Welke dieren komen in de hemel, en waarom

Dieren zijn geen prominente gasten in de oneindige ruimtes van de hemelse kosmologie. Volgens Thomas van Aquino, de belangrijkste theoloog van de Middeleeuwen, valt er voor planten en dieren niets te zoeken in de hemel, want zij hebben er ook niets verloren. Er bestaan wel uitzonderingen op deze regel. Zo laat de strenge Dominikaan en florentijnse boete-predikant en visionair Girolamo Savonarola (1452-1498), in zijn 'Kompendium van de openbaringen', een afwijkende mening toe: zijn paradijs wordt bevolkt door talrijke tamme dieren.

Maar het hemelrijk is in het algemeen geen beestenrijk. Hoewel het motief van schaap en herder een oerbijbelse metafoor is, kunnen herders wel, schapen niet in de hemel komen. In ieder geval vond er aan de hemelpoort een harde antropocentrische selectie plaats, tenminste aan de katholieke ingang. De reformator Luther, anders niet bepaald zachtzinnig, was hier milder gestemd. Uit een van zijn beroemde tafelreden het volgende citaat: “Jullie moeten het niet zo verstaan als of de hemel alleen uit lucht en zand zal zijn, maar alles wat er aan toe behoort, schapen, ossen, vee, vissen, zonder de welke de aarde en de hemel of de lucht niet kan zijn. (...) Er zullen mieren, wandluizen en alle vuile en vieze dieren zijn, maar als pure lust en ze ruiken er op de allerbeste.”

Dieren zijn volgens Luther blijkbaar in de hemel omwille van het vertier van de mens. Blijkbaar bestond de verdenking dat een hemels ennui, een post-morale verveling niet kon worden uitgesloten.

De aantrekkingskracht van een hemel zonder beesten is inderdaad gering. Daarom onderneemt de fantasie weliswaar door geen enkele orthodoxie gelegitimeerde, maar door de behoefte naar niet-menselijk (en niet-goddelijk) gezelschap gestimuleerde ontdekkingsreizen naar het hiernamaals. Zo ontstaan er wereldse beelden van het niet-wereldse, op het randje van de ketterij.

In de achttiende eeuw zag Emanuel Swedenborg, niet minder visionair dan Savonarola, vooral de kat in aanmerking komen voor een plaats in de hemel. Haar rehabilitatie in de hemel was een schadeloosstelling voor het gruwelijke onrecht dat haar op aarde was aangedaan. Katten representeerden eeuwenlang heksen en werden verbrand, verdronken en van kerktorens geworpen. (De echtgenoot van Swedenborgs vriendin, de baron Stjernerona, verscheen in een van zijn visioenen dan ook als kat, of beter, als kater.)

Waarom zouden er geen dieren in de hemel mogen, er is toch plaats genoeg daar? Ik geloof dat het met het mislukken van de schepping heeft te doen, in ieder geval met de zondeval.

Sedert de verdrijving van Adam en Eva uit de Hof van Eden heeft de slang een kwalijke naam, hij is het tegengoddelijke dier par excellence. Maar wat was nu eigenlijk het misdrijf waarvoor slang en mens moesten boeten? Na de zondeval wisten Adam en Eva plotseling iets wat ze voor hun uitzetting niet wisten, namelijk dat handelingen goed en slecht kunnen zijn. Van hun naaktheid hadden zij voordien geen weet, nu wel. Dit betekent dat het eerste mensenpaar uit een morele infantiliteit werd verstoten. Nu bevonden Adam en Eva zich in de ballingschap van de morele mondigheid.

Het is onvermijdelijk om de Hof van Eden als een paradijs voor ethisch onmondigen te zien. De Hof kende geen ambivalentie, tweesprongen, vrijheid. De slang is dus het symbool van de nieuw verworven vrijheid en een waarschuwing voor het feit dat ethisch handelen inhoudt dat er keuzes gemaakt moeten worden.

Betekent dit niet dat het christelijke slangen-ressentiment moet worden herroepen? In de heidense geneeskunde was de slang het symbool van gif én genezing, ja van gif als genezing. Heil is een ambivalente aangelegenheid.

Een even dubbelzinnige carrière kenmerkt de reeds genoemde kat. Een listig dier, uiterst zelfstandig, om niet te zeggen autonoom, hoewel levend in een mensengemeenschap. Katten zijn enerzijds intieme huisdieren, echte troetelwezens, maar toch werden zij eeuwenlang het slachtoffer van menselijk bijgeloof. Hun ultieme zelfstandigheid werd hen noodlottig. Juist omdat katten grenswezens zijn, dieren op de marge tussen cultuur en natuur, tussen onderwerping en autonomie, zijn ze onderhevig aan uiteenlopende voorstellingen van onze fantasie.

Komen ook katten in de hemel? En waarom?

In een kort gedicht van H.H. Ter Balkt vinden we een antwoord op onze vraag.

Uitlegging waarom een ouwe eenogige aan nierziekte gecrepeerde kat rechtstreeks naar de hemel gaat

Omdat een kat zeven levens heeft als een soldaat op weg naar Tipperary Omdat de hemel naar lichten reikhalst (En daar is altijd stromend water) Omdat katteogen sterren worden na hun dood, speciaal de irissen van eenogigen die zonnen worden met zeven planeten. Omdat ik later uit mijn zwart raampje opkijk naar 't kattevel van de nacht

Omdat 't anders bar leeg zou zijn in 't heelal.

Troost in de eenzaamheid, bescherming tegen de grote leegte, dat is waar de kat voor staat. De kattenogen die sterren worden na hun dood, geven licht in de eindeloze duisternis van het heelal. Maar ook in schemering van het eindige, kromme aardse bestaan zijn dieren signalen van troost, bakens van gezelschap voor eenzamen en droevigen. Verdienen deze troostbrengers niet iets meer van onze compassie? Achter de vraag naar de toegangseisen voor dieren in de hemel schuilt een andere, een veel praktischere vraag: de kwestie of dieren pijn ondervinden, dus lijdende wezens zijn. Want het paradijs was steeds een kuuroord waar compensatie verleend werd voor werelds afzien. Wanneer wij in onze fantasie een hemels bestiarium ontwerpen, dan projecteren wij in feite ons slechte geweten tegenover de dieren in een ethische oefenruimte.

Het dierenleed behoort vrijwel geheel tot de terra incognita van het Europese denken en waarnemen. Dieren nemen geen prominente plaats in in het ethisch discours en dat is een betreurenswaardige verwaarlozing. Maar waar wordt het dierenleed dan wel gethematiseerd? Dit gebeurt vooral in de literatuur, in de dichtkunst. Hier zien wij zelfs van een exercitium passionis, van een 'oefening om het lijden waar te nemen'.

In het jaar 1920 was Isaak Babel literaire verslaggever van de Russisch-Poolse oorlog. Hij maakte deel uit van het gevolg van de beroemde en beruchte rode cavalerie van kozakkengeneraal Budennyj. In staccato proza heeft Babel, vooral in 'De rode ruiterij' (1924) maar ook in zijn dagboeken, de onvoorstelbare verwoestingen van deze vergeten oorlog beschreven. Naast de vele menselijke tragedies waarvan hij verslag deed, wilde Babel niet voorbijgaan aan het bloedbad aangericht onder de dieren; niet alleen paarden werden gewond en stierven.

“Naast een van de hutten - een neergestoken koe die voor 't eerst had gekalfd. De blauwige uier op de grond, de pure huid. Onbeschrijfelijke ellende! Ze hebben een jonge moeder gedood!”

Deze klacht is niet afkomstig van een huilerige overgeciviliseerde bourgeois die zijn verveling wil compenseren. Integendeel, Babel ervaart de oorlog als oorlog tegen alle schepselen. Uit een andere crisissituatie is de fictieve brief afkomstig van Lord Chandos aan Francis Bacon door Hugo von Hofmanns-thal:

“Zo had ik onlangs opdracht gegeven om in de melkkelder van een van mijn bedrijven rattengif te strooien. Tegen de avond reed ik uit en dacht niet verder aan die zaak, zoals u wel vermoeden kunt. Toen, terwijl ik rustig over de diep omgeploegde akker draafde, met niets verontrustenders in mij omgeving dan een opgeschrikt nest kwartels en in de verte de grote zon die onderging boven de gewillige akkers, doemde in mijn binnenste opeens die kelder op, vervuld van de doodstrijd van dit rattenvolk. Aan alles dacht ik: aan de kille, bedompte lucht vermengd met de scherpe, zoete geur van het gif, aan het snerpen van de doodskreten die stuklopen op de muffe muren, aan deze in elkaar verwarde krampen van onmacht, aan de dooreenjagende wanhoop, aan het waanzinnig zoeken naar uitgangen, aan de koude blik van woede als twee elkaar tegenkomen voor de dichtgestopte kieren (...) Er was een moeder bij, haar stuiptrekkende jongen, die niet naar de onverbiddelijke stenen muren haar blik richtte, maar naar de lege lucht, door de lucht heen tot in het oneindige keek en dit kijken begeleidde met knarstanden. Als er een dienende slaaf, huiverend van onmacht in de nabijheid van de verstarde Niobe heeft gestaan, dan heeft hij dat doorgemaakt wat ik doormaakte toen de ziel van dit dier haar tanden liet zien aan het verschrikkelijk lot.”

Hofmannsthal schrikt er niet voor terug om moeder-kind-metaforiek toe te passen op de doodstrijd van de ratten. Doordat de scheidslijn tussen de dieren- en de mensenwereld vager wordt, is er compassie mogelijk, zowel voor dieren als voor mensen.

Kinderen oefenen zich vaak in sociaal gedrag via de tedere, en soms ook wrede, omgang met dieren. Dieren koesterend signaleren ze ontluikende gevoelens van zachtmoedigheid en liefde voor andere mensen. De begrafenisrituelen omtrent de dood van kleine vogels of konijntjes zijn in een zekere zin oefeningen voor later, anticipaties van de vele afscheiden die het leven lang nog op hun pad zullen komen. Maar het steeds wederkerende thema van de inter-speciesrelatie is volgens mij de onuitputtelijke bron van troost, die dieren voor mensen betekenen.

Liefde en haat, jaloezie en vriendschap, droefheid en vreugde, intussen weten wij dat dieren over een scala van gevoelens beschikken die wij tot voor kort voor mensen reserveerden. Omdat dit zo is worden onze gevoelens door dieren ook werkelijk beantwoord. Het is niet alleen een projectie of een magere compensatie voor ontbrekende humane liefde, wat dieren in ons teweegbrengen. Soms leren wij meer over onszelf, wanneer wij naar dieren kijken en niet naar mensen. Af en toe is het zelfs beter om ons niet met dieren te vergelijken - ter bescherming van hun eer. Is de beroemde spreuk “de mens is voor de mens een wolf” niet een belediging voor de wolven?

Ondanks het schrijnende onrecht dat wij dieren aandoen, houden ze er niet mee op ons te troosten. Ze laten het toe dat wij onze droefheid in hun droefheid willen verzachten.

Het leven en de tv

Nee nee, het leven valt niet mee. Dat zag ik in twee minuten op de tv. Daar stond in een lage mist dagenlang een moeder olifant naast haar doodgeboren kind.

Daar stond nachtenlang die Moeder Olifant op een wonder te wachten.

Toen pas keerde ze zich af en sukkelde in trage draf haar kudde achterna.

Ik had hier in de stille straat een huis voor haar moeten bouwen. We hebben hier ook dergelijke vrouwen. Een geweldig tv-apparaat waar ze desnoods met een biertje naar zouden kijken allemaal maar niet naar de casette van haar traag, ja tragische verhaal.

Onzin. Maar wel had ik haar graag gezegd: 'Het leven blijft altijd een heksendans van schijnbaar kans en scheve rechtvaardigheid,

liefste' dat had ik graag gezegd en mijn hand heel even op haar hete slurf gelegd.

Leo Vroman

Een wereld zonder de permanente aanwezigheid van troostende en beminnende dieren zou zelfs geen halve wereld meer zijn. Zelfs voor wie de arrogante metafoor van de kroon van de schepping nog antropologische geldigheid bezit, kan zich niet onttrekken aan het inzicht dat ook koningen maar wezens van vlees en rood bloed zijn, onderhevig aan een bestaansdroefheid waartegen alleen dieren ons kunnen beschermen.

Troostvogel

Wanneer je soms iets naars beleeft Je niet mag uitgaan door de regen Of slaande ruzie hebt gekregen Met iemand waar je veel om geeft

Als speelgoed door een mankement Niet meer zo leuk als tevoren Je kwartje ergens is verloren Kortom, als je verdrietig bent

Dan komt de vogel met een lied Je hoort hem, maar je ziet hem niet En als hij voor je heeft gezongen Dan vliegt hij weg met jouw verdriet

Zolang er kinderen bestaan Is hij ze altijd komen troosten In Doesburg of in 't Verre Oosten Of waar hij ook naar toe moest gaan

de vogel is in al die tijd Nog nooit beschreven of geschilderd Of hij beeldschoon of erg verwilderd? Daarover heerst onzekerheid In elk geval, hij meent het goed Hoewel door alles wat hij doet Je kans hebt dat je noodgedwongen Een tijdje op hem wachten moet

Dan komt de vogel met een lied Je hoort hem, maar je ziet hem niet En als hij voor je heeft gezongen Dan vliegt hij weg met jouw verdriet.

drs P

Uit de verhalenbundel van Carl Friedman 'De grauwe minnaar' (1996) komt het volgende prachtige troostverhaal. Na de dood van zijn vrouw begint de stokoude Gersjom te verwaarlozen. Nadat men hem in een toestand van ontreddering heeft gevonden, overlegt de dorpsgemeenschap hoe het nu verder moet. Uiteindelijk vindt hij onderdak bij de wrek Sam Petscher en diens vrouw Rechel. Tussen Gersjom en de ezel van Petschers ontstaat een hechte vriendschap. Wat hem door mensen wordt geweigerd, krijgt de oude man van het dier. 's Nachts beweegt de ezel zijn tong over het koude gezicht van Gersjom 'alsof hij zout likte van een steen.' In een droom verschijnt Gersjoms vrouw Hanna. Zij bevindt zich in de Hof van Eden.

“'Zijn er ook ezels in de Hof van Eden?', vroeg Gersjom fluisterend, bang dat Sam en Rechel hem zouden horen. En Hanna, zonder haar lippen te bewegen, antwoordde: 'Er zijn ezels en schapen, kippen en honden, mussen en kevers, net als hier. Op de Dag des Oordeels getuigen ze tegen de mensen. Tegen ieder die een nest jonge katten heeft verdronken, ieder die zijn paard onnodig vaak de sporen heeft gegeven of welk dier dan ook heeft gepijnigd, leggen ze een verklaring af.' 'Maar waarom heb ik dan, toen ik van de Hof van Eden droomde, geen dieren gezien?' 'Omdat je, zoals de meeste mensen, verblind werd door de majesteit van de Messias', sprak Hanna. 'Volgende keer beter opletten.'

Gersjom en de ezel troosten elkaar om de mishandelingen die ze in het huis van Sam en Rechel ondergaan. Terwijl de oude man zijn totale verlatenheid en zijn bijna komische eenzaamheid aan de natte neus en het warme vel van het dier kan vergeten, laat de ezel zich strelen en zijn wonden verzorgen, die hem door Sam met een ijzeren staaf zijn toegebracht. Zij delen een gemeenschappelijke lot, beide zijn randfiguren. Maar de ezel heeft zelfs een symbolische betekenis. Hij figureert als een levendige memoria passionis van het Volk van Israël.

“Toen besloot Gersjom het dier een naam te geven. Hij noemde het Menachem: hij die troost.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden