We zijn nooit goddeloos geweest, en we zijn het ook nu niet

“Ik neig tot de aanbeveling de wetenschappelijke gegevens nog eens te martelen. Laten we beter kijken naar de waarheid achter de ontkerstening. Misschien is het wel helemaal niet waar dat de verwereldlijking zo groot is geweest als we tot dusver, op grond van onderzoek, veronderstelden.” Jos de Beus, hoogleraar filosofie en schrijver van het laatste verkiezingsprogramma van de PvdA, Wat mensen bindt, mengt zich in het debat over de moraal.

MARCEL TEN HOOVEN

Deze twijfel verklaart waarom De Beus terugschrikt voor een uitgesproken stellingname in het debat over de marginalisering van het christendom in onze cultuur en de betekenis van dat proces voor onze moraal. In het gesprek op zijn werkkamer aan de Groningse universiteit, waaraan hij sinds vorig jaar als hoogleraar is verbonden, stelt hij wedervragen over de werkelijkheid van de secularisatie. Is de verwereldlijking echt zo ver voortgeschreden als alom wordt verondersteld?

De Beus: “Wellicht zijn de mensen hun kerk, maar niet hun geloof afgevallen. Ik durf geen stellige uitspraken aan over de levensopvattingen van de mensen. Hoe staan zij in hun leven? Ik neig tot de aanbeveling de wetenschappelijke gegevens nog eens te martelen. Laten we beter kijken naar de waarheid achter de ontkerstening. Misschien redeneren we tot dusver op basis van een artefact.”

Jos de Beus is naast cultuurfilosoof ook een politiek denker, in welke hoedanigheid hij het laatste verkiezingsprogramma van de PvdA, Wat mensen bindt, schreef. In tegenstelling tot de liberalen - die vorige week nog confereerden over de rol van hun politieke leer in de instandhouding van publieke deugden - houden de sociaal-democraten zich tot dusver afzijdig van het debat over moraal en christendom. Dat is opvallend, met het oog op de christelijke traditie die de PvdA uit de 'Doorbraak' met zich meedraagt. Bovendien droeg een publicatie van een PvdA'er, René Cuperus, bij aan de opleving van dit debat. Cuperus, medewerker van de Wiardi Beckmanstichting, waarschuwde in het blad Socialisme & Democratie dat de verlating van God ook mensen buiten de kerk zorgen moet baren.

De Beus vindt de afwezigheid van de sociaal-democraten in het moraaldebat frappant: “Mensen als Banning, Tinbergen, Vorrink en andere sociaal-democratische denkers over cultuurpolitiek uit het verleden hadden altijd een band met de kerk. Cultuurpolitiek valt nu samen met extra geld voor kunstenaars en schoolhoofden, een beperkte invalshoek die in de plaats is getreden van een opvatting over gemeenschapsidealen. De mensen met macht in de PvdA zeggen tegenwoordig, nogal gemakzuchtig, dat ons geloof het vooruitgangsgeloof is en dat het vooral zo moet blijven.”

Bij zijn aantreden als hoogleraar in Groningen omschreef De Beus zijn leeropdracht als een zoektocht naar de verandering van de moraal. Onlangs maakte hij in een Studium Generale zijn gehoor deelgenoot van zijn persoonlijke ontwikkeling in de omgang met het geloof. “Ik ben een passief produkt van de snelle ineenstorting van het Nederlandse katholicisme in de jaren zestig. Zeker, ik was een militante antichrist in mijn gymnasium- en studententijd. En ik ben lid van het Humanistisch Verbond, overigens zonder een verlangen naar strijdbare bekering van anderen tot agnosticisme of atheïsme. Ja, eerlijk gezegd met de langzaam gegroeide overtuiging dat de bijdrage van de persoonlijke autonomie aan persoonlijke zingeving altijd beperkt zal blijven.”

De Beus stelt zich met deze woorden tegenover de atheïsten die zich de laatste weken in het moraaldebat roeren, zoals de filosoof Paul Cliteur, volgens wie de mens zelfstandig, zonder bijstand van God of gebod tot een zedelijk oordeel in staat is. Cliteur ziet een aanwijzing voor zijn gelijk in het ongeschonden normbesef van de mensen en de relatieve stabiliteit van ons maatschappelijk en politiek bestel, ondanks de geloofsafval die om zich heeft gegrepen.

Met een omdraaiing van de stelling geeft De Beus een wending aan het debat. Wellicht, stelt hij, wijst het uitblijven van maatschappelijke wanorde er op dat de verwereldlijking lang niet zover is voortgeschreden als tot dusver wordt verondersteld.

Dit is het sluitstuk van een redenering die begint met de constatering dat de afgelopen eeuw in Nederland de kiem is gelegd voor een bloei van het geloof, in plaats van een neergang. De Beus: “De kerk verruilde in die periode een houding van geslotenheid voor openheid naar de wereld. Zij verwierf zich een plaats in het maatschappelijk middenveld en verzoende zich met de modernisering, niet door zich over te geven maar op strijdbare wijze. Zij ging een vreedzame strijd om onderwijs-, zorg- en andere voorzieningen met de wereldlijke overheid aan. De moderne christen aanvaardde bovendien de markteconomie. Hij kon een goed christen zijn en toch geld verdienen, consumeren en materiële welvaart opbouwen. De christelijke instellingen schiepen met de leer van soevereiniteit in eigen kring op hun beurt de voorwaarde om het geloof in de private sfeer te laten bloeien en daar zuivere dienstbaarheid aan God te bewijzen. Liberalen en sociaal-democraten hebben, om elke schijn van een anti-christelijke houding weg te nemen, altijd dezelfde reden aangevoerd voor de scheiding van kerk en staat, naast het argument dat het onwenselijk is als de staat zich met kerkse zaken bemoeit.”

“De afgelopen decennia boden een verscheidenheid aan nieuwe kansen voor het geloof, afgestemd op de vrije keuze van het individu. En toch moeten we van het Sociaal en Cultureel Planbureau aannemen dat de ontkerstening razendsnel voortschrijdt. Hoe komt dat? Is die opening naar de wereld mislukt? Heeft het christendom de strijd met de wereldlijke overheid verloren? Heeft de staat toch op de een of andere manier de vrijheid van godsdienst ingeperkt? Heeft de soevereiniteit in eigen kring niet het beoogde effect? Houdt het geloof in de private sfeer zich niet staande als men zich bestaanszeker acht? Mist de geestelijkheid opgelegde kansen?”

Hoewel De Beus denkt dat de laatste twee factoren een kern van waarheid bevatten, acht hij een andere mogelijkheid de meest waarschijnlijke: “We zijn het er over eens dat Nederland tot dusver niet is ontaard in een ongeregeld zooitje, een zedelijke anarchie. Cliteur en de zijnen zien in dit gegeven een bewijs te meer voor de juistheid van hun overtuiging dat de mens geen goddelijke norm nodig heeft om goed te doen. Een tegengestelde conclusie is ook mogelijk. Misschien valt het mee omdat het met de verwereldlijking en de geloofsafval meevalt. We zijn nooit goddeloos geweest en we zijn het ook nu niet.”

“Neem de inkomensmatiging. Drees, Den Uyl, Lubbers en Kok hebben met succes een beroep gedaan op de bereidheid van Nederlanders tot inkomensmatiging. Dat is uniek. Het heeft volgens mij niet alleen te maken met welbegrepen vaderlandsliefde, zoals Drees het uitdrukte, maar ook met de geheime kracht van christelijke deugden als gematigdheid.”

De voor de hand liggende verklaring voor de stabiliteit en de veerkracht van onze samenleving is volgens De Beus dat mensen zich in hun morele keuzen nog wel degelijk door christelijke noties laten leiden.

“Ik kies voor de uitleg dat het christendom een tweede natuur is geworden. Het kerkelijk fundament mag zijn ondermijnd, de overtuiging is er in de praktijk nog wel. Neem de notie van naastenliefde. De mensen vermijden dat woord en spreken liever van solidariteit of humanitaire gevoeligheid. Dat neemt niet weg dat de innerlijke motivatie op precies hetzelfde neerkomt.”

Hij haalt de Australische ethicus Peter Singer aan, volgens wie de uitdijing van de kring van betrokkenheid de spannendste gebeurtenis is die zich thans in de moraal voltrekt. Nadat de mensen de afstand tot elkaar verkleinden, dank zij de technologische revolutie die steeds meer culturen met elkaar in contact bracht, voelen ze volgens Singer thans een toenemende betrokkenheid bij dieren. De Beus: “Het is het verdedigbaar om deze ontwikkeling aan de secularisatie toe te schrijven. Dank zij dat proces durven mensen afstand te nemen van het idee dat dieren in de scheppingsordinantie ondergeschikt zijn aan mensen. Maar voor hetzelfde geld schuilt de verklaring in een geleidelijke aanvaarding van de meest egalitaire opvatting van de bijbelse naastenliefde.”

Het verbaast De Beus niet dat de publieke herwaardering van de deugd samengaat met een conservatieve reactie. Een kenmerk van conservatieven is volgens hem dat zij wanorde en sociaal ongewenst gedrag louter toeschrijven aan persoonlijke ondeugden, niet aan een slecht functionerende maatschappelijke organisatie. Het conservatisme heeft volgens De Beus de wind in de zeilen. Hij baseert zich op studies van het Sociaal en cultureel planbureau (SCP).

Kenschetste het SCP de Nederlandse burger in 1988 nog als 'prudent progressief', thans is het stempel 'gematigd conservatief' meer op zijn plaats. In het rapport van 1988 maken de sociologen nog gewag van een stijgende lijn in de goedkeuring van alternatieve levensvormen, de voorkeur voor gelijkheid in de seksuele rolverdeling, de appreciatie van niet-autoritaire opvoeding, de tolerantie van homoseksuelen en de afkeer van discriminatie. In zijn meest recente rapporten signaleert het SCP dat de verdraagzaamheid jegens buitenlanders afneemt, net als de fiscale solidariteit. Uit de toenemende steun voor de doodstraf blijkt dat de houding tegenover criminaliteit hardvochtiger wordt. De zedelijke vrijzinnigheid ontmoet toenemende weerstand. De Nederlander wijst meer dan voorheen, aldus nog steeds het SCP, op de schaduwzijden van de emancipatie.

De Beus staat ambivalent tegenover deze conservatieve reactie. “Ik hecht aan de prudente progressiviteit, zoals die in de jaren zestig vorm heeft gekregen. Het opkomende cultureel conservatisme streeft naar een breuk met idealen uit die jaren, zoals dat gezag zich altijd dient te verantwoorden, mensen in hun privésfeer met hun leven moeten kunnen experimenteren, economische groei en sociale gelijkheid hand in hand dienen te gaan. Ik zie dit met treurnis aan.”

Aan de andere kant beschouwt De Beus het nieuwe cultureel conservatisme als een verzet tegen de 'liberale monocultuur' die wereldwijd dreigt te ontstaan. In de uiterste, theoretische vorm van zo'n cultuur leeft ieder voor zich en zijn sociale verbanden overbodig. Zo'n ontwikkeling, voortvloeiend uit de aard van het liberale individualisme, is een schrikbeeld voor hem. “Ik ben een aanhanger van het idee dat sociale banden, zoals vertrouwensrelaties, een noodzakelijke voorwaarde zijn voor een beschavingsminimum en voor verdergaande culturele bloei”, zei hij in zijn lezing over de Nederlandse cultuur bij de opening van het Rudolf Agricola-instituut.

Hij licht toe: “Op deze wijze neemt het culturele conservatisme de vorm van intelligente behoudzucht aan. In deze hypothese zijn de Nederlanders conservatiever geworden omdat ze hechten aan het evenwicht, het contrast en de verscheidenheid in de Nederlandse cultuur. Daarom riep bijvoorbeeld het voornemen om de winkels op zondag te openen zo onverwacht veel verzet op. De mensen hechten kennelijk aan het het onderscheid van de zondag met andere dagen. Conservatisme is zo beschouwd een vorm van leergedrag van de Nederlanders, een reactie op de nieuwe ervaringen met de opkomende liberale monocultuur.”

De politiek staat voor de opdracht, aldus De Beus, het beste uit de Nederlandse cultuur te behouden, óók de idealen uit de jaren zestig, zonder evenwel de schaduwzijden van deze cultuur weg te moffelen en zonder te vervallen in een enghartige vaderlandcultus. Hij zou graag zien dat de PvdA haar cultuurpolitieke traditie nieuw leven inblaast en intensiever debatteert over de aard van de Nederlandse cultuur: “We zijn nu alleen een partij die een goede en deugdzame premier heeft geleverd.”

In dat debat moet de PvdA volgens De Beus op zijn hoede zijn niet te vervallen in een antithetische opstelling, met een seculiere moraal die tegenover de christelijke zedenleer wordt geplaatst. Evenmin ziet hij een uitweg in het 'burgermansfatsoen' waarvoor het wetenschappelijk bureau van de VVD, de Teldersstichting, kiest. In plaats daarvan raadt hij zijn partij aan de mogelijkheden te verkennen om het burgerschap te versterken en meer verantwoordelijkheid te nemen in de steeds grenzenlozer wereld. En het debat is gediend met de erkenning dat het christendom een belangrijk element in de Nederlandse cultuur is: “Velen zullen zo'n inzicht niet los kunnen zien van het geloof in God. Zij zullen zeggen dat ze niet opeens in God gaan geloven omdat zulks gunstig is voor de PvdA.”

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden