Wees niet bang om onzin te spreken

Voordat de maand van de filosofie om is, tijd voor een moderne denker met aandacht voor de ziel: Ludwig Wittgenstein. Voor de ziel gebruikt hij ook andere termen, zoals 'een instinct dat we hebben' of 'een ervaring binnenin ons'. Hij werd eind negentiende eeuw in het broeierige Wenen geboren, in een rijke, rooms-katholieke familie met een Joodse achtergrond. Hij schudde aan de fundamenten van ons denken - tot glorie van God, hoopte hij.

'Kunt u bewijzen dat er geen neushoorn in de kamer is?' vroeg hij de filosoof Bertrand Russell. Hij was kritisch op de vanzelfsprekende manier waarop we de wereld waarnemen. Daarmee stond hij in de traditie van de mystici.

Wittgenstein gaf een forse impuls aan de analytische filosofie, een denksport die op harde, objectieve feiten jaagt. Tegelijk had hij de diepe intuïtie dat de werkelijkheid meer is dan een optelsom van dingen. Daarvoor, zei hij, hoef je niet kerkelijk opgevoed te zijn. 'Het leven zelf kan je leren in God te geloven'. Hierover kreeg hij ruzie met de atheïst Russell. Wittgenstein hekelde wat hij de verafgoding van het natuurwetenschappelijke denken noemde. Zo willen atheïsten een 'bewijs' dat het geloof waar is, wat hij even bizar vond als bewijs eisen dat een muziekstuk mooi is.

Hoe kun je dan over geloof spreken? In een lezing over ethiek geeft hij het voorbeeld van je veilig geborgen voelen in Gods hand, een ervaring die hij persoonlijk kende en als het hart van religie zag. Als we zeggen: 'Ik voel me veilig in de geborgenheid van mijn kamer', dan beperken we die geborgenheid tot een concrete kamer waarvan we objectief aan kunnen tonen dat die niet geramd kan worden door een autobus. Maar zeggen: Ik ben eeuwig veilig in Gods hand, is problematisch omdat diezelfde bus ons immers morgen grommend te grazen kan nemen wanneer we aan het winkelen zijn.

Deze uitspraak is daarom geen wetenschappelijk feit, maar een gelijkenis. Dat geldt voor alle religieuze taal - ook als we zeggen dat God de wereld geschapen heeft of dat hij over ons oordeelt. Zulke uitspraken verwijzen naar ervaringen die grote invloed op ons kunnen hebben; ze roepen bijvoorbeeld verwondering of schuld op. Maar ze betreffen geen objectieve feiten en zijn daarom, wetenschappelijk gezien, 'Unsinn'.

Die 'onzin' is geen jammerlijke tekortkoming van spirituele ervaringen, maar behoort juist tot hun essentie, betoogt Wittgenstein. Ze overstijgen immers onze wereld en daarmee ons denkvermogen en taal. Alles wat we zeggen over de uiteindelijke bedoeling van het bestaan valt buiten de wetenschap. 'De zin van de wereld ligt buiten de wereld.'

Vandaar zijn opgewekte oproep, ook relevant voor pastores: 'In hemelsnaam, wees niet bang om onzin te spreken! Alleen, doe het niet gedachteloos.' Gaandeweg begreep hij de apostel Paulus beter, die over 'de dwaasheid van het kruis' spreekt.

Wetenschap wil objectief en universeel zijn. Persoonlijke waarden, gevoelens en overtuigingen worden zoveel mogelijk geparkeerd. De wetenschap kan daarom wel uitleggen hoe onze hersenen werken, maar ons nooit vertellen wie we zijn. Wittgenstein voorspelde dat 'wanneer alle mogelijke wetenschappelijke vragen beantwoord zullen zijn, de levensvragen onverminderd blijven bestaan.'

Velen beschouwen zijn spiritualiteit als een curieuze hobby die niets te maken heeft met zijn grote bijdrage aan de filosofie. Ik zie dat heel anders: Wittgensteins besef dat de werkelijkheid een mysterie is, was de bron van zijn scherpe inzicht in de beperkingen van de menselijke waarneming en taal. Wie hem leest, schudt meewarig het hoofd over wetenschappers die de realiteit reduceren tot het lillende weefsel onder hun microscoop.

Wittgensteins overtuiging dat de wereld groter is dan we in woorden kunnen vatten, maakt dat hij er fragmentarisch over schrijft, indachtig zijn bekende stelling: 'Waarover we niet kunnen spreken, moeten we zwijgen.' Een echo van de mysticus Eckhart: 'Over God wil ik zwijgen.'

Toch schrijven de mystici veel over het leven met God, in taal die de grenzen van het ik en de taal wil doorbreken. Wittgenstein spoorde anderen aan om 'onzin' te spreken, waarom deed hij dat zelf niet?

Uit Ray Monks biografie 'The Duty of Genius' blijkt dat hij een sterk gevoel van onwaardigheid had. Hij oordeelde streng over zichzelf, en daarmee ook over anderen. Dat maakte het moeilijk om mensen of God dichtbij te laten komen, waardoor hij nauwelijks kon veranderen. In 1942 concludeert hij in zijn dagboek: 'Blijkbaar ben ik niet in staat om van mijn leven te leren. Ik lijd nog precies zo als vele jaren geleden. Ik ben niet sterker of wijzer geworden.'

Staande op de drempel van overgave bleef hem, eerlijk als hij was, niets anders over dan te zwijgen. 'Er zijn inderdaad dingen waarvoor je geen woorden hebt. Ze openbaren zich. Ze zijn mystiek.'

Als een onbewijsbare neushoorn in je kamer.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden