Weggegooide waar bederft Hollandse pret

ROTTERDAM - Het helle rood van Cincinnati Reds is met de beste wil van de wereld niet goed te praten. Over het groen en geel van Oakland Athletics valt te twisten. Het hagelwitte pak van Detroit Tigers is, dank zij de marineblauwe slobkousen en de sierlijke D, een prachtpak, en dat van de Atlanta Braves ziet er om soortgelijke redenen ook heel geweldig uit.

De hesjes, de driekwart broeken, de stoffen petten, al zijn ze nog zo horribel, ze boezemen ontzag in. In de Verenigde Staten is het niks bijzonders, maar als je in Rotterdam plotseling honkballers in Major outfits ziet spelen is het even schrikken. De ohs, de ahs en de wows vechten om voorrang, totdat de wedstrijd begint en duidelijk is dat negen Nederlanders minstens zo goed zijn als negen Amerikanen die bij hun club in de regel reserve zijn.

Voor het eerst in de honkbalgeschiedenis durven de Major Leagueorganisaties tijdens het seizoen een profteam naar het buitenland te sturen. Elke organisatie heeft een speler of een coach afgestaan, en manager Sam Suplizio te verstaan gegeven het toernooi winnend af te sluiten. Makkelijk gezegd, dacht Suplizio. Hij spelde de namen van de werpers, de achtervangers, de infielders en de outfielders en kende er maar een: Bert Blyleven. Maar Bert, begreep hij, was een promotiestunt. Die was alleen maar mee om de Hollanders gek te maken.

Bert is geboren in Zeist en sinds 1971 het bewijs dat ook buitenlanders het in de majors kunnen maken. Daarom maakte KNBSB-voorzitter Henk den Duijn hem gisteren erelid, en daarom mocht de levende legende het publiek even in het Engels zeggen dat hij zijn afkomst nooit zal verloochenen.

Maar Bert is 42 en summier inzetbaar, keerde Suplizio de medaille om. En van Waldron, Parisotto, Kuehl, Adriana, Rappoli en Teel had hij werkelijk nooit gehoord, laat staan van hun prestaties. Formeer dan maar eens een team.

Gesprekken aan de ontbijt-tafel leerden hem veel. Al snel was de manager van California Angels er achter dat de meeste organisaties hem rommelaars hadden meegegeven, utilityfellows. Jongens op wie pas een beroep wordt gedaan als alle andere mogelijkheden zijn uitgeput. Ze spelen op A- of AA-niveau en de majors halen ze alleen in hun dromen. Het gros van de organisaties neemt geen risico; toptalenten blijven thuis. Stel dat ze in Rotterdam een blessure oplopen, dat vergeef je jezelf nooit. Alleen Montreal Expos, Colorado Rockies en Chicago Cubs hebben frontline players gestuurd, en warempel, ze vallen op. Marc Griffin (Expos) als midvelder, Ryan Turner (Rockies) als outfielder en slagman en Earl Cunningham (Cubs) als een hardlopende massa spieren. Over hen zal Suplizio ook rapport uitbrengen. De technische staf van de Cubs denkt er bijvoorbeeld aan om Cunningham tussentijds over te hevelen naar een AA-team, en heeft Suplizio daarom verzocht een oordeel te vellen over zijn kunde. Voor sommige gasten is W.P.T. beslissend voor de toekomst.

Grote jongens Cunningham, Griffin en Turner hoeven zich, als het aan Suplizio ligt, geen zorgen te maken. Hij zal hun bazen zeggen dat ze goed hebben gespeeld.

Cunningham hoort het aan en straalt van blijdschap. Hetzelfde geldt voor Turner. De rechtsvelder was hoogstpersoonlijk verantwoordelijk voor de 2-1 zege op Oranje. In de derde inning sloeg hij de bal het veld uit: een homerun met een man aan boord. Turner had daarbij het geluk dat umpire Erick T. Barkhuis een geheide slagbal (de derde!) voor wijd hield. Werper Peter Callenbach wond zich daar zo over op dat hij de volgende bal pardoes recht over de plaat gooide. “En dat moet je niet doen tegen zulke grote jongens”, ondervond de Amsterdammer. Bondscoach Jan Dick Leurs spuwde naderhand zijn gal over de beslissingen van Barkhuis. “Ik zeg dit zelden, maar we hebben verloren door de scheidsrechter. Het was toch prachtig geweest als we van die Amerikaanse profs hadden gewonnen? Maar meneer Barkhuis was zo geimponeerd door die naampjes op de shirts dat hij Callenbach slecht beoordeelde.”

Sam Suplizio begreep niets van Leurs' kritiek. Slecht? Welnee, die Barkhuis was uitstekend. Waarom? “Omdat hij naar de bal bleef kijken.” Een pluim is kennelijk gauw verdiend bij Suplizio die Callenbach vervolgens de hemel in prees. “Die jongen was very good. Ik hou van wat hij doet.” De Amerikaan was vooral onder de indruk van de wetball. Callenbach lachte schamper, en wist van niks. Maar Suplizio had duidelijk gezien hoe hij telkens met zijn hand over zijn zweterige nek wreef, zijn vingers - tegen alle honkbalwetten in - nat maakte en zodoende uitzonderlijk draaiende ballen wierp zonder zijn pols te bewegen. Leurs voelde zich geroepen zijn werper te verdedigen en gaf zijn collega knipogend te kennen dat van opzet geen sprake is. “Hij weet niet eens hoe je zoiets moet aanpakken.” Reglementair of niet, Callenbach gooide vijf keer drie slag, twee keer vier wijd en kreeg drie honkslagen tegen. Klinkende cijfers voor een man die bij zijn club, Pirates, elke week gierend van de zenuwen de heuvel op gaat. “Hier staat een goed team achter je. Als ze een verre bal slaan, wordt hij gevangen. Dat is bij Pirates altijd de vraag. Je lacht erom, maar zo is het wel.”

Verder wil Callenbach er niet over praten. Leurs heeft hem bevolen niet aan de ellende bij zijn club te denken. Het W.P.T. moet worden gewonnen en in Zweden wacht de Europese titel. Om die doelen te halen kun je geen sores gebruiken, dan is maar een ding van belang: een hecht team. De overwinning op Red Machine Aruba (bij 3-0 werd het duel zaterdag wegens regen gestaakt) en de magere nederlaag van gisteren sterken hem in de gedachte dat het met Nederland de goede kant opgaat. “We groeien.”

Suplizio wou dat hij hetzelfde kon zeggen. Het niveau van Oranje had hem verrast, waaruit hij concludeerde dat hij geluk had gehad. “Ik bofte met mijn werper.” In de vroege ochtend had hij Greg Stark (New York Mets) gevraagd of hij de wedstrijd kon beginnen. Stark antwoordde dat hij reliever was, geen starter. Maar hij moest. In de vierde inning zat het hem tegen. Goed Hollands slagwerk leidde tot een score van Randolph Balentina. Maar daarbij bleef het.

Stark had de naam van Amerika hooggehouden. Tot opluchting van Suplizio die meent dat major-organisaties 'zijn' sport ondermijnen. “Ze denken alleen in geld. Niet in mensen.” Jeugdig talent krijgt geen tijd om te rijpen. Voldoe je niet? Voor jou vijf anderen. De minors zijn net duiventillen. “Het is erin en eruit. De organisaties zetten hun hele vermogen op eenlingen en knijpen de lagere leagues uit. Ze snijden op de verkeerde plaatsen. Je moet de farm-teams zien als groothandels. Die bevoorraden de winkels. Dan gooi je je waar toch niet weg?”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden