Wel scheiding kerk en staat, geen geheel verbroken relatie

Pragmatisme, zakelijkheid en no-nonsense denken winnen het te vaak van het besef dat zingeving belangrijk is voor mens en samenleving. Dit stelde het Interkerkelijk contact in overheidszaken (CIO) in de vorige week uitgebrachte brochure 'De identiteit van instellingen in de samenleving'. Al te vaak blijkt de godsdienstige identiteit het kind van de rekening bij fusies van maatschappelijke instellingen, aldus het CIO. Godsdienstsocioloog Gerard Dekker gaat dieper in op de vraag in hoeverre godsdienst en levensbeschouwing van belang zijn in het publieke leven. Richard John Neuhaus, The Naked Public Square - Religion and Democracy in America, Grand Rapids, (Eerdmans Publishing Co); Stephen L. Carter, The Culture of Disbelief- How American Law and Politics Trivialize Religious Devotion, New York, (Doubleday); Carl H. Esbeck, A Typology of Church-State Relations in Current American Thought, in Luis E. Lugo (ed.), Religion, Public Life, and the American Polity, Knoxville, (University of Tennessee Press).

GERARD DEKKER

Voorzover dit laatste waar is zijn er geen problemen met een strikte scheiding tussen kerk en staat; dan mag men streven naar een volledig seculier publiek leven. Maar als godsdienst en levensbeschouwing ook van belang zijn voor het publieke leven, voor de politiek en voor de samenleving - ook al is dat maar bij een deel van de bevolking het geval - dan kan men zich afvragen of een strikte scheiding tussen kerk en staat wel de geëigende constructie is. Met name als dit impliceert dat politiek of overheid de godsdienst van geen belang meer acht.

Maar is dit laatste inherent aan een scheiding tussen kerk en staat? Hoe kan men, ondanks zo'n scheiding, godsdienst toch nog waarderen? Voor die vraag komen we in Nederland onherroepelijk, zolang er groeperingen zijn die gewicht hechten aan godsdienst, ook in het publieke leven.

Wellicht valt hier te leren van de Verenigde Staten. Daar streeft men een strikte scheiding tussen kerk en staat na, ondanks het feit dat er een bloeiend godsdienstig leven is en dat talloze levensbeschouwelijke instellingen hun levensbeschouwing ook voor het publieke leven van belang vinden. Geen wonder dus dat deze problematiek daar regelmatig aan de orde komt.

Telkens houden godsdienstige groeperingen en instellingen zich daar bezig met zaken die in de politiek en de samenleving een rol spelen (zoals de vragen rond de beëindiging van leven, het onderwijs, de inrichting van het economisch leven en de doodstraf). Het opmerkelijke feit doet zich overigens voor dat dit in de jaren zestig en zeventig vooral meer oecumenisch georiënteerde godsdienstige groeperingen waren en nu de meer orthodoxe groeperingen. Een verschuiving die zich ook in Nederland heeft voorgedaan. De groeperingen waarvan altijd gezegd werd en wordt dat zij zich uitsluitend met het persoonlijk geloofsleven bezighouden (met name evangelische en reformatorische groeperingen), die laten zich op het ogenblik in het publieke leven horen over zaken die voor hen van groot belang zijn. De groeperingen en personen die enkele decennia geleden in dit opzicht zeer actief waren (met name met betrekking tot het politieke en economische leven) laten nu niet zoveel meer van zich horen.

Doordat godsdienstige groepen telkens publiek optreden en de staat zich toch zo neutraal mogelijk wil opstellen, is de relatie tussen de staat enerzijds en de godsdienst en levensbeschouwelijke groeperingen in het algemeen anderzijds regelmatig in discussie. Bekend is het nog steeds in de belangstelling staande boek van Neuhaus, The Naked Public Square, waarin hij stelt dat het publieke terrein leeg, 'naakt', dreigt te worden, omdat alles wat naar godsdienst en naar op godsdienst gebaseerde waarden zweemt buiten het publieke terrein gehouden wordt. Maar, zo zegt hij er bij, leeg zal het niet worden, omdat andere waarden dan wel de plaats van godsdienstige waarden zullen gaan innemen. Politiek is nu eenmaal een morele onderneming, of men het erkent of niet. Dus moet men, zolang godsdienst voor een deel van de bevolking ook voor het publieke leven van belang is, niet zo bang zijn om godsdienstige opvattingen en godsdienstige argumenten een plaats te geven in de publieke discussie.

Niet lang geleden heeft ook Carter zich in het veel aandacht trekkend boek The Culture of Disbelief met deze zaak beziggehouden. Ook hij stelt dat het voor een goed functioneren van de democratie noodzakelijk is godsdienstige argumenten van godsdienstige groeperingen en personen een volwaardige plaats in de publieke discussie te geven en dat men ook de levensbeschouwelijke instellingen als intermediaire instituten tussen individu en staat moet erkennen. Doet men dit niet, dan dreigt het gevaar van een min of meer autoritair optredende staat. Maar door welke waarden laat die zich dan leiden en namens wie treedt die dan op?

Ook als men kerk en staat zoveel mogelijk wil scheiden - en daar zijn goede redenen voor - dan nog moet men dus zijn houding bepalen tegenover godsdienst en tegenover levensbeschouwing in het algemeen en zich een oordeel vormen over het belang daarvan voor het publieke leven. En dan blijken er nog verschillende mogelijkheden te zijn.

Dat kan men leren uit een recente studie, waarin een artikel opgenomen is van Esbeck, waarin hij zes typen van relatie tussen kerk en staat onderscheidt (A Typology of Church-State Relations in Current American Thought). Het ene uiterste wordt gevormd door een strikte scheiding, waarin het bestaan van kerken en levensbeschouwelijke instellingen wettelijk zelfs niet erkend wordt. Het andere uiterste wordt gevormd door een situatie, waarin de overheid kerken en levensbeschouwelijke instellingen niet alleen erkent, maar ook bepaalde (niet strikt godsdienstige) activiteiten ervan bevordert. Zij maakt echter geen onderscheid tussen de verschillende in de samenleving aanwezige levensbeschouwingen. In die zin staat de overheid 'neutraal' tegenover godsdienst en levensbeschouwing, maar zij erkent er wel het belang van.

Nu weet ik wel dat de godsdienstige en levensbeschouwelijke situatie in de Verenigde Staten nauwelijks te vergelijken is met die in Nederland. Oplossingen voor bepaalde problemen die men daar vindt zijn dus zeker niet zonder meer hier toe te passen. Maar ook in Nederland streven we een scheiding tussen kerk en staat na. En wat wij van de Amerikaanse discussie kunnen leren is dat een dergelijke scheiding niet per definitie behoeft te betekenen dat die overheid het bestaan en het belang van godsdienst en levensbeschouwing negeert of godsdienst tot een exclusieve privé-aangelegenheid verklaart.

Men kan een scheiding tussen kerk en staat aanbrengen met de bedoeling dat de overheid geen zeggenschap meer heeft in godsdienstige en levensbeschouwelijke aangelegenheden (wat vroeger wel het geval was) en dat de kerken geen beslissende zeggenschap meer hebben in overheidszaken (wat vroeger ook het geval was). En dat is een goede zaak. Maar een dergelijke scheiding kan gepaard gaan met een serieus nemen van de rol van godsdienst en levensbeschouwing in het publieke leven, met name voorzover deze van belang zijn voor de waarden die een samenleving helpen dragen en functioneren. Men spreekt dan wel over het model van 'functionele interactie en institutionele scheiding'.

Dus, hoe vreemd het ook moge klinken, wel een scheiding, maar zonder dat de relatie helemaal verbroken wordt. Wanneer men daaraan goede vorm kan geven wordt de kans op conflicten geringer en kan godsdienst een positieve rol spelen in de samenleving.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden