Wel degelijk getekend naar realiteit Landschappen bevredigden in 17e eeuw de nieuwsgierigheid en trots van de burger Expositie Rembrandthuis onderstreept stellingvan twee onderzoekers beeldende kunst

'Nederland naar 't leven - landschapsprenten uit de Gouden Eeuw', t/m 6 maart in Museum Het Rembrandthuis, Jodenbreestraat 4-6 in Amsterdam, maza 10-17 uur, zo en feestd. 13-17 uur. Gelijkn. cat., met teksten van Boudewijn Bakker, Huigen Leefland, Ed de Heer, Nadine Orenstein en Jan Peeters, uitg. Waanders in Zwolle, prijs f 29,50.

CEES STRAUS

Nee, heeft onder anderen de Utrechtse hoogleraar Eddie de Jongh lange tijd gezegd, hun realisme is een schijnrealisme. Schilders hadden in die tijd slechts landschappen op het oog die een zo natuurlijk mogelijke indruk moesten maken. Ze zetten de wereld naar hun hand, bedachten er van alles en nog wat bij. Zo ontstond een schijnwerkelijkheid, die nooit heeft bestaan.

Ja, zeggen nu twee Amsterdamse onderzoekers - Boudewijn Bakker en Huigen Leeflang - er was wel degelijk een behoefte om de waarheid zo dicht mogelijk te benaderen.

Hun stelling is verpakt in een aantrekkelijke expositie die onder de titel 'Nederland naar 't leven' een kleine 75 prenten in het Het Rembrandthuis in Amsterdam omvat. Voor die tentoonstelling, die zowel grafiek als tekeningen omvat, moest het museum weer flink ontruimd worden. Rembrandt zelf mocht ten dele blijven hangen, zodat zijn zes landschappen (waaronder het beroemde 'Gezicht op Amsterdam' en ook 'De Molen op het bolwerk Osdorp') nu kunnen worden vergeleken met die van tijdgenoten als Jacob van Ruisdael, Wenzel Hollar, Antonie Waterloo, Claes Jansz Visscher en Hercules Seghers, om enkele van de meeste interessante tekenaars van de zeventiende eeuw te noemen.

Bakker en Leeflang noemen een groot aantal redenen, waaruit mag blijken dat er in de 17e eeuw wel degelijk 'naar 't leven' werd gewerkt. Daarvoor gaan ze terug naar de late zestiende eeuw, toen de beroemde schildersbiograaf en kunstcriticus Carel van Mander van oordeel was dat elke schilder goed naar de natuur moest kijken, om daar zijn voorbeeld uit te halen. Van Mander was in zijn opvatting voorgegaan door Aristoteles, die, levend in de Oudheid, al van mening was dat de kunstenaar zijn hoogste goed vond in het 'imiteren' (dat wil zeggen: letterlijk reproduceren) van zijn onderwerp. Van Mander leefde ten tijde van het Haarlemse manierisme, een stroming in de Renaissance die uiteindelijk de stoot tot het landschapsschilderen heeft gegeven. De 17e eeuw was nog maar net begonnen, toen het landschap een autonoom onderwerp werd, zonder bijbelse, allegorische of andere bij-betekenissen. De Nederlanden waren in die tijd rijp voor het gedachtengoed van Calvijn, die stelde dat God niet mocht worden afgebeeld, maar dat de kunstenaar wel tot taak had om de gebeurtenissen om ons heen tot uitdrukking te brengen, dit vanwege de opvoedkundige waarde.

De landschapskunstenaars ontdekten de natuur die als het ware voor de deur van hun steden lag. Toen de politieke rust terugkeerde in de Nederlanden en oorlogsgeweld plaatsmaakte voor economische opbloei, kon er meer gereisd worden. De toenemende veiligheid speelde daarbij een grote rol: de kunstenaar was, nieuwsgierig gemaakt door de omstandigheden, in staat om verder te kijken. Rembrandt bijvoorbeeld, toog naar wat de rafelrand van de stad wordt genoemd, het gebied waar de stedelijke bebouwing nog net is te zien, maar waar ook nog molens, kleine bedrijven en boerderijen staan. Andere schilders trokken verder: Jacob van Ruisdael ging naar het oosten (hij tekende onder meer in Twente en Westfalen, waar nog woeste oerbossen waren te vinden); Roelant Roghman bereisde Brabant, dat destijds nog nauwelijks toegankelijk was. Hij is echter de kunstgeschiedenis in gegaan als de 'kastelentekenaar' van de zeventiende eeuw, hij tekende meer dan tweehonderd kastelen. En toen stadhouder Frederik Hendrik in 1648 de randgebieden van de Noordelijke Nederlanden (Groningen, Friesland, Limburg) had veroverd, konden ook daar voortaan kunstenaars naartoe reizen.

De interesse voor verre streken, maar ook voor het eigen stadsgezicht, werd gedeeld door het publiek. Dat had misschien niet zo veel geld voor een schilderij (dat tenslotte toch vrijwel altijd in de opdrachtsfeer tot stand kwam), maar het had altijd wel een gulden of twee om een tekeningetje of een ets te kopen. Een beetje nationale trots speelde daar ook bij: kijk eens hoe belangrijk de jonge Nederlandse republiek toch is.

De kunstenaars bedienden hun publiek dus met een tot voor kort 'ongeziene' wereld, op een zelfde wijze zoals het nu nog steeds lichte verbazing wekt dat we op de televisie dagelijks beelden uit de buitengewesten van de voormalige SovjetUnie zien. Het Tadzjikistan en Tartarstan van nu zijn de provincies Gelderland en Friesland van toen: voor de gemiddelde inwoner uit het westen waren dergelijke provincies terra incognita.

Zonder uitzondering hadden de zeventiende-eeuwse kunstenaars een goed oog voor het schilderachtige. De Overtoom bij Amsterdam was een voor veel kunstenaars geliefd plekje waar ze hun ogen uitkeken. Het overhalen van de schepen, de bedrijvigheid van de vele arbeiders en de trekkers met hun paarden was een geliefd onderwerp, dat heel wat tekenaars hebben vastgelegd. Roelant Roghman (1627-1692) tekende Nederland op zijn mooist. Hij heeft tientallen dorpjes vastgelegd, vaak idyllisch gelegen aan een rivier, een kerk op een marktplein, een kasteel dat soms tot ruine was vervallen. Een verslaggever was hij ook, zoals zijn gezicht op de Diemerzeedijk uit 1651 aantoont, dat hij na de doorbraak van het water heeft gemaakt.

Het zijn niet allemaal staaltjes geschiedschrijving. Niet elk landschap is direct te herkennen als 'daar en daar' te vinden. Nederland veranderde in de Gouden Eeuw snel van aanzien, sommige plekken gingen verloren, andere werden er weer veel mooier op. Water - in de vorm van meren of binnenzeeen - werd ingepolderd, aan landwinning werd veel gedaan. Sommige tekenaars legden nog snel de situatie vast, voordat die binnen enkele jaren zou veranderen. Maar van de meesten is nu wel zeker dat ze de situatie zeker niet idealiseerden.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden