Welkom in Amerika

,,Ik heb zeven jaar in Amerika gewoond, één jaar in multi-etnisch New York en zes jaar in het zwarte Washington DC. En omdat ik getrouwd ben met een Chinees-Amerikaanse wier ouders in Los Angeles wonen, ben ik een frequent bezoeker van die raarste van alle staten: Californië. Mijn kinderen hebben twee paspoorten, spreken Engels en Nederlands en zijn dus helemaal Amerikaans en, etnisch gezien, ook half Chinees. Frans Verhagen beschrijft de geschiedenis van de immigratie van Amerika, van de Ieren tot de Chinezen, van de Duitsers tot de Japanners, van de Know-Nothings tot de White Anglo-Saxon Protestants, van de Hacienda Heights tot Beverly Hills.

Amerika is het land van de Amerikaan met een streepje. Je bent Italiaans-Amerikaan, Chinees-Amerikaan, Japans-Amerikaan, Afro-Amerikaan en ga zo maar door. Dat is een deel van de aantrekkingskracht van de Verenigde Staten en als we daar op bezoek zijn, beschouwen we de etnische centra als toeristische attracties. We gaan naar Chinatown, Koreatown, Little Italy of aan de westkust naar Japantown en Little Bombay. We genieten van de geuren, talen, kleuren en in het algemeen van de verschillende etnische culturen.

Ik heb zeven jaar in de VS gewoond, één jaar in multi-etnisch New York en zes jaar in het zwarte Washington DC. En omdat ik getrouwd ben met een Chinees-Amerikaanse wier ouders in Los Angeles wonen, ben ik een frequent bezoeker van die raarste van alle staten: Californië. Mijn kinderen hebben twee paspoorten, spreken Engels en Nederlands en zijn dus helemaal Amerikaans en, etnisch gezien, ook half Chinees.

Ik heb wel eens de namen in mijn adressenboek geturfd. Daarvan klonk 75 procent niet erg Angelsaksisch: Dackiw, Kao, Miller, Kirkland, O'Neill, Kushleika, Kayser, Cazian. Dat kan ook moeilijk anders: Amerika is nu eenmaal hét immigratieland. Iedereen wil er naartoe.

In de VS wonen 281 miljoen mensen - legaal of illegaal. Daarvan zijn er 31 miljoen, 11,1 procent, geboren in het buitenland. Van die 31 miljoen zijn er 12,5 miljoen genaturaliseerd tot Amerikaanse staatsburger en 18,5 miljoen niet. Dat hangt mede af van de duur van hun verblijf in de VS. Van de mensen die binnenkwamen vóór 1980, is 75 procent nu staatsburger, van de mensen die tussen 1990 en 2000 arriveerden, is dat percentage 40.

Waar komen die buitenlanders vandaan? Ruim acht miljoen uit Azië, bijna vijf miljoen uit Europa en 16 miljoen uit Latijns-Amerika.

De meeste immigranten, of ze nu legaal of illegaal zijn, worden op den duur Amerikaans staatsburger. De recente voorstellen van president Bush om de 8 tot 12 miljoen geschatte illegalen een werkvergunning te geven, zal er uiteindelijk toe leiden dat ook deze mensen Amerikaan worden.

Amerika beleeft een buitengewoon omvangrijke immigratie. Nooit was het aantal in het buitenland geboren mensen hoger dan nu. Nog een cijfer: tussen 1821 en 1920 emigreerden 33,6 miljoen mensen naar Amerika wat er, in combinatie met de natuurlijke toename, toe leidde dat de bevolking elke 27 jaar verdubbelde. De effecten hiervan zijn overal zichtbaar en nergens meer dan in Californië. Dat was altijd al een open en aanlokkelijke staat. Maar niet altijd vriendelijk. De Chinezen die hier sinds 1850 naartoe zijn gekomen, zijn vaak allerbelabberdst behandeld. Maar dat heeft hen niet afgeschrokken. Sinds de officiële telling van het jaar 2000 is duidelijk dat de blanken minder dan de helft van de Californische bevolking uitmaken.

Wie wil weten wat immigratie in Amerika betekent, moet dus naar Californië. Dat heb ik vorig jaar december gedaan. Ik ging met mijn gezin naar San Francisco om vrienden en mijn schoonfamilie in Californië op te zoeken. Toen we aankwamen op het vliegveld, stonden er een stuk of zes rolstoelen klaar voor oudere passagiers. Mijn vrouw merkte op dat ze alle zes werden bemand door Aziaten. Mij verbaasde dat niet, maar mijn vrouw merkt altijd weer op hoeveel Aziaten er in Californië rondlopen. Bij de paspoortcontrole zat een immigratieofficier. Een Chinese Amerikaan. Nog voor hij de paspoorten opende, lachte hij breeduit: 'Wie van u zou de immigrant zijn?' Ik lachte schaapachtig en klaagde: 'Ik ben ook altijd het enige bleekgezicht hier'. In Chinese restaurants val ik meestal op als lange, bleke round eye of white ghost. Het stoort me niet. Bij de balie van Avis autoverhuur hielp ons, u raadt het al, een Chinees.

De vrienden bij wie we de eerste week zouden doorbrengen, zijn geen Chinezen, maar Armeniërs. De vrouw des huizes is de beste vriendin van mijn vrouw. Ze gingen samen naar de katholieke school in Los Angeles. De Armeniërs in Amerika hebben onderling hechte banden. Ze hebben een gezamenlijk geloof en koesteren hun geschiedenis waarvan het dieptepunt de volkerenmoord van de Turken op de Armeniërs was. Sinds de val van de Sovjet-Unie hebben ze weer veel belangstelling voor hun land van herkomst dat ze regelmatig bezoeken. Thuis eten we Libanees/Armeens/Turks en Californisch. En we gaan dim sum eten bij de Chinees aan Geary Avenue, waar de helft van de bezoekers niet-Aziatisch is, waar aan de overkant een Russisch-orthodoxe kerk staat en waar op de hoek Russisch gebak wordt verkocht.

Mijn schoonouders wonen in een van de vele buitenwijken van Los Angeles. De wijk heet Hacienda Heights en er wonen steeds meer Aziaten, niet alleen Chinezen, maar ook Koreanen en Filippino's. Ze wonen in een gated community, zo'n wijk met een hek eromheen. Toen ze hier kwamen, in 1986, woonden er twee of drie Chinese gezinnen. Nu leert een blik op de lijst met namen bij de ingang dat zeker tachtig procent Chinees is.

Hoe komt dat? Chinezen gebruiken een Chinese makelaar. Die ontdekt een mooie wijk en zo gaat het balletje aan het rollen. Waarom wonen Chinezen graag bij elkaar in die wijk? Het oogt vertrouwd en die makelaar biedt die huizen nu eenmaal aan. Ze gaan ook naar een Chinese tandarts, een Chinese huisarts en een Chinese televisiereparateur. Ze spreken Chinees doorspekt met Amerikaanse woorden waarvoor het Chinese equivalent moeilijk te vinden is.

Het winkelcentrum Puente Hills was toen ik er bijna twintig jaar geleden voor het eerst kwam nauwelijks Aziatisch. Nu zie je bijna alleen Chinese uithangborden, kun je er fantastisch eten en alles kopen wat je nodig hebt.

Het verhaal van de wijk Monterey Park, ten oosten van de binnenstad van Los Angeles, is nog treffender. Dit was altijd een wijk die diende als opstap voor arme bewoners van de stedelijke centra, op weg naar de meer welvarende buitenwijken in de San Gabriel Valley. In 1960 was hier 85 procent van de bewoners Angelsaksisch, 12 procent Latino en drie procent Aziatisch. In 1980 was nog maar 48 procent Angelsaksisch, 39 procent Hispanic en 33 procent Aziatisch.

In de jaren tachtig en negentig veranderde de bevolkingssamenstelling nog eens drastisch door de immigratie vanuit Taiwan, Hong Kong en elders in Azië. Waarom kwamen deze mensen naar Monterey Park? Een paar ondernemende makelaars verkochten Monterey Park in Taiwan en Hong Kong als het Chinese Beverly Hills, de plek waar je veilig kon investeren in een middenklasse-huis of -appartement. Tegenwoordig maken de Aziaten meer dan 50 procent uit van de bevolking, met nog maar 15 procent Angelsaksen en 30 procent Latijns-Amerikanen. Het is niet meer een middle American semi-suburb, maar een financieel - en dienstencentrum voor de Aziatische bevolking. We komen er vaak. Hier heb je de beste restaurants, winkels en supermarkten.

Mijn schoonvader kwam in 1948 naar Amerika om een technische opleiding te volgen. Echt straatarm was zijn familie niet, maar ze hadden geen geld noch vooruitzichten. Hij werkte als ingenieur bij vliegtuigbouwers en mijn schoonmoeder was dertig jaar lang wiskundelerares aan een middelbare school in Montebello.

Ze vertellen hoe er in de jaren vijftig flink gediscrimineerd werd. Als zij een te huur staand appartement wilden, bleek het steevast net weg te zijn. Ze kochten een appartement in een toen betaalbare buitenwijk, Montebello. Hun dochter, mijn vrouw, ging naar de katholieke school in de buurt. Haar klasgenootjes kwamen merendeels uit Latijns-Amerika en de meeste meisjes gingen zwanger van school.

Tegenwoordig wordt er niet meer gediscrimineerd, wat een direct gevolg is van de veranderde samenstelling van de bevolking en de daarmee corresponderende verschuiving in de economische en politieke macht. Maar het komt ook doordat de immigranten zijn opgegaan in de Amerikaanse samenleving. De kinderen spreken geen Chinees meer. Hun ouders stonden erop dat ze goed Engels leerden om carrière te kunnen maken. En dat deden ze. Mijn schoonouders hadden hun kinderen in eerste instantie liever met Chinezen zien trouwen, maar dat deden ze niet. Daarmee volgen ze een steeds breder spoor: het aantal gemengde huwelijken in Californië stijgt snel. Naar schatting is nu één op de vier kinderen van gemengd ras, net als die van mij.

In hun woonwijk zie ik de immigratiesamenleving in volle werking. Bij het zwembad werkt een Spaanstalige klusjesman. Hij zal een jaar of zestig zijn en spreekt geen woord Engels. We communiceren met gebaren en in gebrekkig Spaans. Maar hij is een Amerikaan, heeft een gezin en werk. Een immigrant die zijn plek heeft gevonden. Eén keer in de twee weken komt een tuinman van buiten langs bij mijn schoonvader. Hij wordt betaald met een cheque, of hij zwart of wit werkt is niet aan de orde. In de keuken werkt geregeld een Chinese hulp. Ze spreekt alleen Chinees en is pas een paar jaar in de VS. Overdag werkt ze in een Chinees restaurant, achter de dim sum-wagen. Dit doet ze erbij voor het contante geld.

Groepen die al behoorlijk lang in Amerika wonen en zonder enige twijfel Amerikaans zijn, blijven toch graag hun eigen culturele groep opzoeken. Dat geldt niet alleen voor de Chinezen in Zuid-Californië, maar voor vrijwel alle andere etnische groepen die ik ken in Amerika. Mijn Armeense vrienden hebben een ongelooflijk uitgebreid familienetwerk, met tientallen, zoniet honderden neven en nichten. Ze wonen niet allemaal bij elkaar, maar wel in de buurt. De ouders van mijn Oekraïense vriendin woonden op Long Island, samen met veel andere families die na de oorlog gevlucht waren. In New York hebben mijn Joodse vrienden hun eigen netwerken en clubs. De nieuwe zwarte middenklasse richt bij voorkeur haar eigen, zwarte golfclubs op, hoewel ze zonder probleem lid zouden kunnen worden van bestaande golfclubs. Tegenwoordig nemen veel tieners afstand van wat zij als een verstikkende omgeving ervaren en daarmee verdwijnt het etnisch samenklonteren vanzelf.

Maar, zult u zeggen, in West-Europa hebben we nu te maken met moslims die een geloof belijden dat lijkt te botsen met de overtuigingen van de autochtonen. Deze immigranten zijn bovendien afkomstig uit de armste, minst ontwikkelde regio's van het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Toch heeft Amerika dit soort immigranten ook gehad.

Van 1820 tot 1845 kwam een gestage stroom nieuwkomers naar Amerika - tussen de 10.000 en 100.000 per jaar - waar men zich weinig van aantrok. Daar was ook weinig reden toe. De meesten konden prima voor zichzelf zorgen, kwamen van de Britse eilanden en hadden hetzelfde protestantse geloof als de stichters van de Republiek. Maar vanaf 1846 kwam een vloedgolf van immigranten op gang als gevolg van twee sociale aardverschuivingen in Europa: de misoogsten en hongersnood in Ierland en de economische en politieke onrust in Duitsland.

De Ieren waren arm en berooid, dronken veel en hadden een sterk geloof dat afweek van wat in de VS de norm was. Verontrustend was het zeker om de nieuwkomers te zien en te horen als ze uit de ruimen stroomden na een overtocht die vaak een maand had geduurd; ze waren smerig, onverzorgd en spraken weinig of geen Engels (op het platteland van Ierland sprak men een Keltisch dialect). Het grootste deel was rooms-katholiek en, in de Amerikaanse visie, loyaliteit verschuldigd aan een buitenlandse machthebber, de Paus, voor Amerikanen een symbool van onderdrukking. Voor ieder die het maar wilde zien, was duidelijk dat deze katholieke immigranten deel waren van een groot complot tegen de VS. Dat schreef in elk geval Samuel F. Morse, de uitvinder van de telegraaf, in een bestseller uit die jaren, Foreign Conspiracy Against the United States.

De toenmalige bewoners - die later WASP's heetten (White Anglo-Saxon Protestants), maar zich in die tijd trots 'autochtone' (native) Amerikanen noemden - reageerden heftig op de nieuwkomers. Dat kwam alleen al door de grote aantallen. Tussen 1845 en 1854 kwamen ongeveer 2,9 miljoen immigranten aan in havensteden als Boston en New York, waaronder 1,2 miljoen Ieren en meer dan één miljoen Duitsers. In Boston woonden toen ongeveer 100.000 mensen, in New York (exclusief Brooklyn) 500.000. Allicht dat de komst van hordes armoedige en vaak zieke vreemdelingen, met een andere cultuur, de rudimentaire sociale voorzieningen zwaar onder druk zette. Er was niet genoeg politie om alle dronken vechtersbazen op te sluiten. Er was nauwelijks een openbare gezondheidszorg om de epidemieën van infectieziekten in de sloppenwijken onder controle te houden. Het uitbreken van cholera had duizenden doden tot gevolg. In Massachusetts, waar immigranten een vijfde deel van de bevolking vormden, maakten ze de helft uit van de populatie van gevangenissen, armenhuizen en gestichten. Dit soort feiten bracht de nativist movement teweeg, de anti-immigratie beweging.

'Paperij dreigt Amerika te verzwelgen', schreef Anna Ella Carroll in The Great American Battle in 1856, 'ze landt op onze kusten, hopend haar strijdrossen te kunnen drenken in onze grote Mississippi'. Het was gemakkelijk om alle haat en afkeer op het katholicisme te richten. Er waren al eerder problemen geweest.

Toen in 1853 Geatano Bedini, een gezant van de paus, in New York aankwam om conflicten te beslechten die in verscheidene steden bestonden tussen de katholieke congregaties en de katholieke clerus, barstten hevige protesten los. Er waren anti-katholieke demonstraties in Pittsburgh, Cincinnati en Wheeling (Virginia). Een pop die Bedini moest voorstellen, werd in Baltimore aan de galg gehangen. De gezant nam midden in de nacht de boot naar Europa.

De anti-immigranten stemming werkte snel door in de politiek. Nativisten begonnen pamfletten te schrijven en organiseerden zich. In eerste instantie kregen ze weinig aandacht in het Amerikaanse tweepartijensysteem. De Whigs en de Democraten bevochten de verkiezingen en ruilden om de zoveel jaar van machtspositie. Andere partijen kregen geen kans. Maar dit keer liep het anders.

In 1853 begon de Order of United Americans met het opzetten van een netwerk van afdelingen ('loges') in alle staten. Begin 1855 waren er alleen al in de staat New York 960 afdelingen, stevig verankerd in de lokale gemeenschap en het kiesdistrict. Die loges kozen gedelegeerden voor stads-, gemeente- en staatsorganen. Op hun beurt stuurden die dan weer elk zeven man naar de Grand National Council. In minder dan twee jaar verwierf de organisatie meer dan een miljoen leden.

Lidmaatschap was voorbehouden aan in Amerika geboren mannelijke protestanten die niet getrouwd mochten zijn met een katholiek. De loges kenden uitgebreide rituelen. Nieuwe leden moesten een plechtige eed afleggen om nooit aan buitenstaanders te vertellen wat er zich afspeelde in de vereniging. Volgens de overlevering zouden leden de opdracht hebben om op vragen te antwoorden: 'I know nothing'. En zo kwamen ze aan hun naam, de 'Know-Nothings'.

Er is vrijwel niets overgeleverd van wat er plaatsvond in de Know-Nothing loges. Misschien waren de leden ongewoon discreet of hadden ze gewoon weinig te melden, afgezien van schelden op de Paus en luidkeels verklaren dat het tijd was om voor de verandering eens eerlijke mensen te kiezen en de ellendelingen eruit te gooien. Ze waren ook voor een verbod op drankmisbruik en ze waren tegen de slavernij. Kortom, een populistische beweging met immigratie als één van hun thema's.

In een normaal verkiezingsjaar zou dat weinig gevolgen hebben gehad, maar in 1854, toen de Know-Nothings de American Party oprichtten, heerste er een beklemmend gevoel van naderend onheil. Het was een tijd van economische recessie, hollende inflatie, mede door de instroom van goud uit Californië, en een sterk gevoel van onveiligheid in de grote steden. De nieuwe spoorwegen en katoenfabrieken leken de sociale samenhang van het land aan flarden te scheuren. De landelijke politiek was volgens velen in handen van niet al te snuggere, middelmatige politici en de lokale politiek werd beheerst door corrupte demagogen.

Het gevoel van ophanden zijnde chaos werd nog versterkt door de dreigende ondergang van het tweepartijen-systeem dat door de kwestie van de slavernij werd verscheurd. In dit vacuüm stapten de Know-Nothings. In hun ruime tent boden ze onderdak aan alle ontevreden groepen van het land. Niet al deze groepen steunden de extremistische retoriek van de nativisten, maar ze voelden zich allemaal ongemakkelijk onder de enorme stroom immigranten. De lonen daalden omdat ongeschoolde Ierse arbeiders bereid waren sloten te graven voor maar zestig cent per dag. De abolitionisten ergerden zich eraan dat de immigranten de baantjes inpikten van vrije zwarten in het noorden en dat de Ieren bereid waren de staatsmilitie te helpen om een gevluchte slaaf in Boston aan te houden.

Historici hebben de verkiezingsuitslagen van 1854 nageplozen om te achterhalen waaraan de Know-Nothings hun fantastische resultaten hadden te danken. Ze zijn er niet uitgekomen. In hun allereerste georganiseerde campagne, zonder charismatische nationale leiders en zonder getrainde sprekers, kregen ze meer dan honderd Afgevaardigden in het Congres, acht gouverneursposten en duizenden lokale functies, waaronder het burgemeesterschap van Boston, Philadelphia en Chicago. Ze kregen controle over de volksvertegenwoordiging in zes staten, van New Hampshire tot Californië. Hun meest spectaculaire overwinning behaalden ze in Massachusetts, van oudsher de meest saaie en stabiele staat. Daar veroverden ze zowat alle verkiesbare posities. De juristen en beroepspolitici werden in één klap weggevaagd. Hun zetels werden ingenomen door predikanten, onderwijzers, artsen en meer dan honderd gewone arbeiders, trappelend van ongeduld om een politieke revolutie tot stand te brengen.

De nieuwe politici waren gedreven: ze produceerden in één jaar een record aantal van 600 wetten en resoluties. Zo kwamen er de eerste veiligheidsregels voor de spoorwegen, een wet die gevangenzetting wegens schulden verbood, een wet die het aan getrouwde vrouwen toestond om rechtszaken te beginnen, zaken te doen, een testament te maken en te werken zonder de toestemming van de echtgenoot, en wetten die toestemming gaven voor het bouwen van gas- en waterleidingen, bruggen en wegen. Ook werd de eerste desegregatiewet van het land aangenomen, die openbare scholen verplichtte de deuren te openen voor alle rassen en geloven.

De 'reactionaire' Know-Nothings kondigden de meest verlichte wetgeving af die de VS ooit had gekend. Ze benutten de mogelijkheid om het leven van veel mensen te verbeteren. Toen ze toekwamen aan immigratie, hun belangrijkste verkiezingsitem, bleek dat de staten op dat terrein weinig bevoegdheden hebben. Alles wat ze konden doen was een begin maken met een grondwettelijk amendement dat katholieken en buitenlanders zou verbieden om officiële functies te bekleden en dat een wachttijd van 21 jaar invoerde voordat een immigrant mocht stemmen.

Abraham Lincoln schreef in 1955 over de Know-Nothings: 'Als natie begonnen wij met het verklaren dat alle mensen gelijk zijn. Tegenwoordig lezen we dat alle mensen gelijk zijn, behalve negers. Als de Know-Nothings het voor het zeggen krijgen, zullen alle mensen gelijk zijn, behalve negers en buitenlanders en katholieken. Als het zover komt, dan geef ik er de voorkeur aan te emigreren naar een land waar ze geen liefdevolle vrijheid pretenderen te hebben.'

Het grote publiek kwam er al snel achter dat de Know-Nothing partij weinig substantie had. Eenmaal in de publieke arena ontdekten de Know-Nothings dat ze vuile handen moesten maken, compromissen moesten sluiten en mensen moesten teleurstellen. En ze ontdekten dat als je dingen gedaan wilde krijgen, het toch wel erg verstandig was om overheidscontracten te gunnen aan goedgeefse supporters en overheidsbanen aan vrienden uit de loges. Kortom, ze begonnen sprekend te lijken op ouderwetse beroepspolitici. Bij de presidentsverkiezingen van 1856 bleken de kiezers al totaal gedesillusioneerd over de nieuwe partij. Haar kandidaat kreeg niet meer dan 21 procent van de stemmen en de overwinning ging naar de slappe maar trouwe Democraat James Buchanan.

En hoe ging het met immigratie? Die was na 1855 vanzelf al teruggelopen. Ierland was leeg, Duitsland weer rustig. Afgezien van campagnes tegen goedkope arbeid uit China en een abjecte discriminatie van Aziaten, zou immigratie meer dan een halve eeuw buiten het politieke debat blijven. Tegen die tijd hadden de Ieren en de Duitsers zich min of meer aangepast aan de Amerikaanse norm.

De geschiedenis van de Ieren volgt grotendeels het klassieke patroon van nieuwkomers. Ze begonnen op de onderste sport van de maatschappelijke ladder, de mannen als handarbeiders, de vrouwen als huishoudsters. Ze waren slecht behuisd en werden clichématig omschreven als dronkelappen, ruziemakers en leeglopers. Menig werkgever had een bordje hangen: 'Ieren hoeven niet te solliciteren.' Ze deden werk dat anderen beschouwden als te vuil of te gevaarlijk. Hun gemiddelde levensverwachting was veertig jaar, vandaar het gezegde 'Je ziet zelden een Ier met grijs haar'.

Pijnlijk langzaam, gedurende vele generaties, moesten de Ieren zich opwerken. Ze hadden wel succes in de politiek, simpelweg door hun stemmen te groeperen en te verkopen aan de hoogste bieder. Binnen twintig jaar domineerde dit systeem steden als Boston en New York. Een klein aantal Iers-Amerikanen werd er rijk van, maar de grote massa bleef zitten in slechte omstandigheden, stevig gediscrimineerd en gewantrouwd. Pas na ongeveer een eeuw waren de meeste Ieren op gelijk niveau beland met de andere Amerikanen. Sociale erkenning liep vaak vast op hun katholieke geloof. Met de verkiezing van John F. Kennedy, die van Ierse herkomst was, werd dit hoofdstuk afgesloten.

Een soortgelijk verhaal kan worden verteld over de Italianen die vooral afkomstig waren uit het Zuiden van Italië, het meest achterlijke gebied. En over de Oost-Europeanen. Van beide groepen werden de Amerikanen in de jaren negentig van de negentiende eeuw weer heel zenuwachtig. Ook toen was er sprake van een diepe recessie en politieke onrust. Het patroon van de jaren rond 1850 herhaalde zich. De anti-immigratieretoriek nam weer toe. Men betwijfelde of de niet-Noordeuropese immigranten ooit loyale Amerikanen zouden worden. Veel nieuwe immigranten leerden geen Engels, woonden in hun eigen buurten en communiceerden alleen in hun moedertaal. Als reactie kwam er een sterke Amerikaniseringsbeweging op. Lokale schoolraden organiseerden Engelse lessen en er werd sociale druk uitgeoefend om gewoontes uit de Oude Wereld af te leren. De 4de juli werd uitgeroepen tot Amerikaniseringsdag.

De roep om wetgeving zwol aan. In de Immigratiewet van 1924 bevroor het Congres de etnische samenstelling van Amerika door grenzen te stellen aan de immigratie van verschillende nationaliteiten. Die grenzen werden gebaseerd op de aantallen die in 1890 al in de VS aanwezig waren. Op grond hiervan moest de instroom van Italianen terug van 40.000 naar 4.000 per jaar. Aziaten waren niet meer welkom.

De argumenten die men aanvoerde in 1920 leken sterk op die van 1850 en lijken veel op die van 1990. Men klaagde dat er niet langer gezinnen immigreerden, maar vooral alleenstaande mannen - gastarbeiders. Verder klaagde men dat de nieuwkomers zich niet meer over het land verspreidden, maar samenklitten in Little Italies, Pollacktowns, Jewvilles en Chinatowns, smerige wijken vol armoedzaaiers. Dat klopte. We moeten de problematiek niet onderschatten: in de grote steden van het noordoosten bestond letterlijk de meerderheid uit immigranten en kinderen van immigranten.

Een ander argument was dat deze nieuwe immigranten steeds minder assimileerbaar werden. De klacht over gebrekkige loyaliteit van de nieuwelingen werd nog eens onderstreept toen bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog veel Duitsers ineens verdeelde sympathieën bleken te hebben en de Ieren niet erg vriendelijk stonden tegenover Engeland. De depressie en de oorlog veranderden de immigratiepatronen. Amerika nam relatief weinig mensen op. Toen in 1965 de wet werd veranderd, zwol de toeloop weer aan. De immigranten kwamen nu uit Latijns-Amerika en Zuidoost-Azië, vaak als gevolg van lokale oorlogen en economische onzekerheid en, in het geval van Mexico, door de nabijheid.

Intussen was de discussie over de 'smeltkroes' opgelaaid. Het oorspronkelijke idee was dat de Amerikaanse samenleving een soort mengvat was waarin alles en iedereen door elkaar geroerd zou worden, wat een nieuw soort burger zou opleveren, een soort hyper-Amerikaan. Maar al in de jaren zestig constateerden Daniel Moynihan en Nathan Glazer in Beyond the Melting Pot dat daarvan geen sprake was. Volgens sommige linkse critici was de smeltkroes simpelweg een leugen, een mythe van de blanke, angelsaksische machthebbers die hun dominante blanke cultuur, gedomineerd door westerse waarden, als norm wilden handhaven. Etnisch bewustzijn raakte in de mode, waarbij de zwarten in de jaren zestig voorop liepen. Op universiteiten werd multicultureel onderwijs populair. Studenten weigerden Plato en Aristoteles als enige bron van wijsheid te aanvaarden; er moesten ook zwarte, bruine en gele bij, en vrouwen.

In de jaren tachtig kwam er steeds meer kritiek van rechts, dat de stelling ging verdedigen dat Amerika een invasie onderging van niet aan het Amerikaanse ideaal toegewijde immigranten. Een van de schelste was de rechtse columnist Peter Bigelow, die in Alien Nation schreef dat buitenlanders geen Amerikaan kunnen worden - een opmerkelijke stelling voor iemand die zelf in Engeland was geboren.

De neoliberaal Arthur Schlesinger meende dat de cult of ethnicity, het verheerlijken van verschillende etnische culturen zoals gangbaar was op de universiteiten, Amerika uiteen rukte. Dat viel wel mee. Etnocentrisme was vooral sterk onder studenten en jongeren, provocerend op zoek naar een identiteit. Het debat heeft altijd de neiging de uitersten op te zoeken, terwijl het rustige centrum genegeerd wordt. Wie naar de praktijk keek, zag dat immigranten razendsnel assimileerden in de cultuur van de mainstream, zoals miljoenen voor hen hadden gedaan.

In veel gevallen zijn deze nieuwe immigranten nog kiener op succes dan 'oude' Amerikanen. Daarom worden luie, zelfvoldane blanke studenten voorbijgestreefd door slimme, hardwerkende Koreanen en Chinezen. Daarom doen Koreaanse kruideniers het beter dan zwarte winkeliers. Gegeven de aard van de Amerikaanse cultuur, zegt de journalist Dale Maharidge in The coming white minority, is het beste waar je op kunt hopen een multiraciale kapitalistische samenleving zonder een blanke meerderheid - een samenleving met compassie voor etnische verschillen, die alle burgers in staat stelt de economische voordelen van het kapitalisme te genieten. Dit komt neer op integratie door middel van de vrije markt.

De immigranten in de VS zijn niet zoveel anders dan de immigranten in Westeuropa: uiteindelijk komen ze voor een beter leven. Meestal lukt het. Soms niet. Laten we niet vergeten dat dertig procent van de immigranten ook weer vertrok uit Amerika. Veel bedrijven, vooral kleine, en veel particulieren drijven op deze laaggekwalificeerde mensen - de tuinman, de kok, de schoonmaker. Wie in Amerika op een vliegveld aankomt, treft kruiers, richtingaanwijzers, schoonmakers bij de vleet, taxichauffeurs - mensen die nuttig werk doen en een eerste stap zetten in een arbeidsgeschiedenis.

De verzorgingsstaat levert hier een probleem op, omdat hij de ondernemingszin afzwakt. Onze verzorgingsstaat moet hervormd worden, omdat hij voor de immigranten nog slechter werkt dan voor de autochtonen. Hij leidt tot hoge brutolonen en een enorme bescherming van werknemers, waardoor het onaantrekkelijk blijft om mensen in dienst te nemen. En dan is er de armoedeval: mensen zijn financieel beter af met een uitkering dan met een baan.

Voor immigranten heeft de verzorgingsstaat bovendien een afstompend effect: je komt om de handen uit de mouwen te steken maar eindigt met jarenlang niets doen. Een Amsterdamse Turk die in Amerika rondreisde, verbaasde zich dat er in de moskee van Chicago helemaal geen mannen rondhingen, zoals in Nederland. Waar waren ze? Aan het werk natuurlijk! In Amerika moeten mensen zichzelf redden en dat doen ze dan ook. Ze pakken van alles aan, wisselen vaak van baan, beginnen een eigen bedrijf en leren daardoor de taal en de cultuur van hun nieuwe vaderland. Bovendien zorgt deze harde noodzaak voor hechte families en hechte etnische gemeenschappen waarin men elkaar ondersteunt.

In de VS worden zichtbare concentraties van allochtonen niet ervaren als een probleem, maar juist als iets positiefs. Uiteindelijk moeten al die immigranten, zeker die van de tweede en derde generatie, met de samenleving om hen heen en met andere etnische groepen in het Engels communiceren. En dat zal vanzelf gaan. Immigranten moeten vooral op hun eigen kring vertrouwen om te emanciperen. Het beleidsmatig spreiden van immigranten zou in de VS als complete nonsens worden ervaren. Wie vanuit de werkelijkheid van geconcentreerd wonen, probeert om de kinderen naar andere scholen te transporteren, kan van de ervaringen in de VS leren dat dat niet werkt.

Het algemene patroon is dat alle Amerikaanse etnische groepen in de loop van de tijd economische vooruitgang hebben geboekt. In de VS is vooruitgang zo normaal, dat mensen soms vergeten dat dit allesbehalve vanzelfsprekend is. Verder blijken alle groepen steeds meer politiek vertegenwoordigd te worden en daarmee invloed uit te oefenen. De levensduur gaat omhoog. Alle immigrantengroepen komen uiteindelijk met hun kerngetallen op het Amerikaanse gemiddelde terecht en dat geldt ook voor zwarten, die raciaal de meest belaste geschiedenis hebben.

Elke groep immigranten in de VS heeft problemen en belemmeringen gekend - zonder uitzondering. In veel gevallen echter waren die problemen en gevaren minder groot dan wat ze thuis hadden meegemaakt of hadden kunnen verwachten. Ze waren niet voor niets weggegaan. Tweede generatie kinderen bengelen misschien tussen twee culturen in, zeker als ze tegenwoordig zo gemakkelijk met the old country contact kunnen houden. Daardoor duurt het misschien wat langer, maar niet veel langer.

In veel grote steden is sprake van een historisch patroon van de ene etnische groep die de andere vervangt, in huizen, scholen, banen en ook in de politiek. Toen de Ieren naar Boston kwamen, vluchtten de Amerikanen die in de volkswijken woonden naar elders. Naarmate er meer Aziaten in Monterey Park kwamen wonen, verdwenen de andere bewoners. Ze hielden niet van de geurtjes in het portiek, de muziek, het ten, noem maar op.

Alles hangt af van het 'menselijk kapitaal' zoals economen en sociologen het noemen. Groepen die zonder geld in Amerika aankwamen, zijn snel opgeklommen als hun cultuur de waarden en het gedrag stimuleerde die belangrijk waren voor succes in een industriële en commerciële economie, zelfs als discriminatie een probleem was, zoals bij Chinezen en Japanners. Waarom hebben Chinezen de wasserijen en Koreanen de groentenzaken op Broadway? Het is niet moeilijk om zoiets te beginnen en het vergt weinig kapitaal. Waarom doen andere groepen het niet? Iedereen kan toetreden. De waarheid is dat ze gewoon harder werken dan ieder ander.

Maakt het verschil als ouders lezen, boeken hebben, kranten zien? Ja, natuurlijk, maar het is niet onoverkomelijk als ze dat niet doen. Japans-Amerikaanse gezinnen lazen niet en hun kinderen presteerden fantastisch op school. Volgens de zwarte socioloog Thomas Sowell was een van de grote politieke en wetgevende ondernemingen van de twintigste eeuw, de integratie van scholen, gebaseerd op de gedachte dat gemengde scholen van cruciaal belan

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden