Welk inzicht uit uw vakgebied helpt ons?

Maandag verschijnt 'Dit wil je weten', een boek waarin 93 denkende Nederlanders een vraag beantwoorden van Paulien Cornelisse. Letter&Geest publiceert dit voorproefje.

Beste denkers, wetenschappers, en mensen die de wereld beter begrijpen dan ik,

Welk inzicht uit uw vakgebied kan anderen helpen in het dagelijks leven? Ik realiseer me dat deze vraag misschien een beetje irritant overkomt. Stel, u doet theoretische natuurkunde, dan moet u waarschijnlijk op menige verjaardag antwoord geven op de schamperende vraag: "En wat hebben wíj daaraan?" En misschienkomt er dan ook nog iemand om de hoek met "van onze belastingcenten".

Zo is mijn vraag dus niet bedoeld. Waar ik meer in geïnteresseerd ben, zijn specifieke inzichten uit uw vakgebied die u ook als nuttig ervaart in het dagelijks leven.

Dit kan een inzicht zijn dat rechtstreeks toepasbaar is, maar het kan ook zijn dat u een onverwachte parallel ziet tussen een inzicht uit uw vakgebied en een situatie in het dagelijks leven. Hoe specifieker hoe beter.

Ik zou het heel leuk vinden als u minstens één keer het woord 'ik' wilt gebruiken en iets uit uw persoonlijke leven in uw antwoord wilt verwerken.

Ik kijk uit naar uw antwoord in honderdvoud,

Met vriendelijke groet,

Paulien Cornelisse

Historicus; redacteur van De Correspondent; auteur van 'De geschiedenis van de vooruitgang' (2013) en 'Gratis geld voor iedereen. En nog vijf grote ideeën die de wereld kunnen veranderen' (2014)

Als de geschiedenis één les bevat die het leven aan het begin van de eenentwintigste eeuw een beetje aangenamer kan maken, dan is het deze: vroeger was het allemaal nog veel erger. We hebben er doorgaans geen flauw benul van hoeveel gezonder, veiliger, rijker, beschaafder en vredelievender we zijn geworden in de afgelopen honderd jaar.

Neem onze gezondheid. De levensverwachting stijgt bijna overal ter wereld, pokken, polio en mazelen zijn zo goed als uitgeroeid en kindersterfte en honger zijn op hun retour. De gemiddelde burger leeft nu twee keer zo lang als de gemiddelde inwoner van het rijkste land in 1850, en de extreme armoede is wereldwijd afgenomen van 80 procent in 1820 naar 50 procent in 1980 en minder dan 20 procent nu. Dat wil zeggen: een zwerver in Nederland is tegenwoordig even rijk als een modale Nederlander in 1950 en drie keer zo rijk als een modale burger tijdens die zogenaamde Gouden Eeuw. Gecorrigeerd naar inflatie.

En trouwens, volgens het Peace Research Institute in Oslo is het aantal oorlogsslachtoffers met maar liefst 90 procent afgenomen sinds 1946. Ons moordcijfer ligt dertig keer lager dan in de Middeleeuwen en de criminaliteit daalt ook al jaren. Verder is het homohuwelijk in opmars, zien we een wereldwijde, razendsnelle emancipatie van de vrouw en is het aantal democratieën geëxplodeerd sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog. En zo kan ik nog wel even doorgaan.

Maar de vraag is natuurlijk: wat hebben we aan deze kennis in ons dagelijks leven? Moeten we dankbaar zijn voor het immense geluk dat we hier en nu zijn geboren, in het rijke Nederland aan het begin van de eenentwintigste eeuw? Mogen we optimistisch zijn, of in ieder geval strijdbaar, als het gaat over de toekomst van ons land en de rest van de mensheid? Of kunnen we de media en de dagelijkse toevloed van slecht, slechter, slechtst nieuws wat minder serieus nemen?

Het antwoord is drie keer ja. Als de geschiedbeoefening ons ergens bij kan helpen, dan is het relativeren. Geschiedenis is een wetenschap met zelfspot. En zelfspot is cruciaal, in ieder mensenleven. Het helpt ons om onze gezamenlijke rampen (crisis, verloedering, teloorgang) te verwerken en onze persoonlijke rampen (ontslagen, beroofd, ziek) in een breder perspectief te plaatsen.

In het publieke debat vervult het verleden helaas de tegenovergestelde functie. Het gebeurt maar al te vaak dat een probleem wordt aangewezen waarna bijna automatisch, in stilte, wordt aangenomen dat het vroeger beter was. Moord hier, faillissement daar - en ach, die goeie ouwe tijd. Maar in negen van de tien gevallen was het vroeger niet beter. Vaak was het net zo slecht. Of nog slechter.

Toch denk ik dat de historicus ons gemoed nog meer kan bieden dan de relativering alleen. Waar de geschiedbeoefening ook bij kan helpen, is het stimuleren van onze verbeeldingskracht. En dat is broodnodig. Het huidige politieke landschap is zo vlak als onze polder. Kiezers zweven omdat partijen zo op elkaar zijn gaan lijken, terwijl we - hoe welvarend ook - voor een aantal wereldhistorische uitdagingen staan. Denk aan de explosie van ongelijkheid en de razendsnelle verandering van ons klimaat. Het zijn grote problemen die grote oplossingen vergen, en dus ook een grote verbeeldingskracht, maar helaas is het tijdperk van de grote verhalen voorbij.

Als er al fundamentele alternatieven worden geschetst, dan laten we dat meestal over aan de salonfilosofen in de ivoren toren van de academie. Uit hun modellen en abstracties komen mooie ideeën, maar die worden al snel afgedaan als hersenschimmen en luchtkastelen. Het is mijn stellige overtuiging dat het bieden van alternatieven de belangrijkste taak van de intellectueel is. De intellectueel moet laten zien dat het anders kan - dat ideeën de wereld kunnen veranderen.

Laat nu juist de geschiedbeoefening daar bij uitstek geschikt voor zijn. De historicus kan verhalen vertellen over hoe het vroeger daadwerkelijk anders is gegaan, hoe de huidige inrichting van de arbeidsmarkt, sociale zekerheid en de democratie niet vanzelfsprekend zijn, hoe utopieën als de kortere werkweek (voor de industriële revolutie werkten we veel minder) of het basisinkomen (waar uitgebreid en succesvol mee is geëxperimenteerd) in het verleden hebben uitgepakt.

Het verleden leert ons een eenvoudige waarheid, die toch allang niet meer vanzelfsprekend is. Het kan anders. En misschien ook nog wel beter, maar vanzelfsprekend is dat niet. Want als historici ergens niet in geloven, dan zijn het wel die zogenaamde 'wetten van de geschiedenis'. Het verleden leert ons van alles over het hier en nu, maar over de dag van morgen is de historicus bescheidener dan welke wetenschapper ook. De toekomst, zo weet hij immers, die maken we zelf.

Wie met de tijdgeest huwt, wordt snel weduwnaar

Fractievoorzitter D66 Tweede Kamer; kunsthistoricus en voormalig veilingmeester; auteur van Henk, Ingrid en Alexander (2012)

Ik zie mezelf nog zitten. Het was de laatste avond voor het reces in de zomer van 2008. Traditiegetrouw werkt de Kamer dan een lange lijst stemmingen af over allerlei uiteenlopende voorstellen.

Een van die voorstellen hadden we zelf ingediend. We vonden dat het kabinet de pensioengerechtigde leeftijd moest verhogen van 65 naar 67 jaar. Immers, we worden gemiddeld steeds ouder en leven langer in goede gezondheid.

Helaas was nog niet iedereen van dat idee overtuigd. Bij de stemming over ons voorstel keek ik eens goed om me heen. D66 was toen een kleine partij, door onszelf 'een overzichtelijke fractie' genoemd. Boris van der Ham, Fatma Ko¿er Kaya en ikzelf zaten midden in een van de zes 'taartpunten' met blauwe stoelen in de plenaire zaal van de Tweede Kamer.

Behalve onze drie handen was er welgeteld één ander Kamerlid dat voor ons plan stemde. Rita Verdonk.

Ik was even van m'n stuk gebracht. Als 146 verstandige collega's tegen jouw plan stemmen, ga je wel even twijfelen. Was het dan echt zo'n slecht idee? Of was het gewoon niet het juiste moment?

De tijd leerde me dat dat laatste het geval was. Toen in het voorjaar van 2012 het kabinet viel en de Kamer de opdracht kreeg een begroting te maken, bleek de politieke bodem een stuk vruchtbaarder. De geleidelijke verhoging van de AOW-leeftijd naar 67 jaar is sindsdien een feit.

Wat heb ik van deze casus geleerd? Versta de tijdgeest, maar verbind je er niet aan. Het verwezenlijken van je idealen lukt alleen als je trouw blijft aan die idealen. Ik ben nu acht jaar fractievoorzitter van D66 in de Tweede Kamer. Hoeveel voorstellen van ons zijn er in die jaren niet weggestemd? Ik heb moeten leren met die tegenslagen om te gaan. Een tegenstem hoeft niet te betekenen dat je idee niet deugt. Politiek is een proces van de lange adem.

Op de schouw in mijn werkkamer aan het Binnenhof staat een beeldje van Winston Churchill. Ik kocht het ooit op de Haagse Antiekmarkt. De koopman vroeg er 20 euro voor, maar voor een tientje mocht ik 'm ook hebben. Nog geen jaar na de Tweede Wereldoorlog betoogde Churchill in het Zwitserse Zürich dat een Frans-Duits partnerschap de eerste stap moest worden op weg naar één Europese familie.

In die tijd was dat zeker geen populaire boodschap. De kruitdampen van de strijd waren nauwelijks opgetrokken. Duitsland werd door zijn voormalige vijanden - Frankrijk voorop - nog steeds als bedreiging gezien. Maar Churchill voorzag niettemin de kracht van een verenigd Europa.

In de halve eeuw die daarop volgde, kreeg de Europese samenwerking steeds meer vorm. Het basale gevoel van 'nie wieder Krieg' inspireerde veel Europeanen niet alleen tot opbouw van hun eigen land, maar ook tot opbouw van het continent. Tot vergaande samenwerking.

De les van Churchill? Wees bestand tegen de tijdgeest. Of beter nog: durf ertegen in te gaan.

Hoogleraar Experimentele Economie aan de Universiteit van Amsterdam; medeoprichter onderzoekscentrum Creed; auteur van tientallen wetenschappelijke publicaties.

'Gedane zaken nemen geen keer'; 'water under the bridge'; 'à chose faite point de remède'; 'geschehen ist geschehen'. Verschillende talen hebben hun eigen uitdrukkingen om te beschrijven dat het verleden voorbij is en beslissingen toekomstgericht moeten zijn. In de economie is dit geformaliseerd in een concept dat sunk costs heet. Dit is een belangrijk begrip in de theorie over het gedrag van producenten. Jarenlang heb ik dit begrip aan eerstejaarsstudenten in hun eerste college uitgelegd.

In het dagelijkse leven laten veel mensen gedane zaken toch meewegen in hun beslissingen. Hebt u weleens een van de volgende (of soortgelijke) gedachten gehad? 'Ik heb voor deze maaltijd betaald, dus ik zal hem maar opeten' (met een volle maag); 'Ik ben al zo lang samen met mijn partner, ik wil nu niet meer uit elkaar gaan' (ook al is er elke dag ruzie); 'Ik heb een duur trainingsprogramma gevolgd om deze baan te kunnen doen, dus ik blijf' (ook al is mijn werk verschrikkelijk); of 'Laten we naar het theater gaan, we hebben de kaartjes al gekocht' (al heb ik helemaal geen zin om te gaan).

Zo ja, dan bent u ten prooi gevallen aan de sunk cost fallacy.

'Sunk costs' zijn kosten die in het verleden zijn gemaakt en die niet ongedaan kunnen worden gemaakt. De kern van de theorie is dat deze kosten geen rol mogen spelen in beslissingen over de toekomst. Stel dat een groot bedrijf al 10 miljoen euro heeft geïnvesteerd in het ontwikkelen van een nieuw product, maar zonder succes. Nu moet er opnieuw worden besloten of er 1 miljoen in wordt geïnvesteerd. Bij deze beslissing moeten eerst de mogelijke opbrengsten worden ingeschat. Deze bestaan uit de kans op succesvolle ontwikkeling van het product en de opbrengsten indien succesvol. Deze opbrengsten moeten worden afgewogen tegen het bedrag dat nu wordt geïnvesteerd (1 miljoen). De eerdere geïnvesteerde 10 miljoen doen er volgens de theorie van de sunk costs niet toe. Die kosten zijn immers gemaakt, ongeacht of men nu wel of niet opnieuw investeert. Ze hebben ook geen invloed op de mogelijke opbrengsten. Ze zijn 'verzonken'.

Of mensen ten prooi vallen aan de sunk cost fallacy is in een mooi experiment getest. De psychologen Arkes en Blumer deden dit in 1982 bij het theater van de universiteit van Ohio. Van de mensen die een seizoenkaart kochten, kreeg een deel nadat ze dit hadden besloten onverwacht een korting op de prijs. Mensen die een korting hadden gekregen, bleken minder vaak naar het theater te gaan dan degenen die de volle prijs hadden betaald. De mensen zonder korting lieten blijkbaar de (verzonken) kosten van aankoop een rol spelen bij de beslissing om al dan niet te gaan.

Zelf probeer ik in het dagelijkse leven bedacht te zijn op dergelijke kosten. Ik eet mijn bord alleen leeg als ik trek heb; ik blijf bij mijn partner omdat ik een zonnige toekomst samen zie; ik blijf bij de Universiteit van Amsterdam omdat mijn werk leuk is; en ondanks mijn seizoenkaart sla ik een wedstrijd van Ajax over als ik liever iets anders doe.

Maar soms gaat het nog mis. Onlangs hadden mijn vrouw en ik kaartjes voor een tennistoernooi in Barcelona (waar we toen woonden). Deze hadden we maanden van tevoren gekocht. Op de dag dat het toernooi plaatsvond, hadden we eigenlijk meer zin om door de stad te wandelen. We gingen toch, omdat we de kaartjes nu eenmaal hadden. Ik betwijfel of we zouden zijn gegaan als we de kaartjes gratis hadden gekregen.

Dit wil je weten. Wetenschappers, ondernemers en kunstenaars geven adviezen voor het dagelijks leven. Maven Publishing; 280 blz euro 19,50

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden