WE WILLEN NIET STERVEN IN DEZE EEUW

Met een viltstift stond het geschreven op de muur van het herentoilet van Hotel Winston in de Amsterdamse Warmoesstraat: Please, don't let me die in this century. Deze week presenteerde de 'Kunstgroep Lage Landen' zich in vele steden met een nieuw tijdschrift, MillenniuM: “Wij, de twintigers van de jaren negentig”. De initiatiefnemer Serge van Duijnhoven schreef een programmatisch essay dat hier in bekorte vorm wordt afgedrukt. MillenniuM. Losse nummers F 12,50. Postbus 10293, 1001 EG Amsterdam.

In een interview in NRC-Handelsblad zei de zanger: “Zelfs in het beschermde en provinciale Europa hoef je alleen maar uit het raam te kijken om de achtertuin te zien branden. In dat opzicht is The Future verslaggeving, maar dan gegoten in de vorm van een apocalyptisch visioen. Die vorm is heel oud: het idee van closing time is een essentieel onderdeel van onze cultuur, en juist in tijden van maatschappelijke onrust lijkt de geest te hunkeren naar de apocalyptische oplossing.”

Er valt veel voor te zeggen dat onze Europese beschaving, met haar inmiddels al niet meer zo jonge ideeen over vooruitgang, democratie en respect voor het individu, inderdaad in zo'n periode van onrust is terechtgekomen. West-Europa heeft last van een midlife-crisis, wordt wel gezegd. We zijn in een fase beland waarin niemand het meer eens kan worden over de centrale waarden van onze cultuur. Het modernisme en het Verlichtingsdenken zijn voor een groot deel uitgebannen. Er is geen centrale overtuiging en, goddank, geen ideologie meer die als maatstaf kan dienen. Zelfs het relativisme dat zo kenmerkend was voor het eind van de postmoderne jaren tachtig is onherroepelijk in twijfel getrokken sinds de ontluisterende confrontatie met de harde politiek, ecologische en etnische werkelijkheid van drama's als de Golfoorlog, het Iraanse doodvonnis aan het adres van Salman Rushdie, de honger in Somalie, het uitdijende gat in de ozonlaag en de volkerenstrijd in Joegoslavie.

Tegen deze achtergrond, en op de rand van een nieuw millennium, is het niet toevallig dat een zanger zijn plaat de titel The Future meegeeft, en dat een stel jonge kunstenaars uit Nederland en Belgie de groep MillenniuM opricht, die haar bestaan ophangt aan het volstromen van dat getal met die drie ronde cijfers. Onder het Centre Pompidou in Parijs wordt het idee van de closing time, waar Cohen over zingt, voor iedereen zichtbaar gemaakt. Daar staat een mysterieus apparaat, de genitron.

De genitron is een constructie van negen vierkante glazen boxen en een computer in de vorm van een wereldbol. In de glazen boxen verspringen voortdurend digitale cijfers. Als je er tien franc in gooit, registreert de wereldbol wat die cijfers betekenen: het aantal seconden dat ons nog rest tot het jaar 2000. Dan zullen er in alle negen boxen alleen nog maar nullen over zijn.

Deze constructie is het symbool bij uitstek van dit fin de millenium, waarin alles vooral visueel gemaakt moet worden. Het zo opzichtig laten wegtikken van de laatste seconden van dit millennium is ook symbolisch voor de wijze waarop wij met het einde omgaan. Het is eng om dat getal, die toekomst die nog rest, boven je hoofd te zien slinken. Maar zo willen we het. Anders had Cointreau, dat de constructie heeft gefinancierd, wel opgeteld tot het jaar 2000, en niet afgeteld. Toch is elke seconde die voorbijgaat net zo goed een seconde die wordt toegevoegd aan de geschiedenis vanaf het jaar nul. Zo'n optel-genitron zou heel wat geruststellender zijn. Het zou zelfs een gevoel van onmetelijkheid geven, misschien wel van onsterfelijkheid. Hoeveel boxen zouden dan immers niet nodig zijn?

Voor diegenen die zich laten bedriegen door de grote hoeveelheid seconden die ons nog lijken te resten tot het jaar 2000 en die niet kunnen bedenken hoe ze die tijd moeten doorkomen, biedt Cointreau de oplossing: Pour passer le temps, buvez un Cointreau! zegt de postkaart die voor die tien franc uit de computer rolt triomfantelijk. Het is reclame voor een dronken tijd. Een tijd waarin we drinken op de dagen die nog komen, omdat het verleden nooit zal sterven zonder ons.

In 1970 kon een tennisclub die beschikte over een hypermoderne hal zich nog met trots Sport 2000 noemen. Ik herinner me haarscherp de geschiedenisboekjes van de lagere school in dat decennium, waarin opgewekt werd gefantaseerd over het jaar 2000, 'wanneer iedereen in een helikopter naar z'n werk zal vliegen'. Ook tekenend voor die tijd was dat een chiliastisch opiniemaker als W. L. Brugsma (indertijd hoofdredacteur van de Haagse Post en presentator van Vara's Achter het Nieuws), geheel in de ban van de Club van Rome, een boek schreef met de titel Een mooie toekomst achter ons. Hierin donderpreekte hij, zwaaiend met kabbalistische computervoorspellingen van de bioloog Paul Ehrlich ('50 tegen 1 dat de beschaving het jaar 2000 niet zal halen') vooral over de op handen zijnde ecologische apocalyps. Volgens Brugsma, altijd zeer virtuoos in het vinden van schokkende metaforen, was de aarde een 'zinkend ruimteschip', bemand door de mens, 'een vernieler in naam van de vooruitgang'.

De millenarische traditie van Brugsma werd eind jaren zeventig voortgezet door de No Future-generatie, onze oudere broers en zusters die zeker wisten dat hun jeugd niet meer de toekomst had. De angst voor de nucleaire apocalyps, de economische crisis, de gedachte aan het opbranden van de kaarsepit aarde, dat alles verlamde hen, ontnam ze de hoop voor morgen. Ze dansten op zware muziek in duistere, gekraakte ruimtes waar jute aan de muur hing. Ze kleedden zich in zwart en sliepen in huizen zonder deuren, als een uitdaging aan de vrij rondwarende liefde die hen toch niet kon raken.

Voor mijzelf liggen die jaren verzonken in enkele herinneringen aan mijn vroege jeugd. Het bezoek aan een zonovergoten Amsterdam, het verjaarsfeest in Berg en Dal, de verwoede poging om in de zandbak bij de buren een tunnel te graven naar Berg en Dal en Amsterdam. Een poging die mislukte toen het gat in de grond volstroomde met donker water waar een geel schuim op dreef.

Pas toen de jaren zeventig voorbij waren, werd ik mij bewust van wat de 'harde' werkelijkheid genoemd zou kunnen worden. Ik weet niet of het gebruikelijk is voor een kind dat aan het begin van zijn puberteit staat, maar ik heb me de onwetendheid van mijn jaren-zeventig-jeugd later altijd verweten. Voor het gevoel van een onnodig gemis hield ik mijzelf vreemd genoeg verantwoordelijk. Vermoedelijk had het te maken met een zeer sterk verlangen, voortkomend uit momenten van machteloosheid, om ouder te zijn.

Op het college waar ik terecht kwam toen ik elf was, kwam dit tot uiting in twee dingen. Ik maakte mijn onbesef uit de jaren zeventig goed door een overdosis bezorgdheid over de problemen van de wereld, van de crisis in Polen tot en met de komst van de kruisraketten. En ik raakte stil verliefd op een van de punkmeisjes die op het college rondliepen. Haar haren had ze met zeep en suiker recht overeind gezet. Aan de zijkant was het opgeschoren. Ze droeg zwarte bloezen met wijde armsgaten en een mysterieuze lange jas. Het meest gegrepen werd ik door de streepjes mascara om haar ogen en het zilveren sterretje op haar wang. Het was de schoonheid die stiekem door de bewuste lelijkheid heen schitterde. Ze was vier jaar ouder dan ik. Slechts een keer heb ik haar aan durven spreken. Dat was in de rookruimte die onder de school van ingericht en die de Thee-Tuin werd genoemd; een eufemistische naam voor een oude schuilkelder. Als je naar binnen wilde, moest er een dikke ijzeren deur worden geopend, zo'n deur met een wieltje, als van een kluis of een onderzeeer. Beneden schemerde het, aan de muur hing een poster van een ontploffende atoombom. Het rook er zwaar en zoet. In de walmen van kreteks en hasj speelden de jongens tafelvoetbal. De meisjes hingen aan de bar, waar thee en cola werd geschonken. De muziek die gedraaid werd staat me nog bij.

Dreigend en traag, een stem die opzettelijk vals klonk: No time to be young, this is no time to be young.

“Uit de spekgladde geest van de laatste twee decennia van de negentiende eeuw was plotseling in heel Europa een bevleugelende koorts opgekomen.

Niemand wist precies wat er in wording was; niemand kon zeggen of het een nieuwe kunst, een nieuwe mens, een nieuwe moraal of wellicht een omwenteling van een maatschappij zou zijn. Daarom zei iedereen erover wat hem uitkwam''.

(Robert Musil)

Iedereen beschouwt zijn eigen tijd als verwarrend, iedereen beschouwt zijn eigen tijd als uniek. Diegenen die een eeuwwisseling meemaken, die weer bij nul beginnen, beschouwen hun tijd als iets meer uniek dan diegenen voor wie zo'n wisseling binnen tien jaar niet in zicht is. Dat is de terreur en de zuigkracht van de ronde getallen. Diegenen die een millenniumwisseling meemaken, een wisseling die maar een keer eerder in de christelijke geschiedenis is voorgekomen, beschouwen de tijd op hun beurt waarschijnlijk als weer ietsje unieker dan diegenen die leven in een periode in between.

Voor de bezeten Frans-nationalistische schrijver Maurice Barres waren de jaren negentig van de vorige eeuw de jaren van decadentie en onzekerheid. Hij had het gevoel te leven in een tijd waarin 'alle goden dood of ver weg zijn'.

En toen de twintigste eeuw net begonnen was, maakte zijn landgenoot, de dichter Charles Peguy, de beroemde en vaak herhaalde opmerking dat de wereld minder was veranderd sinds de dood van Jezus dan in de laatste dertig jaar.

Voor Peguy leek het of de modernisering de oude grap gerealiseerd had van de hardloopster die zo snel was dat ze zichzelf onderweg passeerde.

Wij, de twintigers van de jaren negentig, hebben in 1989 zonder schellen op de ogen kunnen zien hoe de Koude Oorlog tot een einde kwam. Hoe de Berlijnse Muur, symbool van de tweespalt in Europa, aan spinters werd gehakt. Hoe met de Sovjet-Unie in 1991 de laatste der serieuze ideologieen ineengestort is.

We hebben een zet in onze rug gekregen van de Geschiedenis, zij heeft ons de vlakte, de lage landen van de toekomst op gestuurd; een toekomst die we niet meer kunnen ontkennen, een toekomst die we zelf zullen moeten vullen met nieuwe ideeen, nieuwe verwachtingen, een nieuwe politiek, een aangepaste Nederlands-Vlaamse of Europese cultuur waarvoor het jaar 2000 geen enkele drempel zal vormen.

Wat we in deze periode van herorientatie om te beginnen moeten proberen, is om ons mensbeeld te nuanceren. “De mens is beperkt in zijn kennis en tegelijk grandioos in zijn mogelijkheden. Nooit kan hij enkel gedefinieerd of beoordeeld worden in politieke (of materialistische) termen. In de eenentwintigste eeuw hebben we hier geen Adriaan Venema's en Heldringen nodig die maar niet kunnen ophouden met het culpabiliseren van de Nederlandse cultuur en met het reduceren van een mens tot een eendimensionaal, politiek wezen. “Als we deze eeuw niet even stupide willen eindigen als we hem begonnen zijn, moeten we het slappe moralisme van het proces laten varen”, schreef Kundera afgelopen december in een essay over de twintigste eeuw.

Kundera verduidelijkte dit aan de hand van een overtuigende metafoor die een algemene bekendheid zou verdienen. Hij vergeleek de mens met de personages zoals Tolstoj die in zijn romans neerzette. Tolstoj polemiseerde tegen het idee dat de Geschiedenis gemaakt en bepaald is door de wil en de rede van de politiek. Volgens Tolstoj konden mensen nooit beweren de zin van de Geschiedenis te kennen, evenmin als haar toekomstige pad, “omdat zij zelfs niet de objectieve zin van hun eigen daden kennen, waardoor zij onbewust aan evenementen deelnemen waarvan de zin hen ontgaat”. De mens schuifelt als het ware door het leven, zoals hij zich door de mist beweegt. Kundera gebruikt bewust het beeld van de mist en niet dat van de duisternis. In de duisternis ziet men niets, is men blind, is men overgeleverd aan het lot, is men niet vrij. In de mist is men vrij, maar de vrijheid is die van degene die in de mist loopt: hij ziet vijftig meter voor zich uit, hij kan de trekken van zijn gesprekspartner goed herkennen, hij kan genieten van de schoonheid van de bomen langs de weg en zelfs observeren wat er zich vlakbij afspeelt en daarop reageren.

“De mens is hij die in de mist loopt”, schrijft Kundera. “Maar als hij achterom kijkt om de mensen van het verleden te beoordelen, ziet hij geen enkele mist op hun weg. Vanuit zijn heden, dat hun verre toekomst was, lijkt de weg voor hem helemaal helder te zijn, zichtbaar in al zijn uitgestrektheid. Hij ziet de weg, hij ziet de mensen zich voortbewegen, hij ziet hun fouten, maar de mist ziet hij niet meer, de mist is verdwenen. En toch, allemaal, Heidegger, Majakovski, Aragon, Ezra Pound, Gorki, Gottfried Benn, Saint-John Perse, Giono, allemaal liepen ze in de mist en men kan zich afvragen: Wie is er het blindst? Majakovski die, toen hij een gedicht over Lenin schreef, niet wist waar het leninisme toe zou leiden? Of wij die hem beoordelen van een afstand van enkele decennia en niet de mist zien die hem omhulde?”

“De verblinding van Majakovski maakt deel uit van het eeuwige menselijke tekort. Niet de mist zien op de weg van Majakovski, is vergeten wat de mens is en wat wij zelf zijn.”

Met dit inzicht kunnen we proberen de tendens van politieke reductie achter ons te laten en de schouders te zetten onder de komende zeven jaren en de periode daarna, door de cultuur in ons dagelijks leven te verdiepen. Dit is een pleidooi voor nieuw idealisme, zeker, maar zonder uit het oog te verliezen dat een mens zijn pad kiest in de mist. Ons zicht beslaat niet meer, maar ook niet minder dan de voornoemde vijftig meter. Dat wordt nogal eens vergeten, niet alleen door dromers, intellectuelen of kunstenaars.

Ook wij zijn mensen in de mist, mensen die niet kunnen weten waar het pad heen voert dat we besluiten in te slaan. Maar een ding is zeker: we kunnen niet stil blijven staan. We zullen ons niet schamen voor de ideeen die we aandragen, de wegen die we volgen en het tijdschrift dat we u aanbieden. We willen niet sterven in deze eeuw.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden