We wilden heel Canada bekeren

Met z'n tienduizenden vertrokken ze, aangemoedigd door vertrekpremies van de overheid en uitgezwaaid door verwanten, die meenden dat ze hun familie nooit meer zouden zien. De emigranten vertrokken uit een sterk verzuild Nederland, en vooral de gereformeerden onder hen trokken in hun nieuwe vaderland wederom een zuil op. Hoe verging het hen? En dragen hun nakomelingen die geëxporteerde zuil nog? Agnes Amelink zocht het antwoord op die vragen in Noord-Amerika, waar in de tweede helft van de vorige eeuw honderdduizenden Nederlanders terechtkwamen. Na haar standaardwerk over de gereformeerden in Nederland, volgt Amelink nu de gereformeerden overzee. In een reeks van zeven artikelen schildert zij het lot van de Christian Reformed Church, vertelt fascinerende familiegeschiedenissen, en beschrijft hoe de kinderen van emigranten nu denken over de grote stap die hun ouders toen namen. Aflevering 1: ,,Kuyper is hier springlevend.''

Ze heetten Geeske of Sjaan. Arie, Fokke of Minne. Op een dag kwamen ze met hun ouders, broers en zussen aan in het verre land. In een plaats waarvan ze de naam soms niet eens kenden. Daags na aankomst werden ze naar school gestuurd. ,,What 's your name?'', vroeg de juffrouw. ,,Heeske? Dat kennen we hier niet, voortaan heet je Hazel. Sjaan? Dat is niet Canadees. Jongens, wat vinden jullie een mooie naam? Judy, okay, we noemen je Judy.'' En zo werd Arie Allan, Fokke Fred en Minne Michael.

Minne de Vries uit Huizum bij Leeuwarden was bijna 15 jaar oud toen hij in mei 1950 met zijn vader en moeder en zes broers en zussen in een gehucht in de provincie Alberta terechtkwam. De boer bij wie de familie De Vries zou gaan werken, haalde hen op in een open vrachtwagen. Het beloofde huis was een verbouwde kippenren die onmogelijk het hele gezin kon herbergen. De oudere jongens moesten dan maar op de zolder van de graanschuur slapen. Het was er vergeven van de muizen. ,,Ze liepen 's nachts over je gezicht''. Michael de Vries (68) rilt nog van afschuw.

,,Van zonsopgang tot zonsondergang moesten we werken. We werden grootgebracht met Psalmen, Spreuken en Potatoes. 'Ga tot de mier, gij luiaard'. Na het wieden tussen de bieten moest ik elke dag nog drie koeien melken. In de winter, die vroeg inviel, moesten we met onze koude handen met grote messen suikerbieten zien te bevrijden uit de bevroren grond. Rij na rij na rij. En ik was de cheerleader.''

In dit harde bestaan was de wekelijkse kerkgang op zondag het eenzame hoogtepunt. Een oase van gedeelde smart. Twee keer per zondag schaarden ze zich onder het Woord, samen met misschien wel vijftig andere Nederlandse gezinnen, allemaal even kinderrijk. ,,Die Canadese boeren wilden graag grote gezinnen, want die kinderen waren goedkope arbeidskrachten.'' Er was ook een jeugdvereniging voor jongens en meisjes.

In deze periode werd bij Michael de kiem gelegd voor zijn latere loopbaan. Hij voelde zich geroepen om predikant te worden. Dat was prachtig. Een dominee in de familie; moeder was zo trots als een pauw. Vader De Vries, die in Leeuwarden verzekeringsagent was geweest, ging -toen de verplichte twee jaar bij de boer erop zat- werken als onderhoudsman bij de bereden politie in Calgary. Michael werkte na schooltijd bij een kruidenier, de classis Alberta bood de aankomende theologiestudent financiële steun. Bij aankomst op Calvin College, de predikantenopleiding in Grand Rapids, Amerika, moest Michael opnieuw zijn naam inleveren. ,,Mensen horen niet naar engelen te heten'' zei professor Henry Van Til. ,,Vanaf nu ben je Marvin.”

Het waren kleine luyden die in de jaren na de tweede wereldoorlog emigreerden naar Canada. Kinderrijke boeren, boerenknechten en tuindersknechten, kleine kruideniers, bakkers, kappers, sigarenmakers. Met z'n tienduizenden vertrokken ze vanaf de Wilhelminapier in Rotterdam, aangemoedigd door vertrekpremies van de overheid, die zo het werkgelegenheidsvraagstuk hoopte op te lossen, en uitgezwaaid door verwanten, die meenden dat ze hun familie nooit meer zouden terugzien.

Zo'n 185 000 Nederlanders hebben zich tussen het einde van de tweede wereldoorlog en 1970 in Canada gevestigd, de meesten in de eerste helft van de jaren vijftig. Onder hen waren verhoudingsgewijs veel gereformeerden. Dat was te danken aan de prominente rol van de zuilen bij de organisatie van de emigratie. Aan de Canadese kant was de Christian Reformed Church (CRC) in 1947 de eerste die zich systematisch ging bezighouden met de opvang en plaatsing van immigranten, met aan Nederlandse zijde als partner de Christelijke Emigratie Centrale, die ook dreef op gereformeerden. Overigens hadden ook de rooms-katholieken en de niet-religieus gebonden emigranten hun eigen bemiddelingsinstanties.

Hoewel de meeste landverhuizers werden gedreven door economische motieven en zin voor avontuur, kwam er ook calvinistische zendingsdrang aan te pas. In elk geval bij de gereformeerde kerken in Noord-Amerika. Sommige gemeentes kochten speciale huizen waarin nieuwkomers tijdelijk werden opgevangen en ook regelden ze werk. Op zondag reisden ze stad en land af om afgelegen kerkgangers op te halen. Door zich als dé Nederlandse kerk van Canada te presenteren wisten ze ook veel niet-gereformeerden aan zich te binden. Dit tot grote ergernis van vooral hervormden, die niet over zo'n geoliede opvangmachine beschikten.

De 17-jarige Jack van Meggelen die in 1956 in zijn eentje naar Canada vertrok, was helemaal niet kerks. Maar op zondag -de enige dag in de week dat hij een paar uur vrij was- liet hij zich graag meenemen naar de CRC, vanwege de gezelligheid. Toen hij zo een jaar of twee van de sociale functie van de kerk had geprofiteerd, vond hij dat hij moest kiezen. Hij kon toch niet tot in lengte van jaren alleen voor de koffie blijven komen. Hij meldde zich aan voor de catechisatie, trof er een vrouw en bleef.

De meeste nieuwkomers stortten zich onvoorwaardelijk op het kerkelijke leven. Regelrecht vanuit het verzuilde Nederland van de jaren vijftig, stelden ze er een eer in om de gereformeerde levensstijl van thuis zo goed mogelijk voort te zetten, met alles erop en eraan. De gemeenschap was hecht. ,,In de kerk zaten je echte vrienden'', zegt Allan Romkema (1938) die op zijn 13de naar Canada kwam. ,,Op school draaide je zo goed en zo kwaad als dat ging mee.''

Veel van zijn leeftijdgenoten spreken over twee werelden: die van de kerk en die van de Canadese openbare school. Bloemistendochter en gezinstherapeute Judy Cook (in 1956 op haar 11de geïmmigreerd) gebruikt het woord 'getto' om de gereformeerde wereld van haar jeugd te beschrijven. ,,Het was totale vervreemding. Thuis kregen we te horen dat de Canadezen gevaarlijk waren, vooral de jongens.'' Bij het ouder worden komen bij sommigen trauma's los, waarbij het verlies van de eigen naam een kleinigheid was. Ze werden uitgemaakt voor 'molendraaier' en 'dijkspringer'. ,,Het was een schizofrene toestand'', zegt Derk Evans, die ooit als de 10-jarige arriveerde. ,,Die twee werelden streden voortdurend met elkaar. Vooral als je goed in sport was, had je een probleem, want de beslissende wedstrijden waren altijd op zondag. Er was geen sprake van dat je daaraan kon meedoen. Doodongelukkig ben ik erdoor geweest.''

De ouders van deze kinderen deden er alles aan om zo snel mogelijk christelijke scholen te stichten. Dat de Canadese overheid, anders dan de Nederlandse, het christelijk onderwijs niet voor haar rekening nam, was geen beletsel. Hun kinderen moesten alle kansen krijgen -daarvoor krom liggen was geen punt. Bovendien: het hoorde er gewoon bij.

,,We zijn lid van de Christian Labour Association (CLAC), het ICS (Institute for Christian Studies) we lezen de Christian Courier en de The Banner'', vertellen ouderen om aan te geven hoe ze de gereformeerde zuil ook in Canada zijn trouw gebleven. En wat was er mooier dan die kinderen na de highschool naar het eigen college in Grand Rapids te zien vertrekken, waar ze konden doorleren voor leraar of voor dominee? Een betere toekomst voor hun kinderen was immers voor allemaal een hoofdmotief geweest voor hun ingrijpende beslissing om Nederland te verlaten.

Waar de emancipatie van de kleine luyden in Nederland wel zo'n beetje voltooid was, begon de geschiedenis aan de andere kant van de oceaan opnieuw. Door het ontbreken van een laag van voormannen -dominees, hoogleraren en politici die feitelijk de dienst uitmaakten- waren de tuinderszonen en boerenknechten gedwongen zelf de leiding te nemen in kerk en school.

Het ging met vallen en opstaan, maar met alle denkbare toewijding. Want ze waren ervan overtuigd dat ze Abraham Kuypers calvinistische beginselen, die hun met de paplepel ingegeven waren, ook tot opbouw van hun nieuwe vaderland moesten uitdragen. Dat betekende dat er geen enkel terrein van het leven mocht zijn dat niet onder Gods soevereiniteit stond. Zoals een inwoonster van Nijverdal in 1953 schreef over de snelle kerkgroei in Canada: ,,Moge er veel kracht van uitgaan, want wij hebben de dure roeping om in dit grote land door onze handel en wandel een lichtend licht en een zoutend zout te zijn.''

Hun ijver om een eigen Kuyperiaans bolwerk op te richten werd intussen met scepsis gadegeslagen door de nazaten van de gereformeerden die de oversteek al eind 19de en begin 20ste eeuw gemaakt hadden. ,,Het idee dat je een renderende krant of een politieke partij van enige betekenis zou kunnen stichten; men had geen besef van de omvang van dit land'', zegt Ty Hofman (1922), wiens voorgeslacht in 1880 in Noord-Amerika aankwam. In 1955 werd Hofman de eerste predikant van een drie jaar eerder gestichte immigrantenkerk in Alberta. Hij lijkt nog verbaasd over de argeloze vastbeslotenheid waarmee die pioniers meenden Canada te kunnen bekeren. Dat moest wel op een teleurstelling uitlopen.

Want dat de critici deels gelijk hebben gekregen, kan een halve eeuw later rustig vastgesteld worden. Het Institute for Christian Studies, ooit opgericht om uit te groeien tot de Canadese vrije universiteit, geldt tegenwoordig als een bolwerk van vrijdenkers, waarvan de leidende figuren veelal overgestapt zijn van de CRC naar de anglicaanse kerk. Wat er over is van de christelijke pers kampt met een vergrijsd en teruglopend lezerspubliek, terwijl de politieke partij nooit meer werd dan een christelijke lobbygroep (Citizens for Public Justice).

Relatief goed heeft de christelijke vakbeweging (CLAC) het gedaan. Van de 25000 leden hebben velen echter weinig met het christelijke karakter van de bond; ze zochten vooral een alternatief voor de machtige unions. Voor de jongere generaties uit de gereformeerde traditie is het lidmaatschap van de eigen organisaties niet meer vanzelfsprekend. Daarbij komt dat de CLAC vooral actief is in de industrie, terwijl de traditionele achterban inmiddels is opgeschoven naar de witteboordenbanen.

Uitgesproken succesvol zijn de gereformeerden in Canada geweest met de invoering van christelijk onderwijs. De scholen, die door het hele land verspreid liggen, staan goed bekend. Terwijl het aanvankelijk vooral CRC-enclaves waren, trekken ze tegenwoordig steeds meer leerlingen met een andere kerkelijke achtergrond. Het grootste probleem is dat ze duur zijn, waardoor het elitescholen dreigen te worden. Lang niet alle ouders zijn meer bereid een vakantie of een nieuwe auto op te offeren voor de school, zoals de eerste twee generaties immigranten deden.

Nu de pioniersgeneratie van tachtigers in de Holland Christian Homes zit, het vijf torens grote bejaardencomplex in Brampton, Ontario, worstelen hun kinderen met de vraag wat ze met dit erfgoed aanmoeten. Met het verstrijken van de jaren neemt de betekenis van de CRC als thuishonk voor Nederlanders af. Sommigen vragen zich hardop af wat de betekenis van de CRC is als je de etnische component eruit haalt. Anderen bepleiten minder gerichtheid op de eigen groep, meer aandacht voor sociale rechtvaardigheid en milieuvraagstukken. Vaak kijken zij met een begerig oog naar het oude moederland, waar de gereformeerden de luiken al veertig jaar geleden hebben opengezet. Bij veel anderen is die ontwikkeling echter vooral een schrikbeeld, dat ze tot elke prijs willen vermijden.

Er zijn er echter ook die Kuyper nog lang niet ten grave hebben gedragen. Het hart van deze beweging vormt het Redeemer University College in Ancaster, dat met steun van rijke zakenmensen is opgezet om studenten op te leiden met een calvinistische maatschappijvisie. ,,Kuyper is hier springlevend”, zegt Jacob Ellens, historicus en vice-president.

Redeemer telt zo'n 750 studenten en groeit nog steeds, mede dankzij de evangelicale instroom uit andere dan CRC-kerken. Aanhangers van Kuypers wereldvisie verwachten veel van deze kruisbestuiving. Evangelicalen leren dat het Evangelie er is voor de hele schepping en niet alleen voor het persoonlijk leven, de gereformeerden komen in aanraking met een minder door regels en gewoontes gekenmerkte vorm van geloven. Overigens moeten de evangelicale jongeren wel even slikken als ze zien dat hun gereformeerde medestudenten soms grofgebekt zijn en zonder gewetensbezwaren roken en drinken.

Veel van de predikanten, onderwijzeressen, docenten op Redeemer en op Calvin College in Grand Rapids, zijn immigrantenzonen en -dochters die de droom van hun ouders hebben waargemaakt. Nazaten van Canadese kleine luyden. De keerzijde van deze emancipatiebeweging dient zich echter ook aan: het geloof der vaderen lijkt weg te ebben. Vrijwel alle docenten van Redeemer hebben wel kinderen die kerk en geloof de rug toegekeerd hebben, zegt een van hen. Judy Cook, wier man Hugh Engelse letterkunde doceert: ,,De in Nederland gangbare mythe dat iedereen hier nog zo gelovig is, moet maar eens worden doorgeprikt. Voor onze volwassen kinderen is er niet veel dat hen bindt.''

In het bejaardentehuis in Brampton kijkt de generatie van de vertrekkers tevreden terug. Zij waagden de sprong voor hun kinderen en kijk eens hoe goed ze terecht zijn gekomen. En anders dan de neven en nichten in Nederland hebben de Canadese kinderen het geloof bewaard. Bij de vijftigers en zestigers heeft echter de twijfel toegeslagen. Zij kijken naar hún kinderen en vragen zich af waar het allemaal voor nodig was, de verscheurdheid, het identiteitsverlies. Allan Romkema: ,,Onze ouders pleegden culturele zelfmoord en wat hebben ze ermee gewonnen? Dertig jaar misschien.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden