Weeshuis

Het is vrijdagavond. Ik loop door wat eens de Amsterdamse Jodenhoek heette. Vroeger moeten hier op dit uur achter welhaast ieder venster sjabbeskaarsen hebben gebrand. Toen was het nog een doolhof van straatjes en stegen, waar het joodse lompenproletariaat met gezinnen van tien of meer personen in verkrotte eenkamerwoningen huisde. Maar in de oorlogsjaren werd de overbevolking met grote voortvarendheid teruggedrongen. Nu is de wijk op sjabbes donker als het graf.

Omdat er een koude wind staat die me zowat uit mijn jas blaast, ga ik in de Rapenburgerstraat een café binnen. De ruimte blijkt te zijn afgehuurd voor een verjaardagsfeest. Er wordt juist een polonaise gedanst. Op oorverdovende muziek slierten geblondeerde dames en breedgeschouderde heren tussen de tafels door. Ze scheren rakelings langs me heen, wanneer ik met een glas thee in een hoek ga zitten. In het verleden was luidruchtige vrolijkheid binnen deze muren streng verboden. Toen bevond zich hier de regentenkamer van het Nederlandsch Israëlitisch Weesmeisjeshuis. Het gebouw werd in 1861 door de wezen en hun verzorgsters betrokken. In de negentiende eeuw kregen Nederlandse weeskinderen geen zachtzinnige behandeling. Ze waren niet beter af dan de weeskinderen in de grimmige romans van de gezusters Brontë en Charles Dickens. Door hun zogenaamde weldoeners werden ze massaal te werk gesteld in spinnerijen, waar ze werden afgejakkerd en uitgebuit tot ze erbij neervielen. De ingezetenen van het joodse meisjesweeshuis hadden het dus naar verhouding goed getroffen, al was het gestichtsleven vol verplichtingen. De kinderen moesten wassen en strijken, kousen breien, kapotte kleding herstellen, schoenen poetsen, mantels schuieren en nog veel meer. Bovendien gingen er heel wat uren heen met bijbelonderricht en gebedsoefeningen, want de wezen werden grootgebracht in de vreze Gods. Wanneer de regenten het gesticht bezochten, zongen de kinderen hen in koor vrome liederen toe.

Zij God met U, Uw leven lang.

O God, verhoor deez' bede!

Blijft gij bevrijd voor zorg en drang.

Uw deel zij steeds de vrede!

Terwijl ik mijn thee drink, laat ik mijn blik gaan door de voormalige regentenkamer. De kroonluchter, de lambrizering en het behang hebben de tijd doorstaan, maar de regenten zijn lang verdwenen. En de meisjes? Tot 1943 moet het gebouw hebben geritseld van hun gesteven rokken en schorten. Toen, in de vroege morgen van 10 februari, kwamen er Duitse politiemannen aan de deur. ,,De inrichting gaat vandaag op transport.'' In de gauwigheid kleedden de kinderen zich aan. Ze kregen toestemming om vóór hun vertrek te ontbijten. Terwijl ze hun brood kauwden, stonden in de straat de overvalwagens klaar. Een paar oudere meisjes wisten door de achtertuin te vluchten, de anderen ondergingen hun lot gelaten. Al sinds een jaar waren hun plunjezakken gepakt. Al sinds een jaar hadden ze geleefd in spanning. Vergezeld van hun directrice en de leidsters werden ze om halfelf in de wagens geladen en door omstanders uitgewuifd. Ze reisden, met de inwoners van vier andere joodse kindertehuizen, per trein naar Westerbork. De meesten van hen zouden Amsterdam nooit terugzien.

Mijn thee is op. Twee feestvierders dansen intussen bovenop een tafel, terwijl de rest er joelend en in de handen klappend omheen staat geschaard. Als ik buiten kom, word ik overvallen door de wind en de stilte. De echo van mijn stappen weerkaatst tegen de huizen. Het is alsof elke stap in veelvoud wordt vermenigvuldigd. Het is alsof ik door de lege straat honderden voeten hoor gaan, honderden opgejaagde kindervoeten in strakgeveterde weeshuis-schoenen. Met af en toe het geluid van een plunjezak die over de stenen wordt gesleept, te zwaar om te dragen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden