Weg met de mythe van de tweede jeugd

Oud worden is een feest, zo willen de beleidsmakers ons tegenwoordig doen geloven. Vitaal, gezond en opgewekt gaan de babyboomers de Derde Fase in, manager als ze zijn over hun eigen bestaan. Frits de Lange voelt zich ongemakkelijk bij al die ambitieuze ondernemerstaal. De geseculariseerde bedenkers van het ouderenbeleid hebben volgens hem een blinde vlek voor fundamentele levensvragen.

De ouderdom is niet meer wat hij geweest is. Niet alleen worden we met zijn allen ouder, ook worden we anders oud. De Nieuwe Oudere is gezonder, rijker, hoger opgeleid en mondiger dan zijn voorganger. Op de leeftijd dat hun ouders gingen denken aan hun pensioen, stappen de nieuwe 55-plussers hun tweede adolescentie binnen en maken ze zich op om de kroon op hun leven te zetten. Het wordt dus tijd dat we de grijze golf niet alleen als een bedreiging zien (‘Kunnen we de AOW nog betalen?’), maar ook als kans. Vergrijzing hoeft, als we ons er tenminste goed op voorbereiden, geen ramp te zijn, maar kan een feest worden.

Dat is althans de optimistische toon die spreekt uit de onlangs verschenen toekomstverkenning ’Generatie op komst’ van het Verwey-Jonker Instituut, geschreven in opdracht van de burgerbeweging Zorg voor Later. Ook in andere publicaties van de laatste jaren komen we de gezonde, actieve en ondernemende senior tegen als de spil van het toekomstige ouderenbeleid. Van de interdepartementale studie ’Verkenning Levensloop’ tot aan de nota ’Ouderenbeleid in het perspectief van de vergrijzing’ figureert de oudere als de manager van zijn eigen levensloop die met vooruitziende blik zijn toekomst ter hand neemt. Van het zielige oudje willen de beleidsmakers niets meer weten. Bij de modernisering van de rol van de overheid behoort een beroep op ondernemend burgerschap, ook dat van ouderen.

Ouderen kunnen die verantwoordelijkheid best aan. „Het traditionele beeld van ziek, zwak en misselijk behoeft bijstelling”, aldus de auteurs van ’Generatie op komst’ en met de cijfers in de hand tonen ze aan dat ze gelijk hebben. De nieuwe oudere is relatief gezond en bemiddeld, en heeft geleerd voor zichzelf op te komen. Kende de traditionele levensloop maar een relatief korte ouderdom, de laatmoderne tweede levenshelft, zo lezen we in de meeste rapporten over ouderenbeleid, moet in tweeën gesplitst: de vitale Derde Leeftijd waarvan je tot dik in de tachtig kunt genieten, en de Vierde Leeftijd daarna, de fase van toenemende kwetsbaarheid en zorgafhankelijkheid, uitlopend op de dood.

’Generatie op komst’ zet volledig in op de Derde Leeftijd, en wil de samenleving voorbereiden op deze ’nieuwe en groeiende groep actief en ondernemend ingestelde third agers.’ Zonder aarzeling wordt het de historicus en socioloog Peter Laslett nagezegd: deze levensfase moet beschouwd worden als de periode van ’personal fulfilment’ en ’self-realization’, van ’completion and arrival’, en van ’personal achievement’. Het is de bloeitijd van je leven, waarin je alle aandacht kunt vrijmaken voor het verwerkelijken van je idealen.

De Vierde Leeftijd daarentegen kenmerkt zich door afhankelijkheid en kwetsbaarheid. Men verzwakt, wordt broos en kwetsbaar. Dan, aldus Laslett, is het zaak zich voor te bereiden op het sterven en zich terug te trekken uit het publieke leven. De kunst is ervoor te zorgen dat de aftakeling zo lang mogelijk op zich laat wachten en zo kort mogelijk duurt (’compression of morbidity’).

Nu wil ik ook zelf graag actief, gezond en ondernemend oud worden. Toch ga ik mij wat ongemakkelijk voelen bij al die ambitieuze ondernemerstaal. Is de fitte senior die in deze beleidsplannen centraal staat, werkelijk de toekomstige oudere? Mij bekruipt soms het gevoel dat hij een tijdloze zelfprojectie is van de middelbare babyboomer, die op dit moment de departementen en organisaties voor zorg en welzijn bevolkt. Een autonome zelfontplooier die zijn eigen levensloop even bedrijfsmatig wil managen als de organisatie die hij aanstuurt. We komen hem niet alleen tegen achter de bureaus waar de beleidsvisies worden ontwikkeld, hij is ook het hoofdpersonage in die visies zelf.

Stel dat dit vermoeden hout snijdt, dan zou dat op zijn minst drie fnuikende consequenties hebben. De beleidsvisies verleiden ons tot de illusie van de leeftijdloze oudere, zij ontkennen de ambivalenties van de ouderdom, en zij ondergraven de solidariteit met mensen in de allerlaatste levensfase.

Allereerst: de tijd lijkt nauwelijks vat te hebben op de ondernemende senior die ons wordt voorgetekend. Hij wordt leeftijdloos ouder. Hij is de vleesgeworden exponent van het liberale ethos dat burgers als individuen beschouwt, die niet op hun leeftijd mogen worden gediscrimineerd. „Het autonome individu is jong en sterft nooit”, merkte de socioloog Th. Luckmann ooit op. Leeftijd is een instrument of een obstakel, maar heeft geen constitutieve betekenis voor de persoonlijke identiteit. We raken inmiddels gewend aan 21-jarige kamerleden of internetmiljonairs, vijftigers die met pensioen gaan, 65-jarige studenten in de collegebanken van de universiteiten en zeventigjarige vaders die aangifte komen doen van hun pasgeboren kind. We zijn bewust op weg om een age irrelevant society (Featherstone) te creëren, een leeftijdloze samenleving. De Leeftijdswet verbiedt nu ook werkgevers een ongefundeerd onderscheid naar leeftijd in het personeelsbeleid. ’Ageless Body, Timeless Mind’ luidde in de jaren negentig de titel van een bestseller van Deepak Chopra. ’Age markers’ heten de rimpels, de grijze haren en de uitgezakte lichaamsdelen, waarvan de farmaceutische industrie en de plastische chirurgie, de schoonheidssalons en fitness- en voedingscentra ons gelukkig weten te verlossen.

Zo lijkt deze generatie zich voor te bereiden op de ouderdom: door zich er krampachtig tegen te verzetten. Viagrapillen, haartransplantaties, voedingssupplementen en hormoonbehandelingen moeten de grijsaard buiten de deur houden. De ’bejaarde’ mág eenvoudig niet meer bestaan.

Maar een 55-jarige is nu eenmaal geen 35 meer, ook al voelt hij zich even fit als de 35-jarige van weleer; hij is 55, en zal dat weten dat ook. Deze ontkenning van onze Geschichtlichkeit lijkt te zijn ingegeven door een afkeer van het ouder worden en een onvermogen om de ambivalenties ervan onder ogen te zien.

Hier stuiten we op een tweede tekort in toekomstvisies op ouderenbeleid. Ouder worden is zowel een last als een zegen – en dat allebei tegelijk, om met de Bijbel te spreken. Het bereiken van een aartsvaderlijke leeftijd is een geschenk van God, maar tegelijk klinkt het aangevochten gebed van de eenzame: ’Nu ik oud en grijs geworden ben, verlaat mij niet o God’ (Psalm 71:18). Behalve de winst van meer evenwicht, bezonnenheid en complexiteit, brengt het ouder worden onherroepelijk ook een verlies aan tempo en flexibiliteit, een toenemende kwetsbaarheid en afhankelijkheid met zich mee. Naarmate de tweede levenshelft vordert (en die begint op het moment dat je beseft dat er geen derde volgt), neemt de confrontatie met de dood en de eigen eindigheid toe. Bij ouder worden hoort de prolixitas mortis, schrijft Gregorius de Grote: een gedurige aanwas en ophoping van stukjes dood in je bestaan, het besef elke dag een beetje meer te sterven. Mensen om ons heen vallen weg, we verliezen lichaams- en geesteskracht, we krijgen meer teleurstellingen te verwerken, het leven heeft ons telkens wat minder te bieden.

Maar in hun focus op een zegenrijke Derde Leeftijd proberen beleidsmakers en visieontwikkelaars de last van het ouder worden zoveel mogelijk op conto van de vierde levensfase te schuiven. Dan pas takelen we af en gaan we dood, en het liefst snel een beetje. Gerontologen hebben het over een ’rectangularization of the survival curve’: het oprekken van de gezonde Derde Leeftijd en inkrimpen van de kwetsbare Vierde.

De ambivalentie van de ouderdom als last en zegen, winst en verlies, feest en ramp wordt netjes verdeeld over de twee gescheiden levensfasen en zo schijnbaar beheersbaar gemaakt. In werkelijkheid verloopt natuurlijk geen mensenleven volgens het boekje van fase drie naar vier. Wie de Derde Leeftijd alleen als een tweede jeugd beschrijft, maakt van haar een mythe. Verlieservaringen horen bij de tweede levenshelft, ook als je de touwtjes ervan nog goed in handen hebt. Die zijn niet te managen, alleen moedig en wijs te ondergaan en te verwerken. Maar het activisme van de ondernemende oudere weet geen raad met het onvermijdelijke. Het heeft geen vocabulaire voor de existentiële confrontatie met eindigheid en dood. Beleidsvisies gaan vooral over wonen, zorg en welzijn, over participatie en employability – en zelden over zingeving. De geseculariseerde babyboomer die ze bedenkt, heeft blijkbaar een blinde vlek voor fundamentele levensvragen.

Een derde consequentie van een blindelings geloof in de vitale Third Ager is dat de oudere met de rug naar de Vierde Leeftijd gaat staan. Als het even kan, wil de actieve senior die vermijden, en verklaart hij dat hij het liefst, zodra hij aftakelt, ’eruit wil stappen’. Dan is hij klaar met leven. Ondanks zijn wilsbeschikking en euthanasieverklaring beseft hij ondertussen wel dat hij zich financieel toch voor zijn laatste levensfase moet indekken. Maar zich er innerlijk op voorbereiden en tot acceptatie komen als het zover is? Hij mag er niet aan denken. Alleen al het vooruitzicht dat hij dement zou kunnen worden is een verschrikking. Zodra Bert Keizer een stukje over je kan schrijven, kun je beter dood zijn.

De huidige generatie bedenkers van nieuw ouderenbeleid lijkt de ’bijna panische afschuw’ voor de aftakeling te delen, die Huib Drion in 1991 tot zijn pleidooi voor zijn zelfdodingspil bracht. „Het is natuurlijk goed dat er zulke tehuizen bestaan, en het is goed dat er mensen bereid zijn hun zorgen te geven aan die van anderen afhankelijk geworden, veel eisen stellende en niet altijd gemakkelijke mensen. Maar veel oude mensen hebben slechts één gedachte: als me dát maar bespaard blijft.”

Deze weerzin tegen het menselijke verval zal effect hebben op de mate van solidariteit in de intensieve ouderenzorg. Het draagvlak daarvoor lijkt af te kalven. Beleidsmakers die hun eigen ouder worden innerlijk niet accepteren, zullen ook weinig ruimte willen maken voor dat van anderen. Wie in zijn Vierde Leeftijd in een verpleeghuis belandt (gelukkig is dat een steeds kleiner wordend percentage, zeggen de scenario’s), heeft pech gehad of zijn zaakjes niet goed geregeld. Een ’zorg van redelijke kwaliteit (tweesterrenzorg) voor de afhankelijke burger’ – dat is wat ’Generatie op komst’ wenst voor de oudere die niet ondernemend en actief genoeg geweest is.

Maar niets wijst erop dat deze zorg straks ook feitelijk gegarandeerd kan worden. „Willen de meer draagkrachtigen meebetalen aan iets waar ze zelf niet snel iets aan zullen hebben?”, schrijft deze toekomstverkenning. Een retorische vraag. Een sterretje meer in de zware zorg zal straks iedereen echt zelf moeten regelen.

Het beeld van de actieve, gezonde en ondernemende oudere past zó goed bij de huidige generatie babyboomers dat het lijkt alsof ze het zelf hebben bedacht. Maar het ideaal blijkt al veel ouder te zijn. In zijn ’The Journey of Life. A Cultural History of Aging in America’ uit 1992 beschrijft de gerontoloog Thomas R. Cole hoe men in de Verenigde Staten tot in de negentiende eeuw het ouder worden niet anders dan existentieel tegemoet kon treden.

De belangrijkste opgave was om te leren in het reine te komen met de inherente beperkingen van het menselijke bestaan. Binnen die begrenzingen zochten mensen naar liefde en betekenis in het aangezicht van de dood. Maar liberalen, positivisten en puriteinen wilden van die grenzen niet meer weten. Hun nadruk op fysieke zelfcontrole luidde het einde in van de kunst om de ambiguïteit en contingentie van het menselijke leven evenwichtig tegemoet te treden.

In hun poging om de ouderdom te beheersen creëerden victoriaanse moralisten in de negentiende eeuw een rigide dualisme, aldus Cole. Ieder die een leven leidde van hard werken, geloofsvertrouwen en zelfdiscipline zou gezondheid en onafhankelijkheid kunnen handhaven tot op hoge leeftijd, gevolgd door een snelle, pijnloze natuurlijke dood. Alleen de luie, ongelovige en promiscue levende mens was gedoemd om een voortijdige, miserabele dood te sterven. Het lichaam was een fonds van fysiek kapitaal, waarin je moest investeren en dat je goed moest beheren. Gebrek en verval waren een teken van falen, en riepen terecht gevoelens van schuld en schaamte op. De puriteinen zagen een kwade oude dag als straf voor de zonde.

Zijn we inmiddels veel verder? Dezelfde mythe van de maakbare ouderdom speelt ons nog steeds parten, ook nu we het vooruitgangsgeloof in de wetenschap kwijt zijn geraakt. De hoop op goed oud worden is nog steeds gevestigd op selfmanagement, al is de heilgymnastische taal van het negentiende-eeuwse hygiëne-ideaal vervangen door het ambitieuze jargon van het dynamische ondernemen. Ook nu worden de ambivalenties van de ouderdom ontlopen. Hij krijgt opnieuw twee verschillende, van elkaar gescheiden gezichten mee, nu in de vorm van een rigide dualisme tussen een goede Derde en een kwade Vierde Leeftijd.

Ik betwijfel of de komende generaties ouderen echt geholpen zullen zijn met dit vertekende beeld van de ouderdom. „Er zijn twee soorten problemen in het leven”, schreef de dichter T.S. Eliot. „De ene soort vraagt: wat gaan we eraan doen? De andere stelt andere vragen: wat betekent het? En: hoe moeten we er ons toe verhouden?” Vergrijzing wordt tot nog toe vooral als een beheersingsvraagstuk gepresenteerd. Maar wat betekent oud worden voor ons, en wat doen we met het onvermijdelijke ervan? Als op die vraag nu eens beleid werd gemaakt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden