Welke God maakt een mens nou homo?

De katholieke journalist Rex Brico begon als fanatieke evangelist en eindigde als agnost. In zijn autobiografie vertelt hij openhartig wat hem al die tijd gedreven heeft. Een pijnlijk verhaal.

Zijn galerijflat in Amsterdam-Noord grenst aan de snelweg. Hij mag dan een indrukwekkende staat van dienst hebben, Rex Brico (84) woont sober. Op het plaatje naast de bel staan twee namen. Brico deelt de flat met zijn pleegzoon Chico, die hij al dertig jaar onder zijn hoede heeft. Zijn autobiografie 'De odysee van een journalist' heeft Brico opgedragen aan Chico, een problematische jongen die voor hem zowel zorgenkind als oogappel is.

U noemt uzelf een fanatieke evangelist. Opmerkelijk, voor een katholiek.
"Mijn ouders hadden een zaak aan de P.C. Hooftstraat. Ministers waren er klant. Vanaf mijn vijftiende wist ik dat ik homoseksueel was. Ik hoorde hoe mijn ouders en hun klanten zich over homo's uitlieten. Ik kon niet tegen hen zeggen dat ik zo'n smeerlap was, zo'n perverseling, en heb gezwegen. Tien jaar lang, tot ik mijn eerste vriend kreeg. Toen ging het fout. In die tijd dacht ik: 'Dit kloteleven moet toch wel zin hebben'. Vanuit de pijn van de homoseksualiteit die werd afgewezen, ben ik op zoek gegaan naar de zin van het lijden en de zin van het leven. Zo ben ik een fanatieke evangelist geworden. Bij de Katholieke Actie (een door paus Pius XI in het leven geroepen beweging die tot doel had de secularisering van de samenleving tegen te gaan, red.) heb ik me enorm ingezet om in Amsterdam via parochies een netwerk van jongeren op te zetten en conferenties te organiseren. In het echte leven, buiten kerk en geloof, voelde ik me doodongelukkig. Ik had zelfhaat en haat tegen de samenleving."

En daar heeft de journalistiek van geprofiteerd, en de Katholieke Actie.
"Ja, ik had behoefte aan warmte, ik wilde geraakt worden. Als kind was ik ziekelijk, ik had longontsteking en ik was lelijk. Ik had nauwelijks vrienden. Bij de Katholieke Actie voelde ik me ergens bijhoren."

Toch bent u abrupt gestopt met uw inzet voor de Katholieke Actie.
"In 1953 kreeg ik een vriend, Brat, een Amerikaan. Dat ging na vier maanden uit en ik was zo kapot dat ik niets meer kon. Toen ik dat vertelde aan rector Hupperetz van de Katholieke Actie, sprak hij schande van mijn homoseksuele geaardheid. Ik ben toen de kerk gaan haten. Van 1953 tot 1967 heb ik God in de ijskast gezet."

Waardoor heeft u God weer uit de ijskast gehaald?
"In 1967 keerde ik terug uit Australië, waar ik bij de Daily Telegraph gewerkt had. Ik kon bij Elsevier aan de slag. Nadat ik daar de kunstredactie had opgezet, kreeg ik de opdracht om een verhaal over de dood te schrijven, als religieus thema. Net in die tijd kwam de dood ook in mijn persoonlijk leven, mede door de ziekte van mijn vader. Het trof me als een lotsbestemming. Ik kreeg van hoofdredacteur Ferry Hoogendijk de ruimte om me op mijn manier met kerk en samenleving bezig te houden. De theologie had in de jaren zestig veel achter zich gelaten, dat speelde ook mee. Met mijn verhalen in Elsevier kreeg ik veel reacties. Toen ik een keer in de Verenigde Staten paus Johannes Paulus II ontmoette, stelde ik me voor: Ik ben Rex Brico van Elsevier. De paus zei meteen dat hij Elsevier kende.

Toch is het bezoek van deze paus aan Nederland in 1985 voor mij de reden geweest om agnost te worden. Ik stond als verslaggever in Den Bosch op de Parade, waar zo weinig publiek was dat de paus uit zijn pausmobiel overstapte in een gewone auto. Ik besloot op dat moment dat dit het geloof niet is. God is alleen bedacht, al hebben we daaraan wel een visioen overgehouden, een visioen van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde."

Hoe kijkt u aan tegen de berichten over misbruik in katholieke instellingen. U heeft daar zelf ook gezeten. Iets gemerkt?
"In die tijd, de jaren veertig, was het onder jongens van het seminarie heel goed bekend dat er paters waren die op jongens vielen. We wisten ook wie. Als zo'n jongen bij de pater op de kamer ging biechten, stonden wij te gluren door het sleutelgat. Wat we zagen? Wat gestreel en geaai. Meer niet. Het viel wel op dat de paters de mooiste jongens uitkozen. Mij niet, ik was verkrampt en lelijk. Die seksuele contacten tussen paters en jongens hoeven niet altijd slecht of schadelijk te zijn, denk ik. Van sommige jongens die zulke contacten gehad hebben, hoor ik achteraf dat die pater de enige was die hun liefde gaf, die als een vader voor hen was. Ik heb in Wenen gezien dat kardinaal Frings, een prettige, energieke man, een relatie met een heterojongen had. Die jongen kreeg van hem een auto."

U schrijft dat u in 1953 in Wenen aan het conservatorium piano ging studeren en daar, na een mislukte zelfmoordpoging, elektroshocks kreeg. Dat was nadat u had gehoord dat uw vriend Brat een relatie met een vrouw had gekregen, uw buurmeisje zelfs.
"Ik was eenzaam en bang dat ik gestraft zou worden.''

Gestraft door wie?
"Door God."

Heeft u nooit gedacht dat God u zo geschapen heeft en dat het daarom goed is?
"Dat doe je een mens toch niet aan, hem zo maken?"

Het valt op dat u steeds met heteroseksuele mannen een relatie begon. Waarom toch deze vorm van zelfkwelling?
"Ik val niet op nichten. Ik viel altijd op sterke, introverte, koele, stoere heterojongens. Precies het omgekeerde van mezelf. Ik haatte mijn eigen lichaam. Door met zulke jongens een relatie te beginnen, annexeerde ik hun lichaam."

En hun heteroseksualiteit?
"Ja, zij vulden een lacune bij me op."

En nu, is die zelfhaat er nog steeds?
"Ik heb denk ik met zo'n honderd jongens het bed gedeeld. Nadat je honderd keer gekust en geliefkoosd bent, en je merkt dat ze het best lekker vinden met je, ga je positiever over jezelf denken. Maar ik heb sinds mijn vijftigste geen seks meer gehad."

Dat moet een opoffering zijn.
"Na de ontmoeting met Chico kreeg ik de behoefte een vader te zijn, of misschien eerder een moeder. Hij had het nodig dat iemand dat voor hem was. Ik heb toen een radicale beslissing genomen. Ik heb hem in huis genomen en daar pasten geen liefdesperikelen bij. Het is geen seksuele liefde die ik voor hem voel. Hij heeft veel problemen en zijn kind, dat ik in mijn boek mijn Portugese goudstuk noem, ook. Gedragsgestoord, blowen. Ik heb heel veel zorgen om die jongen, ben er voortdurend mee bezig."

Waarom hebt u dit nu allemaal opgeschreven?
"Huub Oosterhuis en zijn levenspartner Colet van der Ven, met wie ik goed bevriend ben, hebben mij ertoe aangezet. Hun idee was dat ik een alinea zou wijden aan mijn homoseksualiteit en de rest aan mijn werk als journalist. Al snel bleek dat me dat niet ging lukken. Nu is het om en om, per hoofdstuk. Ik heb een goed geheugen, en alles in een jaar geschreven. Het vervelende is alleen dat ik nu pas echt de pijn voel, meer dan vroeger. Ik heb vreselijke nachtmerries."

Rex Brico: De odyssee van een journalist. Uitgeverij Ten Have. ISBN 9789025901462; 376 blz. 22,95 euro

Rex Brico
De katholieke journalist Rex Brico (Amsterdam, 1928) zette zich als twintiger in voor de lekenbeweging Katholieke Actie. Na een afgebroken studie piano aan het conservatorium in Wenen ging hij midden jaren vijftig werken als redacteur bij de Daily Telegraph in Sydney. Vanaf 1967 was hij verbonden aan het weekblad Elsevier, waar hij redacteur werd op het gebied van religie. Brico schreef een boek over de oecumenische Taizé-gemeenschap in Frankrijk, ontmoette Moeder Teresa, paus Johannes Paulus II, aartsbisschop Desmond Tutu en Marga Klompé. Vanaf 1990 tot 2004 schreef hij columns in het Algemeen Dagblad.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden