Weer is de vooruitgang te temmen

Je zou het een idiote onderneming kunnen noemen met het jaar 1898 als uitgangspunt iets zinnigs te zeggen over het voor ons liggende jaar 1998 en de wijze waarop wij thans aan poort staan van wederom een nieuwe eeuw. Maar zo idioot is het ook weer niet als we bedenken hoe direct ervaringen uit de vorige eeuw ook nu nog een rol kunnen spelen. zo kent iedereen wel de verhalen van grootvader of grootmoeder en vermoedelijk zal ik de enige niet zijn die op jeugdige leeftijd nog een stokoude oom sprak, die zich levendig de verhalen kon herinneren van mensen die de Napoleontische tijd nog hadden meegemaakt.

Zulke verhalen kunnen zelfs op een directe manier de hedendaagse politiek toonzetten. Neem Frits Bolkestein. De VVD-leider blijkt, zoals hij een en ander maal heeft gezegd, een groot bewonderaar te zijn van de oude Drees. Trouwens niet alleen hij, ook Lubbers ging af en toe graag bij de oude staatman langs en hoewel het in de PvdA een tijdlang mode is geweest om Drees te verguizen, was Den Uyl toch bijzonder op hem gesteld. En tegenwoordig zien velen - en niet ten onrechte - in Wim Kok in hoge mate de verpersoonlijking van Drees.

Voor al deze toonaangevende politici geldt dat ze Drees en het Drees-tijdperk nog uit directe waarneming kennen. Ze kennen niet alleen de verhalen over zijn legendarische zuinigheid, maar weten ook hoe hij vorm en inhoud heeft gegeven aan opbouwperiode van na de Tweede Wereldoorlog en kennelijk zagen zij daar veel waardevols in terug. Waarom anders die waardering, of zelfs bewondering?

Deze Drees nu werd geboren in juli 1886. Hij zal ons magische jaartal van 1898 vermoedelijk niet zo bewust hebben meegemaakt. Wat we wel weten is dat hij al in 1903, als 17-jarige, volop zijn neus stak in de woelingen van die dagen, zoals de de spoorwegstaking. Drees was er bij om te zien hoe mensen als Domela Nieuwenhuis en Troelstra zich in de strijd roerden en een jaar later zat hij zelfs op de publieke tribune van het Amsterdamse Congres van de Tweede Internationale, waar Jean Jaurès en August Bebel streden over de vraag of socialisten mee mochten doen aan een 'burger'-regering. Sindsdien heeft Drees geen enkel congres of belangrijke bijeenkomst van de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP) overgeslagen.

Het kan niet missen of de jaren rond de eeuwwisseling hebben een beslissend stempel gedrukt op zijn latere politieke en staatkundige opvattingen. De kern daarvan is dat Drees (blijkens een in 1996 gepubliceerd manuscript dat hij in de oorlogsjaren had geschreven) niet alleen een bewogen socialist is, die pleit voor vergaande sociale maatregelen en socialistische hervormingen, maar vooral ook een nuchtere realist die onverstoorbaar wenst vast te houden aan de democratische verworvenheden. Dat is opmerkelijk als men zich bedenkt hoe juist in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog en ook tijdens die oorlog voor menigeen de balans ten nadele van de democratie was uitgepakt. Die had gefaald, heette het.

In een inleiding bij de publicatie van het Drees-geschrift herinnert de Leidse hoogeraar Daalder er aan hoe deze geluiden toen in brede kring werden gehoord. Colijn schreef in de eerste jaren van de oorlog zijn bedenkelijke brochure Op de grens van twee werelden. Voormannen van de Nederlandse Unie roerden zich. Hoge ambtenaren grepen hun kans. Maar ook in Londen bij sommige ministers en ambtenaren, bij inlichtingendiensten, Engelandvaarders of representanten van het zakenleven heersten bedenkelijke opvattingen, die ook nog opgeldt deden bij de top van het Militair Gezag in 1944 en 1945. “Om niet te spreken van koningin Wilhelmina die voor zichzelf in de toekomst een nieuw rol zag als de persoonlijke leidsvrouwe van haar eigen ongedeelde 'Heldenvolk”', aldus Daalder.

Zo niet Drees. Anders dan KVP-leider Romme die in de oorlogsjaren een dubieus boek schreef over het corporatisme, hield Drees vast aan de grondslagen van ons democratisch bestel. Geen wijziging van de ministeriële verantwoordelijkheid. Geen versterking van het persoonlijk koningschap. Geen corporatieve elementen in de samensteling van de volksvertegenwoordiging. Hij verzette zich ook tegen pogingen de terugkeer van vooroologse politieke partijen te verhinderen of te bemoei- lijken. Drees geloofde in de democratie.

En dat zei een vertegenwoordiger van een partij die voor de oorlog systematisch buiten de regeermacht was gehouden. Voor veel socialisten was dat weer een reden de rooie droom levend te houden van een langs revolutionaire weg afgedwongen socialistische samenleving, met voorbijgaan dus van het parlement en de parlementaire besluitvorming. Troelstra was al eens voor die verleiding bezweken, in 1918, en ook na de oorlog wenkte de revolutie, getuige de sterk opkomst toen van de communistische partij CPN. Maar zoals gezegd, Drees moest er niets van weten. Hij wist zeker dat de socialistische idealen het beste langs democratische weg gerealiseerd konden worden. Waar haalde Drees die zekerheid vandaan?

Ik moet me al sterk vergissen of de beleidsdaden van het puur liberale kabinet-Pierson-Goeman Borgesius (1897-1901) hebben in zijn afweging ten gunste van de burgerlijke democratie een doorslaggevende rol gespeeld. Dat kabinet trad aan op een moment dat de industrialisatie in Nederland, veel later dan elders in Europa, toch nog in een stroomversnelling geraakte. De produktiviteit van de industrie ging van jaar op jaar met sprongen van soms wel tien procent en meer omhoog. Overal in het land werden spoorwegen aangelegd. Het electriciteitsnet werd snel uitgebreid, de telefoon en de telegraaf begon in ieder gehucht door te dringen. De medische wetenschap beleefde opmerkelijke doorbraken. Freud ontwikkelde een nieuwe kijk op de mens. De fiets zorgde voor een ongekende mobiliteit. Kortom, Nederland raakte in de greep van de vooruitgang.

Het was het soort vooruitgang dat Europa in recordtempo naar het toppunt van zijn macht en rijkdom voerde. In het Britse rijk ging de zon niet onder. Vanuit kolonieën over de hele wereld werden de grondstoffen aangevoerd om een bloeiende industrie te voeden. In Engeland, Frankrijk, Duitsland en in Nederland stapelden zich onvoorstelbare rijkdommen op. De historicus Jan Romein beschrijft in zijn 'Op het breukvlak van twee eeuwen', hoe het in het Engeland van 1898 doodnormaal was dat de rijksten over een jaarinkomen konden beschikken dat zo'n vijftienhonderd tot tweeduizend keer zo groot was als dat van een mijnwerker.

Met dat inkomen viel destijds ook wel het een ander te doen. Zo beschrijft Romein hoe de Sitwells, die er goed bij zaten, maar niet tot de allerrijksten behoorden, naar hun zomerverblijf verhuisden. Daarvoor werd een speciale overeenkomst met de spoorwegmaatschappij gesloten en terwijl de familie in het gehuurde rijtuig stapte, volgden de drie dienstboden, de butler met zijn vrouw, de koetsier, de huisknecht plus een rijtuig, de paarden en zes Samo-jeden in een ander. Een nauwelijks bescheidener stoet was nodig als de vrouw des huizes even naar Londen moest om zich te laten portretteren.

In schril contrast met die macht en rijkdom stond de armoede van de miljoenen die tot de geringe stand behoorden. Een stad als Londen telde in 1898 100.000 paupers, 70.000 daklozen en 30.000 prostituées. Honderdduizenden anderen moesten zich met gemiddeld 3,69 personen beredderen in zogenaamde één-kamerwoningen. Let wel zonder sanitaire voorzieningen. In zo'n stad heerste misdaad, sterfte, ziektes, uitzichtloosheid. En niet alleen daar, in Parijs, in Berlijn, of in Moskou waren de leefomstandigheden niet veel florisanter.

Pijnlijk nauwkeurig beschrijft Romein hoe drank vaak de enige uitweg was naar althans enige vergetelheid. De gemiddelde levensverwachting lag niet veel hoger dan 44 jaar en in zekere zin was dat nog een hele troost, want voor de meeste gold dat hoe ouder men werd, hoe bitterder de armoede. In Nederland was de ellende door het late op gang komen van de industrialisatie iets minder groot. Maar ook in steden als Amsterdam en Rotterdam heerste bittere armoede en grote sociale ellende en op het platteland was het evenmin een vrolijke boel. Er gaapte een onoverbrugbare kloof tussen de geringe en de gegoede stand.

Maar in een opmerkelijk vroeg stadium, nog voor de industrialisatie goed en wel doorzette, kwam in Nederland de politiek in het geweer. Op het sociale congres van 1891 stelde Kuyper de sociale kwestie uitgebreid aan de orde, culminerend in de oproep: zij kunnen niet wachten, geen dag en geen nacht. Ook in katholieke kring kwam mede onder invloed van de de pauselijke encycliek Rerum Novarum een brede sociale beweging op gang. In 1894 werd de SDAP opgericht als een vooralsnog bescheiden beweging die anders dan de eerder optredende Sociaal-Democratische Bond van Domela Nieuwenhuis, langs parlementaire weg de idealen van het socialisme wilden realiseren.

Opmerkelijk genoeg nam het puur liberale kabinet-Pierson-Goeman Borgesius het voortouw bij de bestrijding van sociale misstanden. Het stelde zich te doel het urgentieprogram van de Liberale Unie uit te voeren. Het kabinet legde een ongelooflijke daadkracht aan de dag en zag kans meer dan tachtig procent van het program uit te voeren. Er kwamen betere arbeidsvoorwaarden, een verplichte verzekering tegen ziekte, ongevallen en invaliditeit, een verbetering van de volkshuisvesting, een humaner Armenwet en ter wille van het gelijkheidsbeginsel, voor de krijgsmacht een straffer dienstplicht, met schrapping van de ontsnappingsmogelijkheid dat remplacanten voor de dienst mogen opdraaien.

Het kabinet ging de geschiedenis in als het kabinet van de sociale rechtvaardigheid. Het legde de basis voor de latere verzorgingsstaat en markeerde zo het breukvlak van twee eeuwen waarop in de woorden van Romein, de staat de maatschappij doordringt en de maatschappij de staat doordringt. Nicolaas Gerard Pierson heeft later wel eens opgebiecht dat hij misschien iets te ver 'links' uit de boot heeft gehangen. Het gevolg was dat Kuyper met zijn antithese de daarop volgende verkiezingen zou winnen en prompt een aanzienlijk minder sociaal bewogen toon aansloeg.

Terugdraaien deed Kuyper de sociale wetgeving echter niet, zodat het Pierson is geweest die ongetwijfeld iemand als Drees ervan zal hebben overtuigd dat er langs democratische weg zeer wel sociale verbeteringen tot stand te brengen zijn. Temeer omdat diezelfde Pierson als minister van financieën eerder al het belastingstelsel had hervormd, waarmee hij zich de woede op de hals had gehaald van de leden van de deftige Haagse herensociëteit De Witte.

Uit deze korte schets valt op te maken dat de meeste politieke stromingen in Nederland rond de eeuwwisseling zich uit volle overtuiging achter de parlementaire democratie hadden geschaard. Wat belangrijker is: ze hadden er ook alle vertrouwen in dat de democratie in staat zou zijn aan de geweldige sociale problemen het hoofd te kunnen bieden. Nader gedefinieerd blijkt het in essentie om een consensus te gaan over het boeken van vooruitgang als zodanig.

Economische groei, zo hadden partijen ontdekt, is een goede manier om allerlei problemen op te lossen. Groei stelt de overheid in staat met ruime financiële middelen in het maatschappelijk proces te interveniëren, onder meer door sociale zekerheid af te dwingen. Over de verdeling van de opbrengsten van de groei werd wel stevig gebakkeleid, maar partijen waren bereid dat conflict in het parlement uit te vechten, in de politieke arena. In dat conflict leken liberalen en socialisten aanvankelijk elkaars bondgenoten, maar in de loop der jaren ontpopten zij zich meer en meer als elkaars tegenpolen. Wat de christen-democraten in de strategisch voordelige positie bracht met inschakeling van het middenveld een brugfunctie te vervullen. Wie hierin de trekken herkent van het in het afgelopen jaar voor de zoveelste keer bejubelde poldermodel, heeft geen ongelijk.

De hamvraag is of de onderliggende consensus, waarvoor in de jaren rond ons magische jaartal 1898 de basis werd gelegd, ook stevig genoeg is om in de komende eeuw als fundament te dienen. Het lijkt zo, want nog nooit is de consensus zo groot geweest. De voormalige vijanden PvdA en VVD zitten in een paars kabinet en beleven daar zo op het oog veel plezier aan. Bovendien lijken de resultaten gunstiger dan ooit. De begroting waarmee het kabinet volgend jaar, 1998, de verkiezingen in gaat is een succesbegroting van de bovenste plank. Zoals de koppenmaker van Trouw de resultaten samenvatte: Alles wat dalen moet daalt en wat stijgen moet stijgt.

Toch zijn er ook tekenen die erop wijzen dat deze consensus verstikkend werkt. Valt er bij de komende verkiezingen wel wat te kiezen nu de verschillen tussen de partijen zo klein zijn geworden? Op zichzelf zou dat niet zo'n probleem zijn, ware het niet dat er ook gerede twijfel bestaat of het poldermodel wel het panacee is de toekomstige problemen op te lossen. Het probleem van de langdurige werkloosheid is en blijft hardnekkig, ondanks het relatieve succes van de zogenaamde Melkert-banen. Veel mensen zullen zich buitengesloten blijven voelen, een probleem wat des te nijpender is als we de blik over de landsgrenzen werpen en zien hoe hele volkeren op drift zijn geslagen en tevergeefs aankloppen aan de poort van het rijke Europa. Hoe lang houden we een politiek van uitsluiting vol? Twijfel is er ook of we de milieuproblemen wel zullen oplossen. Er heerst tevredenheid over Kyoto, maar of die afspraken toereikend zijn om het broeikaseffect te temperen is de vraag. Bovendien is het onzeker of de landen zich wel aan de gemaakte afspraken zullen houden. Milieugroepen zijn sceptisch en als we kijken naar de tobberigheid waarmee in eigen land gediscussieerd wordt over Schiphol en de varkens, is er alle reden voor scepsis.

Het probleem lijkt de democratie zelf te zijn. Een kabinet dat krachtiger zou willen uitpakken, tekent al gauw voor politieke zelfmoord. Een zo goed mogelijk beheer van het bestaande lijkt zodoende het maximaal haalbare. Het maakt daarom ook niet uit welk kabinet er straks aantreedt. Als het al tot veranderingen in staat is, dan zal de wens daartoe uit de samenleving zelf moeten opborrelen. Het groeiscenario van Schiphol wordt pas aangepast, als de consument besluit wat minder zonnetripjes te maken. Wat het kabinet ook zegt.

Vergelijk deze politiek van beheer voor de aardigheid eens met de daadkracht van het kabinet-Pierson. Dat kabinet beschikte over een uiterst krappe meerderheid. Maar op basis van een uitgesproken visie durfde het zijn nek ver uit te steken. Pierson wist voor welke opgave de politiek in de komende eeuw stond en hij zorgde voor een stevig fundament dat een eeuw lang heeft standgehouden. Kok, maar ook Bolkestein en De Hoop Scheffer missen zo'n visie en leggen de volle nadruk op beheer van het bestaande. Dat is niet onbelangrijk, maar daarmee staan we toch om met Jan Romein te spreken aan het begin van de 21ste eeuw opnieuw voor een donkere poort.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden