Wentsel stelt standpunt bij over de holocaust als straf van God

Dr. B. Wentsel, gereformeerd predikant te Den Haag, heeft zijn boekenserie over dogmatiek voltooid. De laatste delen van het werk worden morgen, tijdens een studiedag aan de theologische universiteit te Kampen, gepresenteerd. Dr. C. van der Kooi, dogmaticus aan de Vrije Universiteit van Amsterdam, laat zijn licht schijnen over de vraag of Wentsel nog steeds dezelfde mening heeft als dertien jaar geleden over de holocaust als Gods straf voor Israël.

Het interview van Agnes Amelink met B. Wentsel dat Trouw op de kerkpagina van 17 augustus publiceerde ter gelegenheid van de voltooiing van Wentsels dogmatiek is niet aan de aandacht van Dick Houwaart, oud-voorzitter van de Anne Frank Stichting, ontsnapt. 'Die Wentsel, daar was toch wat mee?', moet hij gedacht hebben. Waartoe een geordend archief op zulke momenten goed is, blijkt uit de gedocumenteerde vragen die hij stelt in zijn bijdrage op de Podiumpagina van vrijdag 21 augustus. Zijn vraag is of Wentsel bij zijn opvatting uit 1985 is gebleven over 'de holocaust als straf voor Israëls ongeloof en onbekeerlijkheid'.

In een concept-tekst die Wentsel Houwaart destijds kennelijk heeft toegestuurd viel te lezen dat “de geschiedenis in de Diaspora na de val van Jeruzalem tot en met de stichting van de staat Israël geïnterpreteerd moet worden als de geschiedenis van de verbondszegen en verbondsvloek. Het aangrijpende lijden van dit volk onder het moordzuchtige regime van het racistisch nationaal socialisme is de executie van het straffend oordeel van Jahweh vanwege haar ongehoorzaamheid en ongeloof.”

Dat volgens de concepttekst de nationaal-socialisten ook strafbaar zijn, omdat zij zich aan Gods volk hebben vergrepen, vermeldt Houwaart nog wel, maar het is duidelijk waar de commotie van toen zich op fixeerde en wat sindsdien is blijven hangen: Het directe verband dat gelegd wordt tussen de sjoah en de straf van God. Gruweldaden die theologisch gerechtvaardigd worden.

Iedereen viel destijds over Wentsel heen. Houwaart wil nu, dertien jaar later, weten of de concept-tekst gehandhaafd is. Het zou voor een man van zijn formaat natuurlijk eenvoudig zijn geweest het antwoord op deze vraag zelf uit te vinden. Maar dat is duidelijk de bedoeling niet. Hij wil klare wijn en nodigt de discussianten op de dag van de presentatie van de laatste twee delen van Wentsels dogmatiek uit hun licht over deze episode te laten schijnen. Tot de sprekers op die dag behoor ik niet. Wel heb ik begrip voor zijn vraag. De achterliggende kwestie van de verhouding van christelijke leerstellingen en het ontstaan van het antisemitisme in al zijn verschrikkelijkheid is van essentieel belang, niet alleen voor de joods-christelijke verhoudingen, maar ook voor het christelijk geloof zelf.

Mensenwerk

Laat ik dan beginnen met het nederig handwerk van een antwoord op de vraag of de concept-tekst gehandhaafd is. Een zoektocht in deel 3a van Wentsels dogmatiek, dat in 1987 verscheen en dat onder meer handelde over God als onderhouder en regeerder van de geschiedenis, levert nergens een passage op waarin een direct verband gelegd wordt tussen sjoah en Gods gericht. Slechts een deel van de door Houwaart nu gepubliceerde concept-tekst heb ik kunnen vinden, op pagina 551: “Israel is, ook na de enting van de gelovigen-uit-de-heidenen op de edele olijf, Romeinen 11:23-24, het volk van het kindschap, de heerlijkheid, de verbonden, de wetgeving, de eredienst en de beloften gebleven, Romeinen 9: 1-5. Het gaat hier niet om een status uit het verleden, maar om blijvende toestand: Jahweh blijft een claim houden op zijn eersteling”.

Alleen het eerste deel van de zin is gehandhaafd. Dat is veelzeggend. Wentsel neemt in de uitleg van Rom. 9-11 een positie in die afwijkt van wat in de gereformeerde kring tot voor enkele decennia gewoon was. Bovendien is het aanwijzen van zegen en vloek ten aanzien van Israël geheel weggevallen. Terecht, zo lijkt me. De sjoah is werk van mensen geweest.

Het spreken in termen van verbondszegen en verbondsvloek vraagt overigens om nadere uitleg. Buiten de context van godsdienst worden deze woorden moeilijk begrepen, zeker nu we vloeken zo langzamerhand alleen nog kunnen vereenzelvigen met ongecontroleerd razen. Elementair in Wentsels theologie is het verbond dat God met Abraham en in hem met Israël heeft gesloten. Bij dat verbond hoort de zegen, wanneer het volk de weg van het verbond gaat en de dreiging bij ongehoorzaamheid. In hoeverre kan wat een mens, een volk of werelddeel overkomt nu als zegen of vloek worden aangemerkt?

In 1987 al brengt Wentsel talloze restricties naar voren die voor het leggen van rechtstreekse en rampzalige verbanden moeten behoeden. De voorbeelden die hij gebruikt, voorziet hij van een vraagteken en richten zich op het christendom zelf. Nergens legt hij een link met de sjoah. Wel noemt hij de verdwijning van het christendom uit Klein-Azië, uit Noord-Afrika, de verwatering van kerk en geloof in Europa. Kunnen ze worden aangemerkt als gevolg van de ontrouw van de christenen jegens de Eeuwige?

Van de twee laatste delen van Wentsels opus magnum, die morgen worden gepresenteerd, blijkt hoofdstuk 2 van deel 4b geheel gewijd aan de verhouding tussen de kerk en Israël. Het lijkt mij een prijzenswaardige bijdrage te zijn aan de discussie. Uitvoerig gaat Wentsel in op de geschiedenis van het anti-judaïsme in de kerk en maakt een aantal onderscheidingen die naar mijn mening van groot belang zijn.

De opvatting als zou de kerk in de plaats van Israël zijn gekomen, wordt met beroep op Rom. 9-11 afgewezen. Op niet mis te verstane wijze neemt de auteur afstand van de in de geschiedenis bedreven praktijk de profetische kritiek en de daarbij geuite bedreigingen in de Bijbel op te vatten als opdracht. Hij kwalificeert het als een 'grof misbruiken van de Bijbel om de profetische bedreigingen met de vloek op te vatten als een door de kerk of de staat te voltrekken opdracht om Israël te brandmerken, te vernederen, te vervolgen of te verdelgen' (141).

Dit betekent niet dat de noodzaak van een antwoord op Gods verbond is vervallen en het er allemaal niet zoveel toe doet. Men begrijpt deze dogmatiek van orthodox gereformeerde signatuur het beste als ze wordt verstaan als doorlopend appèl tot antwoord. De toon is wars van onverschilligheid en lijdzaamheid. Geestelijke lamlendigheid en weigering heeft gevolgen, in dit leven en bij volhouden tot in de eeuwigheid.

Riolen

Ondertussen, de reactie of liever de actie van Houwaart wijst naar de begrijpelijke alertheid en argwaan jegens patronen van christelijke leer die in het verleden geleid hebben tot een klimaat waarin het antisemitisme met zijn gruwelijke gevolgen kon ontstaan. De leer van de kerk, haar geschiedenis, wordt beoordeeld op de ethische effecten. Ook daarover wil ik graag een enkele opmerking maken, zowel met het oog op joods-christelijke verhoudingen en niet in het minst met het oog op de manier waarop christenen onderling met hun belijdenis omgaan.

Niet zelden ontmoet ik mensen die menen dat de waarheidsclaim van de kerk ten aanzien van Jezus arrogant is en als vanzelf tot ongelukken leidt. Het lijkt mij dat hier een heilloze vermenging plaatsvindt van twee zaken die wel met elkaar te maken kùnnen hebben, maar niet noodzakelijk hòeven hebben, namelijk onze overtuigingen enerzijds en ons gedrag anderzijds. Het geloof in Jezus Christus leidt niet vanzelf tot een moreel verwerpelijke arrogantie jegens de ander die deze belijdenis niet kan of wil nazeggen.

Er loopt geen rechte weg van theologisch exclusivisme naar rassenhaat. Dat er zulke wegen zijn, historisch en psychologisch, is genoeg gebleken, maar ze gingen niet anders dan door stinksloten en donkere riolen. Men kan Paulus en de andere Joden die tot de overtuiging gekomen waren dat ze in Jezus en zijn geschiedenis Gods diepste Woord hadden gehoord, niet schuldig verklaren door later misbruik. Dezelfde leer, die men kan brandmerken als theologisch exclusivisme, kan evengoed leiden tot de hartstochtelijke betrokkenheid van Paulus die, zoals in Romeinen 9 staat, wenste 'terwille van zijn medebroeders van Christus verbannen te zijn'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden