Review

’We waren een nogal primitieve samenleving’

Emir Suljagic was tolk voor de VN in Srebrenica. Hij leefde drie jaar in de door Serviërs omsingelde stad. Elf jaar na de val van de enclave schreef hij er als eerste Bosnische ooggetuige een boek over: ’Briefkaarten uit het graf’.

Soms, als Emir Suljagic even geen vertaalwerk te doen had, klom hij naar het dak van het PTT-gebouw waar hij werkte. Daar kon hij alleen zijn, iets lezen – als tolk van de VN had hij het geluk dat hij Engelstalige boeken en tijdschriften van buiten de enclave kon krijgen.

Het contrast tussen de wereld van fictie en buitenlandse bladen, en de realiteit die Suljagic zag als hij zijn hoofd over de rand van het dak stak, was groot. In de rest van de beschaafde wereld hield men zich bezig met het nieuwe fenomeen internet. Srebrenica, intussen, werd omsingeld door Bosnische Serviërs, bezig met een genocidale campagne tegen de moslims in en rond de stad.

Soms werd de kloof gedicht. „Het was bizar om in Time Magazine stukken over Srebrenica te lezen.”

Suljagic had in meerdere opzichten ’geluk’. Hij had een baan, hij had routine. Dat gold niet voor de veertig à vijftigduizend vluchtelingen die tussen 1992 en 1995 in de stad leefden. „Ik ging ’s ochtends naar mijn werk, en ’s avonds naar huis. De meeste mensen niet. Zij leefden in wanhoop, zonder perspectief, zonder werk, zonder menselijke waardigheid.”

Een outsider voelde hij zich toch niet. „Ik probeerde te overleven, net als zij. Maar ik was voor veel mensen wel een link naar de buitenwereld. Als ik ’s avonds naar huis liep werd ik door vijftig mensen aangeschoten. Ze wilden een brief versturen of informatie van buiten krijgen; ik was onderdeel van hun overlevingsnetwerk.”

De inwoners kampten niet alleen met de belegering van de Serviërs, de granaten die dagelijks insloegen, ernstig voedselgebrek en honger. Ook de overbevolking van de stad, die voor de oorlog vijfduizend inwoners had gehad, was een bron van problemen. „Elke vierkante centimeter was bezet, mensen leefden in garages, klaslokalen, gebombardeerde huizen. Het was ongelofelijk vol, privacy bestond niet. Mensen werden daar gedeprimeerd van.”

Voor Suljagic, die 17 was toen hij in 1992 met zijn familie vanuit een naburig dorp naar Srebrenica vluchtte, gaf dat ook praktische problemen. Vooral toen hij een vriendin kreeg. „Ik kon haar nergens mee naar toe nemen”, vertelt hij een beetje verlegen.

Over andere dingen spreekt hij gehaast, en met stemverheffing. Over het zelfgekozen stadsbestuur van Srebrenica bijvoorbeeld, dat de orde in de overbevolkte stad zou moeten handhaven. In zijn boek beschrijft Suljagic hoe deze kliek hulpgoederen achterover drukte en voor woekerprijzen op de zwarte markt verkocht. „Ze moesten ons het leven makkelijker maken, maar maakten het moeilijker.”

Hij vertelt ook over de ’politie’, die rondliep door de stad en ’rapporten’ opmaakte. „Maar er was geen rechtbank, er waren geen gekwalificeerde rechters, geen gevangenis. We waren een nogal primitieve samenleving. Daarin krijgen primitieven al snel de overhand.”

Tot deze ’primitieven’ rekent Suljagic ook Naser Oric, de leider van de moslimmilities in en rond Srebrenica. Oric werd vorige week door het Joegoslavië-tribunaal veroordeeld tot twee jaar gevangenis, omdat hij niet voorkwam dat Servische gevangenen werden mishandeld en vermoord door zijn ondergeschikten. Suljagic verafschuwt de militieleider echter vooral omdat die een van de grote mannen van de zwarte markt in Srebrenica was. „Zijn naam noem ik niet in mijn boek, niet in dit verband in ieder geval. Hetzelfde geldt voor de namen van andere profiteurs. Niet omdat ik bang voor hen ben, maar omdat ik zo’n hekel aan ze heb. Ik heb het boek opgedragen aan de mensen die ik kende, van wie ik hield. Ik wilde dat niet bevlekken met de namen van deze types.”

Daarmee is de kous overigens niet af, zegt Suljagic. Met een vriend wil hij in het najaar een boek schrijven over de mensen die in de oorlogsjaren rijk werden van andermans ellende. „Ook dat hoofdstuk van de oorlog moet afgesloten worden. We hebben heel veel materiaal, we zouden een rechtszaak kunnen beginnen.”

Zelf keert Suljagic, inmiddels journalist, nog af en toe terug naar de omgeving van Srebrenica, om zijn grootvader te bezoeken die daar weer is gaan wonen. Prettig vindt hij het er niet. Hoewel hij zelf als VN-medewerker kon ontkomen aan de Serviërs, overleefde een aantal van zijn familieleden (vader, grootvader, oom) het beleg en later de val van Srebrenica niet. „In Oost-Bosnië voel je heel tastbaar dat mijn land iets kostbaars heeft verloren. Los van de doden is de genocide door de Bosnische Serviërs ook op die manier succesvol geweest.”

Als journalist en schrijver probeert Suljagic tegenwicht te bieden. Maar een boek als ’Briefkaarten uit het graf’ zal hij nooit meer schrijven. „Dat heeft me bijna de kop gekost, het kostte me jaren. Ik heb het geschreven om een deel van de last af te schudden, ik wilde die zooi niet langer met me meedragen. En ik wilde sommige mensen die ik kende weer tot leven wekken. Als hun stemmen via dit boek op een of andere manier weerklinken, dan ben ik daar dankbaar voor.”

Briefkaarten uit het graf, E. Suljagic, De Arbeiderspers, ISBN 9029564032, 17,95 euro.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden