt een roti zoals ik die ken, in vieren gevouwen op een apart bordje - maar hij voelt heel anders aan. Hij kraakt een beetje bij het kauwen, en is tegelijk zacht en smeuïg. Heel wat anders dan ik normaal uit de diepvries haal bij mijn huistoko.

De doksa is sappig en romig, in kleine stukjes gehakt met in ieder partje wel een stukje bot. Kluiven en met je handen eten, is er een betere manier om voedsel tot je te nemen? De bijgeleverde sausjes vertrouw ik niet erg. De een is bruinrood, de ander rood-rood, en de kokkin zegt, op mijn vraag of ze heet zijn: 'nogal'.

Ze heeft niet gelogen.

Geheel verzadigd en nog rokend uit mijn oren verlaat ik het pand, 9,75 minder in de portemonnee. In het plastic tasje aan mijn arm bungelt het potje chutney, dat bij thuiskomst schroeiend heet blijkt te zijn, met de ketjap, die heerlijk rijk van smaak is, dik als remolie en helemaal niet heet. De stukken doksa schommelen panklaar mee.

Om de bocht giert tramlijn 6 aan en neemt me mee.

(Mijn dank gaat uit naar Rabin Baldewsingh, zonder wiens informatie en gastvrijheid dit een heel ander artikel was geworden.)

Volgende week: Chinees-Kantonees in Amsterdam.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden