We zijn geen engelen

Een atheïst die te communie gaat, kan dat wel? Jazeker, betoogt Ger Groot. Volgens hem verloochent de wetenschap het aardse en is religie het medicijn tegen spiritualisering. "In de kerk sluit een besef aan bij mijn filosofische overtuiging." Dus zegt atheïst Groot met overtuiging 'amen'.

Een dilemma kon je het misschien niet noemen, maar helemaal zonder gewetensvraag verliep ze ook niet: mijn eerste misviering sinds jaren. Een zeldzaam gelukkige gebeurtenis in de familiekring bracht ons die zondagochtend bijeen in een parochiekerk in Amsterdam-West. Dankbaarheid werd gevoeld door ieder familielid, al was lang niet iedereen in staat die ook aan een God op te dragen. Toch zaten wij daar - en zat ik daar, als overtuigd atheïst, in een hoogmis die de geest van de tijd stoutmoedig uitdaagde door de mond van een uitgedund parochievolk met al even uitgedund haar.

Want wat doet een atheïst in een kerk, tijdens een godsdienstoefening, waarvan hij - of hij wil of niet - deel uitmaakt? Was het een oefening van nostagie? Die zal mij zeker parten hebben gespeeld. Maar was het alleen dat geweest, had ik toen niet het hart gehad mij te vergrijpen aan het sacrament. De overtuiging waarmee ik het ontving wortelde wel degelijk in de zin die ik in de misviering ervoer.

Wat gebeurde daar eigenlijk? Het meest voor de hand liggende antwoord is dat het geloofsmysterie van de menswording, dood en verrijzenis van Christus werd gevierd: de heilsboodschap van de verlossing van de mens. Maar voor mij was dat alleen een historische en culturele wetenschap. Enig geloof ging daarmee niet samen.

Toch zong ook ik het Credo in zijn Latijnse bewoordingen instemmend mee. Zelden was dat woord toepasselijker dan hier. Mijn stem viel in met het gezang, dat van mij bezit nam in de meest lichamelijke en materiële vorm. De ervaring dat alles goed was zoals het was ontsprong aan de rite waaraan ik deelnam, en waarvan de betekenis niet zonder meer samenviel met de geloofswaarheden die erin werden uitgesproken.

Laten we met een antropologen-oog kijken naar wat er die ochtend gebeurde. In flagrante tegenspraak met de menselijke hang tot luiheid kwam een groepje mensen op een onmogelijk uur samen om een aantal handelingen te verrichten die week in week uit op dezelfde wijze worden gesteld. Er was niets dat wie dan ook tot die handelingen noopte - hun dogmatische inhoud wel het minst van alles. Wat in het Credo wordt gezegd, kan ook zonder dat alles worden geloofd - móet zelfs worden geloofd, in de binnenkamer die volgens het Nieuwe Testament zoveel belangrijker is dan de gang naar de tempel. En toch gaan wij naar de tempel - dit onwaarschijnlijke godshuis in Amsterdam-West.

Ook voor de heuglijke gebeurtenis die daarin werd gevierd had ik er strikt genomen niet hoeven zijn. Ik wist wel dat mijn ouders die dag zestig jaar getrouwd waren. Met een telefoontje waren mijn felicitaties niet minder hartelijk geweest dan nu, na een reis van 200 kilometer.

Of toch wel? Er schuilt iets ongemakkelijks in die laatste zin. Alsof ik aan het draaikonten ben en voor mezelf een gemakzuchtig excuus construeer. Want natuurlijk was een eenvoudig telefoontje wèl minder hartelijk en betekenisvol geweest dan mijn aanwezigheid daar.

In het kamp van het atheïsme behoor ik tot de rekkelijken. Of om het op zijn protestants te zeggen: mijn atheïsme is meer van het roomse soort. Dat maakt me ongetwijfeld wat gevoeliger voor de eigen kracht van het ritueel tegenover het dogma, van de handeling tegenover het denken en van de aanwezigheid tegenover de idee. Maar is 'tegenover' wel het juiste woord?

Van Pascal kreeg iemand op de drempel van het geloof ooit de raad mee: "Handel alsof je gelooft, gebruik wijwater, laat missen lezen", en het innerlijk zal weldra het uiterlijk volgen.

Hier staan denken en handelen dus níet tegenover elkaar. De overtuiging volgt het doen, dat de idee dan ook overtreft in overtuigingskracht. Geen godsbewijs heeft ooit iemand naar de kerk geleid. Gelovig werden mensen door wat zij zagen dat gebeurde, veel meer dan door wat er in abstracto werd gedacht. Gebeurde in ethische zin, of gebeurde tijdens de godsdienstoefening.

Het ethische, het religieuze en het esthetische werden door de jonge Wittgenstein samengebracht onder 'het mystieke' waarover niet zinvol te spreken valt, maar dat zich slechts toont. Wellicht is Wittgenstein in dat laatste wat te streng - maar een les voor de theologie is het wel.

Nemen we Pascal, Wittgenstein en de katholieke traditie serieus, dan mocht ik mij dus al wat minder ongemakkelijk voelen, die ochtend in Amsterdam-West. Het is kennelijk niet nodig te geloven om aan een eucharistieviering deel te mogen nemen. Wel zingen maar niet het dogma omhelzen, woorden spreken maar dan wel in een Latijn dat de inhoud daarvan veilig omfloerst: dat is méér dan alleen een gemakzuchtig huichelaarschap. Daarvoor is de betekenis van het ritueel, van de plaats waar ik naartoe gereisd ben, en (waarom niet?) van de tastbare aanwezigheid bij mijn ouders omwille van wie ik hier ben, te belangrijk. In dat alles zit iets onherleidbaars, dat zich met de mij verwijtbare ongelovigheid niet laat wegwuiven.

Met zijn vaststelling dat men over het mystieke slechts zwijgen kan, staat de jonge Wittgenstein nog midden in de Europese moderniteit. Daarvan spitst hij een centrale overtuiging toe: spreken is zeggen wat het geval is, taal is een spiegel van de wereld. Die laatste wordt daarmee getransformeerd tot een ideële werkelijkheid waarmee het denken vervolgens ongestoord aan de slag kan. In deze taal- en idee-geworden werkelijkheid is het denken almachtig geworden, maar is de échte wereld verloren gegaan.

Want hoe materialistische de moderne tijd ook denkt te zijn, in werkelijkheid heeft zij een gespiritualiseerd wereldbeeld. Sinds een eeuw of twee heeft Europa afstand genomen van een geestelijke 'bovenwereld' of, zoals Nietzsche dat noemde, een wereld 'achter' deze werkelijkheid waarin het goddelijke huisde. Maar dat afscheid was slechts een schijnbeweging. Wij keerden er niet mee terug tot de werkelijkheid van het materiële, maar vervingen de ene vergeestelijking door de andere. De gerichtheid op het goddelijke werd vervangen door een gerichtheid op de kennis, waarvan niet langer een alwetende God de drager was, maar wijzelf.

Ook deze kennis, en de waarheid waarop ze aanspraak maakte, was eeuwig, absoluut en onlichamelijk. De wetenschap, die het nieuwe object van ons geloofsvertrouwen werd, streefde ook van haar kant naar immaterialiteit. Zij onderzocht (en onderzoekt) de wereld wel, maar om haar vervolgens te overstijgen in de theorie. Haar hoop is gericht op de definitieve overwinning van de materie door de geest in de opheffingsbeweging die ons, zoals Stephen Hawkins ons steeds maar weer voorhoudt, ten slotte een theory of everything moet bezorgen.

Deze spiritualisering blijft niet tot de wetenschap beperkt. Ook ons dagelijks leven is ervan doortrokken. In cyberspace zijn afstand en plaats niet meer van belang. Door telewerken en outsourcing vervluchtigt onze arbeid. Zij verdwijnen in een idealiteit waarin de werkelijkheid alleen nog gedacht hoeft te worden om te bestaan. Ook daarin hebben we ons een trek van God eigengemaakt: die schiep door te denken.

Die zondagochtend bleek plotseling alles anders. De eucharistieviering weersprak op het overmoedige af de moderniteit die op dat ogenblik nog op één oor lag. Het gemeenschappelijk zingen van het Credo, de voltrekking van een handeling die ieder net zo goed voor zich had kunnen doen en aan het theoretisch inzicht niets toevoegde, de fysieke nabijheid waarvan de noodzaak in het tijdperk van Skype, Twitter en Facebook overbodig lijkt: in dat alles riep de rite, juist dankzij haar materialiteit, het moderne spiritualisme tot de orde.

Om het liturgisch te zeggen: het ongehoorde schandaal van deze onopvallende gebeurtenis lag in het mysterie van de incarnatie - niet toevallig de centrale gebeurtenis die in het misoffer wordt gevierd. De geest moet vlees worden opdat beide worden gered. In de voor de moderniteit absurde handeling van de communie vond dat die ochtend zijn bezegeling.

Daarom nam ik het sacrament uit volle overtuiging tot mij. Niet omdat ik mij plotseling bekeerd had tot de katholieke orthodoxie. Maar wel omdat een centraal besef daarvan naadloos samenviel met de filosofische overtuiging die gaandeweg de mijne geworden is. De moderne cultuur maakt een catastrofale vergissing wanneer zij, onder de schijn van het tegendeel, vrij baan geeft aan de spiritualisering en mentalisering die haar diepste geheim vormen, en het aardse of lichamelijke vergeet.

Daarin vormt de moderne cultuur een rechtstreekse voortzetting van de christelijke traditie, zo stelde Nietzsche vast. Daar heeft het inderdaad de schijn van. Maar toch vergist Nietzsche zich hier. De christelijke orthodoxie heeft zich juist altijd tegen een eenzijdige spiritualisering verzet. Ze heeft, anders dan de dualistische sekten waartegen zij zich altijd heeft verzet, het aardse nooit willen verloochenen. Wereldvijandigheid is voor haar altijd een vorm van ketterij geweest. Hoe vergeestelijkt zij zichzelf soms ook mocht voordoen, op cruciale momenten is zij, in Nietzsches eigen woorden, 'de aarde trouw' gebleven.

Niet de moderniteit maar de religie is dus de hoedster van de incarnatie. En niet de religie maar het hedendaags spiritualisme zwicht voor de verleiding van de vergeestelijking - dat zich nog slechts weersproken ziet door onwaarschijnlijke bolwerken van 'aards' besef als die Amsterdamse parochiekerk.

Werd dat daar zo gezegd? Natuurlijk niet. Waren de aanwezigen zich daarvan bewust? Nauwelijks. Heel de Unzeitgemässigkeit van die rite hulde zich in de taal van de gelovige traditie. Maar in haar bestaan, voltrekking en onwaarschijnlijkheid bood zij hardnekkig verzet tegen een tijd die, in bijbelse termen gezegd, gezwicht was voor de verleiding 'te zijn als goden'.

Als iets verlossing nodig heeft, dan is het vandaag de dag de geest, die opnieuw moet leren inzien geïncarneerd te zijn. Dat wil zeggen: niet volledig doorzichtig, niet helemaal (en soms zelfs helemaal niet) begrijpelijk. De aarde verzet zich tegen een dergelijke inbezitneming. Het lichaam dat 'mens' heet, verdraagt zijn spiritualisering niet, op straffe van een engel te worden. Want engelen zijn al datgene wat het moderne spiritualisme omhelst: doorzichtig, volmaakt, redelijk en immaterieel - maar ze zijn ook verstoken van elke individualiteit en uiteindelijk realiteit.

Wij bestaan - en we zijn geen engelen. Daarom hebben wij de absurde werkelijkheid van de aarde nodig, die wij terugvinden in de absurditeit van de godsdienst. Hij wijst ons (misschien tot zijn eigen stomme verbazing) onze plaats als aard-wezens aan.

Is dat alles nog religieus? Ik zou het 'bij God' niet weten, maar verder dan dit kan een atheïstisch begrip van de godsdienst niet gaan. Ongetwijfeld parasiteert dat op het bestaan van een godsdienstige traditie, waarvan het voortbestaan wordt verzekerd door slinkende parochiekerken als die in Amsterdam-West.

Ik deel niet langer het geloof van hun traditie, maar ze blijft wel míjn traditie, aan gene zijde van ideeën en dogma's. Om dat ondenkbare en onzegbare gaat het. Omdat het gebaar van het misoffer dat waarmaakt wat waar ís en het onderscheid tussen zegbaarheid en niet-zegbaarheid uitwist. Niet als een specifiek godsdienstig geheim, maar als de kern van het bestaan zelf, dat écht en lichamelijk is.

En dus nam ik die ochtend het brood, doopte het in de beker en zei - terwijl de celebrant 'lichaam en bloed van Christus' prevelde - 'amen'.

'Vallen II', ets Paul van Dongen

Ger Goot (1954) is hoogleraar filosofie en literatuur aan de Radboud Universiteit te Nijmegen. Als columnist is hij verbonden aan Trouw.

Vallen en Opstaan
Paul van Dongen exposeert vanaf morgen in Utrecht, samen met Sam Drukker en Janpeter Muilwijk. Hun werk is te zien in de Domkerk, onder het motto 'Vallen en opstaan, over de menselijke staat'.

In de driemanstentoonstelling, die loopt tot 16 september, staat de menselijke

figuur centraal. In het werk van

Van Dongen speelt diens katholieke

achtergrond een rol, bij Drukker de joodse traditie en bij Muilwijk de protestantse.

Theoloog Jan Ridderbos opent de

expositie morgen om 12.15u open. Zie www.Domkerk.nl

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden