Weg met het cultuurrelativisme

,,We moeten geen 'multiculturele samenleving' nastreven. Dat gemakzuchtige begrip suggereert ten onrechte dat allochtone culturen ongewijzigd kunnen blijven voortbestaan in een samenleving met een geheel andere cultuur.' Dat schreef Chris Rutenfrans in Letter & Geest van 6 februari. Hij kwam tot deze conclusie aan de hand van twee studies naar de oorzaken van criminaliteit door allochtonen in Nederland. En passant verwierp Rutenfrans het cultuurrelativisme en riep onze cultuur uit tot de beste die er is. Vurige bijval en ongesuikerde kritiek waren zijn deel. Op de rechterpagina antwoordt Rutenfrans zijn critici. Op deze pagina een beschouwing over de opkomst en de neergang van het cultuurrelativisme.

Drie breedtegraden naar het Noorden gooien de hele jurisprudentie omver, een meridiaan verandert de geldende rechtswaarheid; na enkele jaren veranderen de meest fundamentele wetten'. Aldus Blaise Pascal in zijn 'Pensées' (1669).

Eenieder die zich heeft verdiept in de opkomst en ondergang van culturen, wereldrijken en dynastieën kan niet anders dan onder de indruk raken van de historische variabilititeit. Die veranderlijkheid geldt niet alleen door de tijd, maar ook van plaats tot plaats. Koppensnellen geldt in bepaalde culturen als een uiting van moed, een praktijk waar in de meeste culturen met afschuw kennis van wordt genomen. Een bron van verbazing is ook altijd de diversiteit aan zeden en gewoonten op het terrein van huwelijk en huwelijkstrouw geweest. In sommige Afrikaanse en Aziatische culturen wordt polygamie geoorloofd geacht. Maar wij achten polygamie verwerpelijk (hoewel 'seriële monogamie' - dat wil zeggen het hertrouwen nadat het eerste huwelijk ontbonden is - tegenwoordig algemeen geaccepteerd is).

Ook over slavernij is door de eeuwen heen en in verschillende culturen zeer verschillend gedacht. Plato en Aristoteles hadden er geen moeite mee. In de Bijbel wordt het nergens afgewezen. Tweehonderd jaar geleden was de slavenhandel nog een bloeiende praktijk in de Verenigde Staten. Thomas Jefferson, schrijver van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring met daarin de ringing words dat alle mensen gelijk geboren zijn, had zelf nog 146 slaven.

En wat te denken van de doodstraf? Die werd in bijna alle tijden en op alle plaatsen als een hoogst normale, zelfs onontbeerlijke straf beschouwd. Filosofen als Kant en Hegel zagen het zelfs als essentieel voor een beschaafde samenleving dat de doodstraf moest kunnen worden opgelegd. Bekend zijn de categorische woorden van Kant dat als men zou weten dat morgen de wereld zou vergaan, vandaag de laatste misdadiger zou moeten worden opgehangen. Een interessant voorbeeld, omdat we hier met een bij uitstek beschaafd filosoof van doen hebben met hoogst zuivere morele inzichten.

In het licht van bovengenoemde variëteit verbaast het niet dat Pascal stelt: ,,Moraal is verschillend naar plaats en tijd.' Moraal is niets anders dan gewoonte, schreef de socioloog William Graham Sumner in 1906: 'The notion of right is in the folkways'.

Wanneer nu uit de variëteit in normen en waarden de consequentie wordt getrokken dat we andere culturen en tijden niet mogen beoordelen, is een belangrijke stap gezet op een weg die bekend is komen te staan als het 'cultuurrelativisme' of 'cultureel relativisme'.

Op het eerste gezicht lijkt het een vreemde stelling dat men een vreemde cultuur niet zou mogen beoordelen en eventueel veroordelen. Maar het wordt enigszins begrijpelijk wanneer men ziet waarop het een reactie vormt.

De cultuurrelativisten verzetten zich doorgaans tegen de idee dat het Westen per definitie (of omdat het een superieure positie heeft in politiek-economisch opzicht) ook de wijsheid in pacht heeft inzake morele aangelegenheden. Zo was in de vorige eeuw het superioriteitsbewustzijn van de westerse wereld groot, vooral in Groot-Brittannië. Het Britse rijk was enorm uitgestrekt en overal werd de Britse cultuur geïmporteerd. Dat werd gezien als een natuurlijk uitvloeisel van de superieure positie van de Britse cultuur ten opzichte van andere, als 'primitief', gekwalificeerde culturen.

In zekere zin gaf de leer van Darwin aanleiding tot dit superioriteitsgevoel. In 1859 publiceerde hij 'The Origin of Species' en enkele jaren later 'The Descent of Man' (1871). Darwin stelde dat de menselijke instincten en ook de morele gevoelens ontwikkeld worden als reactie op de omgeving. Anders gezegd: moraal staat in dienst van de overleving van de soort. Het idee van het goede komt ons niet uit een andere wereld aanwaaien, het is niet aangereikt door God (Mozes op de berg), maar het vormt slechts een middel voor het voortbestaan van de soort.

Darwin trok zelf nog niet de politiek-morele consequenties uit deze benadering, dat werd gedaan door Thomas H. Huxley (1825-1895) en door Herbert Spencer (1820-1903). Waar Darwin nog neutraal sprak van een aanpassing aan de omgeving, spreken zij onbekommerd van vooruitgang. Het geloof in de vooruitgang zou daarna sterk verankerd raken in het westerse denken.

Rousseau's idee van de edele wilde die aan beschaafde culturen ten voorbeeld kon worden gesteld, kreeg hierdoor in de negentiende eeuw zware concurrentie. Spencer schreef in 'The Principles of Ethics' (1897) dat de moderne, ontwikkelde beschavingen moreel beter waren dan primitieve samenlevingen. Hij ging ervan uit dat naarmate culturen beschaafder zouden worden, zij ook vreedzamer zouden zijn en dat de zogenaamd edele wilde moreel inferieur was aan de beschaafde Europeaan.

Ook bij Charles Dickens (1812-1870) treft men dat vooruitgangsgeloof aan. Nadat hij in Londen een tentoonstelling over de zoeloes had bezocht, omschreef hij de nobele wilde als: ,,wreed, gemeen, geneigd tot diefstal en moord; een wild dier met een opschepperige aard'.

De morele filosofie van Spencer en het sociaal darwinisme had grote invloed op de legitimatie van het kolonialisme. Het sociaal darwinisme werd gebruikt om te rechtvaardigen dat de beschaving door Europeanen naar de primitieve volkeren zou worden gebracht; zij zouden dat doen in naam van de vooruitgang.

Het cultuurelativisme is een reactie op deze tendens. Het kwam aan het begin van deze eeuw naar voren in het werk van antropologen en sociologen, zoals de reeds genoemde Sumner, Emile Durkheim, Franz Boas en Ruth Benedict.

Met name Ruth Benedict (1887-1947) had veel invloed. Zij ging ervan uit dat elke cultuur zou moeten worden gezien als een geheel. Men kan deze niet beoordelen met maatstaven die niet aan die cultuur zelf zijn ontleend. De notie van transculturele waarden, zoals geformuleerd in de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens (1948), zou een illusie zijn.

Hoewel serieuze ethici het cultuurrelativisme doorgaans verwerpen, heeft het een enorme greep gekregen op het politiek correcte denken van de doorsnee beoordelaar in de Westerse wereld.

Het cultuurrelativisme is een verward amalgaam van standpunten waarin men drie zaken helder dient te onderscheiden. Als eerste: een feitelijke claim. De cultuurrelativist gaat uit van het bestaan van een grote culturele variëteit. Deze claim zullen we voorlopig even als juist accepteren. Men kan erover twisten hoe groot die culturele variëteit is. Immers, soms bestaat variëteit alleen aan de oppervlakte, maar blijkt er op een dieper niveau toch overeenstemming te bestaan. Zo betekent het feit dat eskimo's oude, zieke mensen achterlaten in de sneeuw niet dat zij geen waarde hechten aan het menselijk leven. Het betekent alleen dat men in die cultuur tot deze draconische maatregel genoopt is omdat anders de groep als geheel niet kan overleven. Maar laten we dit even buiten beschouwing laten.

Van de feitelijke claim, de 'diversiteits-these', dient men een tweede, normatieve, claim te onderscheiden, namelijk dat het ongeoorloofd zou zijn om met maatstaven van de ene cultuur een andere cultuur te beoordelen. Hier in Nederland bestaat de norm om rechts te houden, maar dat maakt de Britten die links rijden niet onbeschaafd.

Als derde en laatste claim ontkennen cultuurrelativisten dat men universele maatstaven kan hanteren waarmee alle culturen de maat zou kunnen worden genomen. Dit leidt ertoe mensenrechten als typisch westerse noties van de hand te wijzen.

Het probleem met cultuurrelativisten is dat zij het onderscheid tussen de tweede en de derde claim niet accepteren. De norm dat je rechts moet rijden is voor hen van dezelfde orde als de norm dat je geen fatwa over een schrijver mag uitroepen: deze normen zijn allemaal specifiek voor een bepaalde cultuur en in hun gelding beperkt tot die cultuur. Volgens cultuurrelativisten is het even absurd een islamist te kritiseren over een uitgeroepen fatwa als een Brit verwijten dat hij links rijdt. 's Lands wijs, 's lands eer.

Maar eenieder kan zien dat dit helemaal niet voor zichzelf spreekt. Het zou geborneerd zijn te verwachten dat ze overal op de wereld Nederlandse begrafenisrituelen overnemen. Liever niet, zou je zeggen: een kopje koffie en een plakje kleffe cake en dan weer na een kwartiertje op straat. Maar dat neemt nog niet weg dat we wél onze lijst van grondrechten kunnen aanprijzen. Immers die begrafenisrituelen behoren tot de hoogst- eigenaardige eigenschappen van de Nederlandse cultuur die niet voor export in aanmerking komen, maar de lijst van grondrechten wel. Of anders: binnen elke cultuur hanteert men normen die specifiek zijn voor die cultuur én normen met een universaliteitspretentie.

Hoe kan dat eenvoudige onderscheid aan zulke schijnbaar zo intelligente mensen ontgaan zijn? Dat heeft politiek-ideologische redenen. Het cultuurrelativisme is gebaseerd op een veronderstelde relatie. Men denkt als volgt. Het superioriteitsbewustzijn van het Westen is verkeerd. Westerse waarden zijn niet per definitie beter dan de waarden in andere culturen. Het is een vorm van neokoloniaal gedrag om hen met onze waarden te veroordelen. Dat is zelfs gevaarlijk, zo zegt men, want het levert de legitimatie voor de meest brute onderdrukking. We moeten daarom ontkennen dat universele waarden bestaan. Het is het tolerantst anderen in hun waarde te laten.

Dat klinkt mooi, maar de conclusie is gebaseerd op denkfouten. Stel ik meen dat twee maal twee vier is, terwijl mijn buurman meent dat twee maal twee vijf is. Dan is het niet intolerant of aanmatigend van mij om aan mijn mening vast te houden. Het is ook niet arrogant om hem uit te nodigen samen de rekensom nog eens te maken. Maar het feit dat hij rekenfouten maakt, geeft mij natuurlijk ook niet het recht om hem te dwingen rekenonderricht te ondergaan.

Dit punt heeft ook grote relevantie voor cultuurrelativisme. Gesteld dat de Europese naties beschaafder, moreel beter en superieur in politiek-economisch opzicht waren aan de Aziatische of Afrikaanse culturen, dan nog is daarmee niet bewezen dat zij het recht zouden hebben deze culturen te onderwerpen om de mensen daar de zegeningen van onze vooruitgang deelachtig te maken. Elke cultuur heeft recht op haar eigen primitiviteit, zoals mijn buurman recht heeft op zijn eigen domheid.

In plaats van de veronderstelde relatie tussen eigen beschaving en het recht tot het beschaven van anderen ter discussie te stellen, gaan cultuurrelativisten echter verdedigen dat alle beschavingen even beschaafd zijn of dat de notie 'beschaving' een elitaire en verwerpelijke zaak is. Dit alles is in het licht van de moderne geschiedenis weliswaar begrijpelijk, maar toch verkeerd. Waarom zouden we ons tot dit soort nivellerende beschouwingen laten verleiden? Er is toch verschil in beschaving? Waarom zouden we onszelf de mogelijkheid ontzeggen om gehele culturen het etiket 'beschaving' te ontzeggen? Was het Derde Rijk niet onbeschaafd? En wat gezegd kan worden van hele culturen kan men en ook zeggen van onderdelen daarvan. Men kan vrouwenbesnijdenis (Egypte, Soedan), het uitspreken van een fatwa over een schrijver (Iran), maar ook het organiseren van kooigevechten of schrale begrafenisrituelen (Nederland) als onbeschaafd of anderszins verwerpelijk afwijzen. Het openhouden van die mogelijkheid is niet alleen in het voordeel van het Westen, maar ook van de kritici van het Westen. Een allochtone beoordelaar van de Nederlandse cultuur moet de mogelijkheid hebben bepaalde elementen van de Nederlandse cultuur als onbeschaafd van de hand te wijzen, net als een Nederlander moet kunnen zeggen dat vrouwenbesnijdenis een verwerpelijk onderdeel is van de Egyptische of Soedanese cultuur. Het uitsluiten van die mogelijkheid zou tot een volslagen abdicatie van ons zedelijk beoordelingsvermogen leiden en ons in zekere zin on-menselijk maken.

Vanwaar dan al die commotie over het artikel van Chris Rutenfrans waarin hij het cultuurrelativisme afwijst ('Onze cultuur is de beste', Trouw, 6 februari 1999)? Dat zit zo. Eerst heeft de criminoloog Rutenfrans de beoefenaren van criminologie een spiegel voorgehouden ('Hoe crimineel zijn allochtonen', in: Trouw, 16 januari 1999). In mijn woorden: de criminologie is een wetenschap van de verhulling. Decennialang heeft men om politiek correct te blijven gegevens onder de pet gehouden, om maar eens een recentelijk gentroduceerde uitspraak te hanteren. Die houding is een schande voor de wetenschap en het bewijst eens te meer dat wat het academisch debat had moeten zijn in feite niet plaatsvindt, omdat men zich in de gedachtevorming en meningsuiting laat bepalen door politieke taboes en ideologisch esprit de corps. Ook de discussie over de multiculturele samenleving is door de deskundigen lange tijd meer afgehouden of omfloerst gevoerd dan dat men daaraan een intellectueel onbevangen bijdrage heeft geleverd. De grote verdienste van artikelen als die van Rutenfrans en anderen is dat zij die zwijgcultuur hebben doorbroken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden