Welk doel heiligt de middelen van het IRT?

De auteur is advocaat en universitair docent bij de Advocatenpraktijk Rijksuniversiteit Limburg te Maastricht.

TARU SPRONKEN

Nadere lezing van het rapport geeft echter aanleiding tot twijfel over de vraag of de commissie terecht haar kritiek uitsluitend richt op deze personen en diegenen die de vermeende misstanden bij het IRT hebben aangekaart: IRT-teamleider Van Kastel en commissaris van Riessen van de Amsterdamse politie.

Nadat het IRT, volgens berichten in de pers, in december 1993 werd opgeheven omdat er een ongeoorloofde werkmethode zou zijn gehanteerd, heeft heel strafrechtelijk Nederland reikhalzend uitgekeken naar het onderzoek van de commissie-Wierenga. Helaas geeft het rapport over de gewraakte werkmethode geen opening van zaken. Uit vrees - als zeer geheim geclassificeerde - gegevens te openbaren, zijn zoveel 'details' weggelaten dat uit de bespreking van de werkmethodiek niet op te maken valt waar het eigenlijk om gaat. Bovendien is de conclusie van de commissie tweeslachtig. Na te hebben vastgesteld dat de werkmethodiek op een weloverwogen en zorgvuldige wijze is toegepast, vervolgt de commissie: “Over de toepassing van een methodiek als de onderhavige, zowel in het algemeen als in concrete gevallen, blijven verschillen van inzicht mogelijk. Het oordeel daarover komt uiteraard toe aan het openbaar ministerie”.

Wat deed het IRT nu eigenlijk? UIt het rapport blijkt dat vanaf 1987 plannen zijn ontstaan voor de vorming van speciale teams, die een van de reguliere politiekorpsen afgeschermde positie hadden. De grond voor het oprichten van speciale teams was dat de overheid onvoldoende inzicht had in de aard, omvang en ernst van de georganiseerde criminaliteit. In deze fase ontstonden al conflicten tussen politie en openbaar ministerie, omdat de politie naar de mening van het openbaar ministerie het beleid dicteerde terwijl het omgekeerd zou moeten zijn.

Bij het IRT werd een nieuwe benadering gekozen waarmee de georganiseerde criminaliteit in kaart zou moeten worden gebracht: “men wilde niet langer gepleegde strafbare feiten tot object van het opsporingsonderzoek nemen, maar het criminele samenwerkingsverband of de criminele organisatie die zich bezig houdt met activiteiten op het gebied van de zware georganiseerde criminaliteit”. En om deze organisaties in kaart te brengen werd er gebruik gemaakt van criminele informanten. Aan deze informanten moest uiteraard anonimiteit worden gegarandeerd en daarom werd alle informatie strikt geheim gehouden, zowel naar de buitenwereld toe als binnen het team.

Infiltranten

Uit de gegevens die de commissie heeft verzameld blijkt, dat het niet bij het gebruik maken van informanten gebleven is, maar dat deze informanten gaandeweg infiltranten werden, die actief betrokken raakten bij de handel in drugs. Dit is een wezenlijk verschil: een informant geeft informatie door aan de politie, een infiltrant verricht handelingen in opdracht van de politie. Bij actief optreden van een infiltrant ligt gevaar van uitlokking van strafbare handelingen door jusititie op de loer. Vandaar dat infiltratie gebonden is aan strikte richtlijnen: er mag niet worden uitgelokt tot strafbaar handelen, infiltratie mag pas plaatsvinden na goedkeuring door het openbaar ministerie onder regie van de recherchechef, infiltratie mag alleen als uiterste middel worden ingezet en moet in verhouding staan tot de ernst van de op te sporen strafbare feiten. Bovendien is infiltratie een opsporingsmethode: er moeten concrete aanwijzingen zijn over gepleegde of nog te plegen strafbare feiten. Het is niet geoorloofd infiltratie toe te passen om informatie sec te verzamelen.

Uit het rapport van de commissie blijkt dat belangrijke verantwoordelijken zoals de IRT-teamleider Van Kastel niet of mondjesmaat door het IRT-team werden geinformeerd over waar het team zich mee bezighield. Dit gebeurde niet omdat Van Kastel niet geinteresseerd was, maar omdat hem deze informatie eenvoudigweg niet gegeven werd. Uit de verklaring van CID-chef en IRT-lid Augusteijn blijkt dat hij weliswaar nauw overleg voerde met de officier van justitie Cappelle, maar dat hij weinig animo had Van Kastel te informeren: “U vraagt naar mijn reactie op Van Kastels opmerking dat er niet gemakkelijk wijs te worden was uit de CID-administratie, omdat die een chaos was. Ik weet wel waar dat op slaat. Op een gegeven moment heb ik hem stukje bij beetje verteld wat er bij ons speelde. Dat had hij niet een twee drie door. En toen hij het wel door had, zei hij op een gegeven moment tegen mij dat hij daarvoor geen verantwoordelijkheid kon nemen. Ik antwoordde hem dat hij zomaar niet in zijn eentje kon beslissen dat het dan zou stoppen. Van informatie wist hij toen nog niets af (!-TS)”.

Ook uit andere verklaringen blijkt dat het IRT niet bereid was aan andere direct verantwoordelijken binnen de politie informatie te verstrekken over wat er gaande was. Het is zeer de vraag of Van Kastel, nadat hij over de omstreden werkmethode een hooglopend conflict had met de officier van justitie Cappelle, nog een andere weg openstond dan zijn bezorgdheid aan zijn directe chef Van Riessen te melden.

Grote vraagtekens kunnen worden gezet bij de conclusie van de commissie over de vraag of de methodiek in casu juist is toegepast. Na de melding van Van Kastel aan Van Riessen zijn de hoofdofficier en de procureur-generaal geinformeerd, die op hun beurt de burgemeester en de betrokken ministers Dales en Hirsch Ballin op de hoogte hebben gesteld. Zo Van Kastel zijn melding al gebaseerd zou hebben op onvolledige informatie, uit het rapport van de commissie blijkt niet dat er ook daarna over de werkmethode zelf onduidelijkheid is blijven bestaan bij alle verantwoordelijke betrokkenen.

Wel bestonden kennelijk binnen het openbaar ministerie grote meningsverschillen over de geoorloofdheid van de werkmethode. Illustratief daarvoor is wat advocaat- generaal Behling (gerechtshof Amsterdam) daarover aan de commissie verklaart: “Ik heb er tegenover mijn eigen procureur-generaal, de heer Vrakking, en de heer Van Riessen geen twijfel over laten bestaan dat naar mijn mening de methode toelaatbaar is en hoort te zijn (...) Ze kunnen allemaal zeggen dat het ontoelaatbaar is, maar dan moet er een formeel bevel komen dat je dat niet mag doen. Er is dus niet op voorhand over deze methodiek geconsulteerd, pas naderhand is dat gebeurd.”

Uiteindelijk waren de betrokken bewindslieden het er over eens dat de methode ontoelaatbaar was. Als men naar de richtlijnen kijkt is het standpunt dat de methode niet deugt ook niet verwonderlijk, nog afgezien van de vraag wat er zich nu werkelijk heeft afgespeeld. Een strikte voorwaarde voor het inzetten van een infiltrant is dat er aan de directe chef (in casu Van Kastel) informatie, die voor een goede afweging van alle belangen noodzakelijk is niet mag worden onthouden. Bovendien kunnen er vraagtekens worden gezet bij het inzetten van infiltranten door een organisatie die primair gericht is op het vergaren van informatie. Het is dan ook een raadsel waarop de commissie haar oordeel, dat de methode conform de richtlijnen is toegepast, baseert.

Gekonkel

Op basis van de in het rapport weergegeven gegevens kan zeer wel de conclusie worden getrokken dat het IRT ten onder is gegaan aan zowel bestuurlijk gekonkel als aan het gebrek aan controle door de direct verantwoordelijke justitiele instanties, als ook aan het hanteren van werkmethodes waarover binnen justitie kennelijk geen overeenstemming bestaat. Het is dan ook de vraag of het terecht is, dat er uitsluitend een beschuldigende vinger wordt opgeheven naar diegenen van het Amsterdamse korps die de moed hebben gehad enig licht te brengen in de duisternis waarin ongecontroleerde politie-eenheden in het diepste geheim opereren.

De wijze waarop misdaad wordt bestreden en de middelen die daarbij gebruikt mogen worden gaan ons allen aan. Er zou dan ook in de Tweede Kamer niet gedebatteerd moeten worden over wiens schuld het is dat het IRT is opgeheven. Het zou zinvoller zijn te debatteren over de vraag of we wel IRT's willen hebben die opsporingsmethoden hanteren, waarvan in de praktijk gebleken is dat ze moeilijk controleerbaar en stuurbaar zijn. Of we wel een strafrechtspleging willen waarin geheime onderzoeken plaatsvinden die nauwelijks door de rechterlijke autoriteiten en de verdediging getoetst kunnen worden, zodat in feite de politie uitmaakt wie er veroordeeld wordt.

En of we vinden dat het gerechtvaardigd is dat onder verantwoordelijkheid van de overheid door (politie-)infiltranten strafbare feiten worden opgespoord door middel van het plegen van dezelfde strafbare feiten. Waar is het doel dat deze middelen heiligt?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden