’We zijn een geduldig volk’

Ruim 400.000 Palestijnen leven er in Libanon, de meesten zijn nazaten van hen die in 1948 op de vlucht sloegen. Meer dan de helft van hen leeft in kampen. De groep Palestijnen die nog herinneringen heeft aan het vaderland wordt steeds kleiner, maar de hoop op terugkeer leeft bij vrijwel iedereen. „Als we Palestina niet hebben, wat hebben we dan?”

’Als ik oranjebloesem ruik, denk ik aan Palestina,” vertelt Ahmad Banaas (75) in zijn kruidenierswinkeltje aan de rand van Sjatila, een Palestijns kamp in Beiroet. „Dan slaat mijn hart even over.”

Banaas komt uit Jaffa, en zijn ouderlijk huis was omgeven door boomgaarden waar de sinaasappels welig aan groeiden.

Zijn landgenoot Abdallah Salhani (85) heeft datzelfde gevoel op de momenten dat hij aan zee staat. „Mijn dorpje, Basa’a, ligt aan dezelfde kust, iets naar het zuiden. Ik zie de golven, en denk ’deze golven zijn daar ook geweest.’”

Zestig jaar na hun vlucht uit Palestina wordt het geheugen van die eerste generatie vluchtelingen er niet minder om, maar hun aantallen wel. Wie met ooggetuigen van 1948 wil spreken, moet snel zijn. Libanon huisvest inmiddels vier generaties vluchtelingen. Slechts twaalf procent van hen is geboren in Palestina.

De Nakba, of ’catastrofe’, zoals ze hun vlucht in mei 1948 noemen, herinneren ze zich goed. „Jaffa werd beschoten door de joodse militie, Hagana”, vertelt Banaas. „Het is maar voor even, zeiden onze leiders zeiden, we zouden binnen een week weer terug kunnen.” De moeder van Banaas heeft het huis nog schoongemaakt. De sleutels lieten ze bij de buren achter, want die zouden blijven, ondanks de dreiging.

Banaas vervolgt: „’Die zijn gek’, zei mijn vader nog. Dat heeft hij nooit vergeten. Hij is hier in Sjatila gestorven, in 1972. Aan een gebroken hart.”

Abdallah’s vader legde de sleutel onder een steen bij de voordeur. „ We hadden wat kleren, meer niet. Het was tijdens de graanoogst, dus we moesten wel terug.”

Met de dood van de oude garde verdwijnen de herinneringen aan het vaderland, maar niet de hoop op terugkeer. Echt hoopgevend is hun situatie niet, want de Palestijnen in Libanon vallen tussen de wal en het schip. De Libanezen willen ze niet, Israël wil ze niet, en omdat zij uit het noorden van wat nu Israël is komen, en niet uit de bezette gebieden, laten de Palestijnse autoriteiten hen ook zitten.

Hussein el-Khaled (80) schreef een boek – ’Herinneringen aan Palestina’ - voor zijn kinderen. „Ze kennen Palestina niet. Wij moeten ze leren waar we vandaan komen en waarom we hier zijn. Hun cultuur is hun identiteit.”

Er wordt veel gedaan om de cultuur van het land door te geven aan jongeren. Traditionele trouwpartijen, volksdansfestijnen en filmavonden worden georganiseerd om te laten zien hoe men leefde.

Verschillende kennissen van El-Khaled hebben hun belevenissen op papier hebben gezet. Zijn kleindochter Soha (19), geboren en getogen in Libanon, zegt dat iedere Palestijn terug wil. „Als we hier wilden blijven, waren we toch allang Libanees geworden?”

Maar zo makkelijk is dat niet. Toen in 1948 de Palestijnen de grens over kwamen, was de Libanese regering – die destijds bestond uit een meerderheid van christenen – bang dat de vluchtelingen, voornamelijk soennitische moslims, met hun aantallen het overwicht van de christenen in gevaar zouden brengen.

De Palestijnse vluchtelingen kregen dus geen staatsburgerschap, zoals in Jordanië, en geen gelijke rechten, zoals in Syrië. Ze kregen een reisdocument, maar ze bleven ’buitenlander’. Al snel mochten zij ook geen land bezitten en kregen ze enkel werkvergunningen voor de laagst betaalde baantjes.

Veel christelijke Palestijnen, en zij die de middelen hadden, konden via omweggetjes en geld wel Libanees worden. In de loop der jaren hebben zij een normaal bestaan weten op te bouwen.

„Men denkt vaak dat ik Libanees ben. Maar Palestina zit in mijn bloed. Dat is mijn identiteit,” zegt Michel Mansour (67). Hij heeft een winkel in serviesgoed in Hamra, een drukke winkelstraat in Beiroet.

El-Khaled was leraar Arabisch. Hij kocht een stukje grond in de zuidelijke stad Tyrus, toen de Libanese wetgeving dat nog toeliet, en bouwde een huis buiten het kamp.

Maar het merendeel, zoals Ahmad Banaas en Abdallah Salhani , is zestig jaar later nog steeds vluchteling, net zoals hun kinderen en kleinkinderen dat inmiddels ook zijn geworden.

Toen deze Palestijnen in 1948 vluchtten, zonder bezittingen, geld en veelal zonder opleiding, kampeerden ze eerst in de buitenlucht, of ze werden ondergebracht in het voormalig vluchtelingenkamp voor Armeniërs die in 1915 voor de Turken op de vlucht waren geslagen.

Een jaar later, in 1949, richtte de UNRWA, de Palestijnse hulporganisatie binnen de Verenigde Naties, zestien kampen op waar zij een permanent onderkomen kregen. Daar wonen ze nu al zestig jaar.

Leven in een kamp is geen lolletje. Omdat de kampen niet mogen uitbreiden, maar de Palestijnen wel in aantal toenemen, barsten ze letterlijk uit hun voegen.

Kamp Sjatila – gelegen in een arme wijk in West-Beiroet – is er bijzonder slecht aan toe. Gesticht in 1949 voor een paar duizend vluchtelingen, huisvest het tegenwoordig volgens de PLO-vertegenwoordiger in het kamp, Abou Youssef, zo’n vijftienduizend mensen. En al lang niet meer alleen Palestijnen „Ook arme Libanezen, en Iraakse vluchtelingen zitten in dat kamp.”

Sjatila is een labyrint van smalle, kronkelige steegjes. Het is er donker, want zonlicht reikt niet zo diep. Er hangt een muffe lucht van mensen, eten en afval, want de wind waait er ook niet. Afvalwater loopt door de steegjes, vuilnis stapelt zich op langs de muren, en in de lucht hangen bundels snoeren; elektriciteit, telefoon, internet en kabel. Dikkere slangen zijn voor het water. De argeloze bezoeker waant zich in de middeleeuwen.

De kampvoorzieningen kunnen alle bewoners maar met moeite aan. Veel kampscholen werken met dubbele diensten. Abdel Haloumeh geeft in het Beddawi-kamp wiskunde van half acht in de ochtend tot half een in de middag. „Als de kinderen naar huis gaan, dan komen de leraren van de tweede dienst met hun studenten. Zij geven dan op hun beurt les, tot half zes. We passen niet tegelijk in het gebouw.”

Economisch gezien gaat het de vluchtelingen slecht af. Tot voor kort kregen de Palestijnen voor een stuk of zeventig beroepen, zoals dokters, en ingenieurs, geen werkvergunning. Een Palestijnse kapper kon alleen binnen het kamp knippen, daarbuiten mocht hij niet aan het werk gaan.

Inmiddels zijn de regels wat versoepeld, maar dat geldt alleen voor de lager betaalde banen. In de praktijk blijkt dat de Palestijnen voornamelijk in de landbouw en als dagarbeiders werken. Zo’n zeventig procent van de kampbewoners is op dit moment werkloos.

Het overgrote deel is volgens de UNRWA dan ook volledig aangewezen op haar diensten, zoals onderwijs, werk en medische zorg.

„Wij hebben geen toekomst in Libanon. Palestina is onze toekomst”, meent Hassan (47), een ingenieur in Bourj el-Shemali. Op televisie zag hij onlangs een documentaire van een Israëlische filmmaker over hoe de joden in 1948 de dorpjes in het noorden overnamen van zijn eigen volk. „Zij hadden een strategie, waren goed georganiseerd. Wij waren er niet op voorbereid.”

Het was triest, zegt hij, hoe de joden op de oude archiefbeelden dansten als ze weer een dorpje hadden veroverd. „ Dat is hun geschiedenis, maar de mijne ook.”

Als hem wordt gevraagd hoe hij ooit wil terugkeren, blijft het lang stil. „Het is moeilijk,” zegt hij eindelijk. „Maar hier is het ook geen leven.”

Het land delen met de Israëliërs is onmogelijk, meent kruidenier Ahmad Banaas. Net zoals de joden zijn landgenoten er destijds uit gooiden, zo zullen de joden nu hun land moeten verlaten. „Laat ze terug gaan, naar Nederland, en Rusland, en Ethiopië. Die van voor 1940 mogen blijven, maar de rest moet terug naar hun eigen land.”

Hassan ziet het anders. „Dat is niet realistisch. Dat verdelen in twee staten ook niet”, betoogt de ingenieur. „Uiteindelijk zullen we toch samen moeten leven.” Hij geeft Zuid-Afrika als voorbeeld. „Het kan wel. Maar wanneer?”

De huidige generatie is veel strijdbaarder en zich meer bewust van de eigen situatie, meent Hussein el-Khaled. „Velen gingen indertijd zonder slag of stoot weg. Dat zou ons nu niet meer overkomen.”

Maar de situatie van Ala Darwishi (58) in het Beddawi-kamp toont aan dat dat niet waar is. Hij werd in het vluchtelingenkamp Nabatiya geboren. „In 1973 werd dat door de Israëlische luchtmacht met de grond gelijk gemaakt.”

Kamp Tell el Zaatar, waar de familie heen vluchtte, werd in 1976 door christelijke milities verwoest. Sjatila was het volgende kamp, maar na de moordpartij van 1982 vluchtte hij naar Nahr el-Bared.

Tot vorig jaar. Nu dat kamp ook vernield is, woont hij in Beddawi. „Vijf kampen in zestig jaar.” Zijn neef moet er om lachen. „ We kunnen maar beter onze koffers pakken nu jij bent gekomen.”

De Libanese regering zou veel kunnen doen om hun lot te verbeteren, maar de Palestijnen zijn niet bijzonder geliefd. Ze worden ervan beschuldigd de burgeroorlog te zijn begonnen. Ze worden verantwoordelijk gehouden voor het ontstaan van christelijke milities die zich wilden beschermen tegen de toenemende militaire aanwezigheid van de PLO. En, menen veel Libanezen, ze zijn oorzaak van de Israëlische aanvallen op Libanon.

„Je had hier moeten zijn in de jaren zeventig! De PLO runde dit land. Wilde je iets gedaan krijgen bij de regering, moest je goede maatjes zijn met de Palestijnen,” zegt Maha Stephan. Ze verkocht in haar winkel voor duizenden dollars kristallen glazen en zilveren bestek aan PLO-topleden. „Terwijl hun eigen mensen lagen te kreperen, gaven de hoge heren grote diners. Miss Libanon trouwde met de tweede man van Arafat, Hassan Salameh. Wat denk je, om zijn mooie ogen ?” Dat de Palestijnen nog steeds in grote armoede leven, is hun eigen schuld, menen veel Libanezen.

Zestig jaar na dato zijn de Palestijnen in Libanon ervan overtuigd dat ze ooit weer zullen terugkeren naar hun eigen land. Maar precies wanneer, en hoe dat moet, weten ze niet.

„We zijn een geduldig volk ”, zegt schrijver El-Khaled. „Maar we gaan terug. Er komt geen vrede zonder ons.” Kleindochter Soha vult aan: „Het is onze enige hoop. Als we Palestina niet hebben, wat hebben we dan?”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden