'Weer tijd voor harde, lelijke kunst, alles moet anders'

Tot ik 't mezelf een jaar of zeven geleden niet meer aan wilde doen, ging ik jaarlijks naar het Amsterdamse Stedelijk Museum om mijn walging op peil te houden. Dan stond er bij voorbeeld een interview met een kunstpief in de krant waarin sprake was van de aankoop van een hoogstbelangrijk kunstwerk a 150 000 gulden. Ging ik kijken, dan bleek het een blauwgetjette muur te zijn waar een servies op kapot gesmeten was, waarna de kunstenaar de scherven in willekeurige formatie op de muur had vastgeplakt.

Door de stilte van het museum riep ik dan wel tot bezoekers die ernstig naar vegen en vlekken staarden alsof het een Rembrandt betrof: “Vinden jullie dat nou echt mooi?” Iedereen keek verstoord op, want in die tijd gold er een vloek die je nooit over het geknoei in galeries en musea mocht zeggen, namelijk: “Dat kan mijn kleine broertje ook.”

De tijd is gelukkig veranderd. Iets moois maken mag nu weer. Ik schrok dan ook toen ik in de Amsterdamse Uitkrant van september een interview met directeur Rudi Fuchs van het Stedelijk las dat als volgt gekopt was: 'Het wordt tijd voor harde, lelijke kunst, alles moet anders'. En: 'Zijn carriere staat in het teken van omverwerping en avontuur'. Daaronder een foto van een middelbare boeddha die met een gecapitonneerd klauwtje een kwabbige wang ondersteunt. Avontuur? Dit is meer iemand die elke avond op tijd thuis is om te eten, en nog vaak een hapje tussendoor neemt.

Laat ik niet helemaal negatief doen over kunstland. Er loopt echt een handjevol mensen in rond waarvan ik blij ben dat ze bestaan, die fantastische ideeen hebben en uitvoeren.

Maar mij maakt niemand wijs dat die het resultaat zijn van wat bij de kunstenaarsbond de humustheorie heet, waarmee het subsidieren van half- en kwarttalenten bepleit wordt: hoe meer kunstenaars er zijn, al zijn ze minder dan middelmatig, hoe beter het klimaat is voor echt grote talenten. De mesthoop waar dan een enkele bloem op groeit.

Toen ik in 1967 op de kunstacademie begon, bleken tot m'n stomme verbazing maar weinigen van mijn jaar enige artistieke begaafdheid te bezitten. Nog stommer was ik verbaasd toen diverse docenten lieten merken dat ze het bezit van iets als tekentalent juist als een handicap beschouwden. Het ging in de kunst om het concept. En hoe dat op geavanceerde wijze te visualiseren konden zij je wel bijbrengen.

Het ging voornamelijk ook om neventalenten: een flink ego, opvallend gedrag en verkooptrucs. Wat dat in de jaren '70 en '80 aan flauwe kul opgeleverd heeft, kan men op de Vrije Universiteit zien hangen, en in andere openbare gebouwen waar spullen uit de BKR, de Beeldende kunstenaars regeling terecht gekomen zijn.

Ik moet erg lachen om dat relletje vorige maand rond de VU, als zou daar voor een miljoen aan kunst verdwenen zijn. Dat miljoen is er indertijd misschien voor betaald, maar waard is die troep dat allang niet meer. De overheid probeert gewoon over de rug van de VU nog even wat terug te vangen van het geld dat ze zelf via de BKR over de balk heeft gesmeten.

Nog komischer is dat diezelfde overheid, nu de BKR afgeschaft is, als een razende bezig is alle kunstwerken te lozen die ze zo tussen 1970 en 1985 heeft verworven. Voor 1 januari 1994 moeten al die gigantische depots leeg zijn. Hierin worden twee soorten beleid gevoerd. Van de gemeente Amsterdam krijgt een kunstenaar op aanvraag alles wat zich van hem in de opslag bevindt gratis terug, plus een lijst van de plaatsen waar de rest van zijn werk uithangt. Van het Rijk, in Den Haag, krijgt hij voorlopig alleen zo'n lijst. Het Rijk geeft in rap tempo alles uit de kunstdepots cadeau aan ziekenhuizen, bejaardenoorden etc. Wat er op 1 januari over is, kunnen de kunstenaars terug krijgen.

Vergeefs heb ik geprobeerd erachter te komen wat er gebeurt met werk van een artiest die dood is, of die van de uitdelerij niet op de hoogte is. Zou vernietigen mogen? In een flink aantal gevallen zal het wel moeten. Kunstwerken met gaten, scheuren en vlekken, kapot glas en gebroken lijsten is wat de bezoeker aan 's Rijks depots aantreft. Nu was het meeste werk toch al vlekkerige nonsens, maar als je ook nog weet hebt van de plotselinge weggeefwoede van de overheid, klinken de bezorgdheid over de 'vermiste kunst' aan de VU, en dreigementen met een 'gepeperde rekening' nogal grappig.

De BKR was een soort verkapte, luxe bijstand. De gediplomeerde of anderszins erkende kunstenaar bracht vier keer per jaar wat spullen naar een commissie die dan zoveel aankocht dat hij drie maanden uitkering kon krijgen, plus vergoeding voor atelier, materiaalkosten en studiereizen. Dat was een erg feestelijke tijd. Ik heb ook een tijdje meegedaan. Voordien sleepte ik tien jaar lang met etsjes en andere aardige handel langs kunstmarkten. En deed er af en toe een baantje bij uit de onderbetaalde sector, schoonmaken of zo, om in leven te blijven.

De ene na de andere collega verklaarde me voor gek als ik niet ook gebruik ging maken van de BKR. Hetzelfde etsje dat met veel moeite 100 gulden opbracht op de kunstmarkt, kon je voor 1100 kwijt bij het Rijk. Bovendien was ik dan van die lange dagen achter een kraam hangen verlost. En ook van kijkvolk dat mayonaise op m'n werk morste of opmerkingen maakte als: “Leuk hoor mevrouw, maar honderd gulden is wel veel geld.” Op naar de BKR dus.

Maar ik werd er triest van. Schilderijen waar m'n ziel in lag, verdwenen voorgoed naar vreemde kantoren of bewaarkelders. Ik deed het vast verkeerd. Een collega deed het beter, die ging “even een drol achter een glaasje plakken” als het inleverkwartaal weer was aangebroken. Mooi werk hield hij zelf.

Toen ontdekte ik dat schrijven eigenlijk veel leuker is dan kunst maken: ik schrijf dit stukje en hoe vaak het ook gelezen wordt, ik raak het niet kwijt. En krijg nog muntjes toe.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden