Weggejaagd uit zwierig Wenen

Zweigs autobiografie, ’De wereld van gisteren’, lees je om diens geniale portretten van ánderen: Freud, Rilke, Richard Strauss. Twee nieuwe Duitse uitgaven onderzoeken nu ook in Zweigs eigen, raadselachtige persoon.

Stefan Zweig: De wereld van gisteren. Herinneringen van een Europeaan. Vert. Willem van Toorn. De Arbeiderspers, Amsterdam. ISBN 9789029565448; 431 blz. euro 19,95.

Oliver Matuschek: Stefan Zweig; Drei Leben - Eine Biographie. S. Fischer Verlag, Franfurt. ISBN 9783100489210; 406 blz. euro 20,50.

Stefan Zweig/ Friderike Zweig: Wenn einen Augenblick die Wolken Weichen. Briefwechsel 1912-1942. S. Fischer Verlag. ISBN 9783100970961; 434 blz. euro 25,50.

Stefan Zweig was niet geliefd onder zijn collega’s. Kurt Tucholsky liet zich honend over hem uit, Karl Kraus noemde hem ’een vormtalentje’, Thomas Mann vond hem blijkens een dagboeknotitie uit 1942 ’dwaas, slap en smadelijk’, en Robert Musil wilde zelfs niet naar Zuid-Amerika emigreren want ’daar verblijft Zweig al’.

Misschien hebben jaloezie en broodnijd een rol gespeeld bij deze negatieve oordelen, want Stefan Zweig (1881-1942) was een uiterst succesvolle schrijver, volgens een onderzoek van de Volkenbond zelfs de meest vertaalde auteur ter wereld in zijn tijd.

Maar onbegrijpelijk is de kritiek niet. In het gros van zijn ruim vijftig boeken populariseert en trivialiseert Zweig dat het een aard heeft. Zijn gezwollen stijl en sentimentaliteit zijn bij vlagen onverdraaglijk, hetzelfde geldt voor zijn vele clichés en superlatieven. Onvergetelijk is de ironische opmerking van Joseph Roth in een brief aan zijn vriend-weldoener Zweig betreffende diens versleten taalgebruik. Roth hield niet van een lente ’die zijn schaduw vooruitwerpt’.

Slechts weinig boeken van Zweig lees je met onverdeeld genoegen. Daartoe behoort zijn studie over Erasmus uit 1934, de Nederlandse humanist wiens pacifisme en wereldburgerschap hij bewonderde en met wie hij zich in verregaande mate identificeerde. Of zijn beroemde ’Schachnovelle’ (1941), voor zijn doen opvallend nuchter verteld, en vooral het postuum verschenen herinneringsboek ’Die Welt von Gestern’, misschien wel zijn enige echte meesterwerk. Onlangs is dit boek in de voortreffelijke Nederlandse vertaling van Willem van Toorn heruitgegeven, en het kan van harte worden aanbevolen aan de lezer die het nog niet kent. Het is een prachtig en heel toegankelijk leesboek, een Europese cultuurgeschiedenis van de eerste helft van de vorige eeuw - met tal van schitterende kunstenaarsportretten – en vooral een magnifieke (ietwat nostalgische) ode aan het oude Wenen.

In de nieuwe Zweig-biografie van Oliver Matuschek neemt de Habsburgse hoofdstad anno 1900 eveneens een prominente plaats in. De titel ’Drei Leben’ heeft betrekking op de drie duidelijk van elkaar gescheiden levensfasen van de schrijver. Zweig groeide op binnen een welgestelde joodse textielfamilie (Hermann Broch en Franz Werfel kwamen uit identieke milieus), studeerde in Wenen filosofie en literatuur en begon al vroeg aan een loopbaan als schrijver.

Na de Eerste Wereldoorlog, toen hij opklom tot bestsellerauteur, bewoonde hij op de Kapuzinerberg in Salzburg de legendarische ’Villa Europa’, waar vele internationale cultuurdragers te gast waren bij de altijd collegiaal-genereuze Zweig. In 1938 vluchtte hij voor de nationaal-socialisten naar Engeland, waar hij aan zijn laatste, uiterst onrustige levensfase begon. Via Amerika belandde hij in Brazilië waar Zweig samen met zijn tweede vrouw in 1942 zelfmoord pleegde.

Matuschek legt in zijn even degelijke als onpersoonlijk-saai geschreven biografie de nadruk op de eerste levenshelft van Zweig. De latere fase als balling en vooral Zweigs Braziliaanse jaren (was zijn tragische einde te wijten aan de slechte berichten uit Europa, leed hij aan depressies, was zijn vrouw ernstig ziek?) komen er daarentegen nogal bekaaid af.

Al in zijn inleiding constateert de biograaf een kloof tussen Zweigs prominente rol in het openbare cultuurleven en het feit dat er omtrent zijn persoon weinig bekend was: „Op goede bekenden maakte hij een gesloten indruk, en zelfs intieme vrienden vonden veel aan hem raadselachtig.”

Ook uit de recent verschenen, dertig jaar durende correspondentie met zijn eerste vrouw Friderike rijst geen duidelijk beeld van de schrijver op. In 1912 hadden Friderike (die al twee kinderen uit een eerder huwelijk had) en Zweig elkaar leren kennen en ook na hun scheiding in 1938 werd het contact niet verbroken. Uit deze brieven blijkt dat Zweig – zeker geen groot epistolair talent – bepaald niet monogaam was en dat hij vanaf 1920 steeds vaker in het buitenland verbleef.

Reizen speelt ook een belangrijke rol in ’De wereld van gisteren’. Frankrijk beschouwde hij als zijn tweede vaderland en onder de metropolen had Parijs zijn voorkeur. In Londen en vooral Berlijn, waar de mensen onelegant gekleed waren en de koffie slap en slecht, voelde hij zich minder op zijn gemak. Na de ’geërfde schoonheid’ en de ’muzikale zwierigheid’ van zijn vaderstad Wenen vond hij de Pruisische hoofdstad ronduit teleurstellend.

’De wereld van gisteren’ begint met twee prachtige, bijna sociologische hoofdstukken over de school en de universiteit vóór de Eerste Wereldoorlog. Zweig merkt op dat hij ’noch op school, noch op de universiteit, noch in de letteren ooit ook maar de geringste tegenwerking of geringschatting heeft meegemaakt als jood’. Een opmerkelijke passage, die overigens bijna letterlijk weerspiegeld wordt in Arthur Schnitzlers autobiografie ’Jugend in Wien’; het antisemitisme, zo luidt het daar, speelde ’noch als politieke noch als sociale factor een belangrijke rol’. Waarschijnlijk hebben de geassimileerde en welgestelde joden als Zweig en Schnitzler minder last gehad van rassenhaat dan hun arme geloofsgenoten. Nog waarschijnlijker is dat de joodse jeunesse dorée de ogen heeft gesloten voor het opkomende antisemitisme. Zweig schrijft: „Wij hadden niet de minste belangstelling voor politieke en sociale problemen (*) we hadden alleen oog voor boeken en kunst.”

’De wereld van gisteren’ is geen autobiografie in engere zin. Eerder nog zou je van een documentaire kunnen spreken. Zweig schrijft nogal afstandelijk: veel meer dan dat het hem lange tijd aan zelfvertrouwen heeft ontbroken,komen we over zijn innerlijke leven niet te weten. Wat harteroerselen betreft is hij bepaald een vrek. De mooiste fragmenten zijn gewijd aan bevriende schrijvers en kunstenaars: Hugo von Hofmannsthal (’het fantastische en unieke fenomeen’), Richard Strauss, Sigmund Freud (’een geestelijk onverschrokkener man kan men zich niet voorstellen’), Auguste Rodin, Romain Rolland of Emile Verhaeren.

Het indrukwekkendste fragment betreft echter de grote Rainer Maria Rilke, die hij in Parijs leerde kennen: „Elke vulgariteit vond hij ondraaglijk, en hoewel hij zuinig moest leven, was zijn kleding altijd het summum van zorgvuldigheid, verzorgdheid en goede smaak.(*) Na ieder gesprek van enige duur met hem was je uren- en zelfs dagenlang immuun voor elke vorm van vulgariteit.”

Alleen al voor Zweigs geniale portretteerkunst zou je ’De wereld van gisteren’ moeten lezen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden