Wees wat creatiever met hulp aan Suriname

De Nederlandse regering heeft vorige week Suriname weer laten weten voorlopig geen heil te zien in een gesprek over de hervatting van de ontwikkelingssamenwerking. Eerst, zo luidt de strenge Nederlandse boodschap, dient het bestuur in Suriname op orde te zijn.

De dagen van vanzelfsprekend Haags engagement met Suriname behoren sinds het aantreden van het kabinet-Kok II tot het verleden, mogelijk voorgoed.

Toch is het te gemakkelijk de voormalige kolonie nu als 'zomaar een buitenland' te beschouwen, zoals minister van buitenlandse zaken Van Aartsen en minister voor ontwikkelingssamenwerking Herfkens het graag zouden hebben.

Langzamerhand zouden ook zij eens wat meer interesse en creativiteit aan de dag mogen leggen. En dat niet alleen vanwege het feit dat, toen het kabinet-Den Uyl vijfentwintig jaar geleden de onafhankelijkheid van Suriname hielp verwezenlijken, Nederland plechtig heeft verklaard verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling van Suriname te aanvaarden. Suriname wijst daar graag op. De afspraken daarover resulteerden onder meer in een 'bruidsschat': een bedrag van ruim 3,5 miljard, dat in tien tot vijftien jaar zou worden uitgegeven, maar waarvan - mede doordat Den Haag allengs meer voorwaarden ging stellen - nog steeds zo'n 600 miljoen over is.

De gedeelde geschiedenis, cultuur- en taalverwantschap tussen Nederland en Suriname en het feit dat hier een grote Surinaamse gemeenschap woont, zijn reden genoeg waarom Nederland Suriname niet als 'een buitenland als alle andere' kan beschouwen. Dit geldt temeer nu Suriname sinds, en mede door, de overhaast bewerkstelligde onafhankelijkheid in 1975 in een diepe crisis is terechtgekomen.

Tot nu toe is het Nederlandse beleid sterk reactief en daarbij bovendien niet altijd consistent geweest. De sterke intensiteit en ook emotionaliteit van de banden hebben de uitvoering van een zakelijke ontwikkelingsrelatie belemmerd. Het lijkt me daarom goed de ontwikkelingsrelatie te internationaliseren door inschakeling van organisaties als de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds.

Het is waar dat de deugdelijkheid van het bestuur in Suriname reeds zolang dusdanig tekortschiet, dat directe samenwerking met de Surinaamse overheid moeilijk is. Dat neemt echter niet weg dat Nederland wel kan aanbieden een substantiële bijdrage te leveren aan de verbetering van de deugdelijkheid van het bestuur. Die hulp kan uitstekend via niet-gouvernementele organisaties lopen, zoals nu overigens ook al gebeurt.

Deze overwegingen leiden mij tot de conclusie dat Nederland de komende tijd ruimhartig ontwikkelingshulp dient te verlenen aan Suriname, maar in een geïnternationaliseerde structuur en mits het Surinaamse beleid beantwoordt aan internationaal gangbare criteria van deugdelijkheid van bestuur. Wat mij betreft wordt daarvoor eerst de 600 miljoen gulden aangewend waarop Suriname nog recht heeft. Maar ook als dat bedrag op is, dient Nederland op een fatsoenlijke manier de ontwikkeling van Suriname te blijven ondersteunen.

Tegelijkertijd moeten we echter ook verder in de tijd kijken, en onszelf, maar vooral ook Suriname niet wijsmaken dat de intensiteit van de banden gelijk zal blijven. Het is een illusie te denken dat Nederland en Suriname over, zeg vijftig jaar nog even nauw met elkaar verbonden zullen zijn als thans het geval is. Nederland zal hiertoe niet bereid blijven en de Surinaamse gemeenschappen hier en daar zullen uit elkaar groeien.

Suriname doet er verstandig aan hierop vooruit te lopen en consequenties te trekken voor het eigen beleid. Ondanks zijn grote oppervlak is Suriname immers een zeer klein en kwetsbaar land, dat gedwongen is zich aan te sluiten bij andere landen. Nederland heeft ook na de onafhankelijkheid in 1975 voor Suriname gediend als life line, maar daarmee tevens de isolatie van Suriname in de omliggende wereld bevestigd.

Suriname dient zich af te vragen of het werkelijk in de Caribische en Latijns-Amerikaanse regio wil integreren, zoals het zo vaak heeft gezegd. Indien het land de vraag bevestigend beantwoordt, dient Suriname daaruit ook de consequenties te trekken (economisch, sociaal, taalkeuze).

Nederland (met inbegrip van de Surinaamse gemeenschap in Nederland) dient zichzelf de vraag te stellen, en hierover ook aan Suriname duidelijkheid te verschaffen, wat het Suriname in de komende decennia kan en vooral wil bieden, en onder welke voorwaarden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden