We rijden op fakkels aan

De tocht begint voor het laatst in Stavoren, als we op de Dijkvaart voor het eerst een klap krijgen van de wind.

PETER HENK STEENHUIS

Hij was al begonnen op nieuwjaarsavond met het bericht dat de tocht doorgaat. En vervolgens de morgen daarop, toen bekend werd dat het zaterdag zou zijn. En nadien op het perron; de bramen van de schaatsen en de zeemleren-shirts en luierachtige onderbroeken gekocht.

De spanning, die in de trein was gezakt, keert in Leeuwarden terug. Mijn compaan, Engbert Lingsma, en ik zijn pd-ers, potentiële deelnemers en blijken ingedeeld in de blauwe groep die halfelf of misschien wat eerder start.

In ons gastgezin, waar ze eten, drinken, matrassen, en ander goeds blijven aanslepen, komt de tocht weer dichterbij: er zit een man of tien in de kamer te verhalen over eerdere tochten.

's Nachts is de tocht er op een andere manier. Om vier uur, als de vroegste starters opstaan, ga ik eruit. Dit is de dag. Ik tape nog snel de neuzen van mijn schaatsen in - schijnt goed te zijn tegen de kou. Om kwart over tien binden we ze onder en om negentien over tien, na nog geen honderd meter op de Zwette te hebben gereden, ga ik onderuit. Niks aan de hand, zenuwen. De tocht, al drie dagen gaande, is begonnen.

Bij Sneek, vlak voor de watertoren een grote, houten kluunplek. “Je bent er bijna”, roept iemand boven het geklepper uit van duizenden schaatsen.

Klokke elf in IJlst. Langs de draaiende molen bij Woudsend. Op het Slotermeer, waar ik heb leren zeilen en surfen, tweehonderd meter tegenwind, even proeven wat je te wachten staat. In Sloten staan we leunend tegen de ingevroren 'Gemma Everdina' in een rij te urineren. “Hoe laat gestart?” Het wordt de meest gehoorde vraag van de dag. “Dan hebben jullie er fiks de sokken in.”

We waaien naar Stavoren, waar we volgens afspraak om halféén onze verzorgers ontmoeten. Dekens, thee, druivensuiker, AAdrink, een bolletje oude Leidse, en Wiegerketellapper, die een uur later nog tussen de tanden plakt. We smeren de neus in met vaseline, zetten onze bivakmutsen en skibrillen op. We draaien de Dijkvaart op en krijgen een klap van de wind: nu is de tocht voor de laatste keer begonnen, tot Dokkum hebben we de wind op de kop, een cadeautje bij Harlingen daargelaten.

De lange slag van de eerste 66 kilometer maakt plaats voor een prikslag. Buikspieren aan, rechtop staan, links-rechts, links-rechts, blijf met de hakken afzetten, niet gaan slaan met die ijzers. Mijn kompaan op de kop, ik erachter en daar achter nog een man of honderd. Plotseling het zeurderige toetertje van de auto van onze vrienden. We zullen ze om kwart voor twee verderop in Workum weer ontmoeten.

Ik krijg pijn aan mijn tenen, niet van de kou, waarvan wel? In Bolsward is de pijn niet meer te dragen. Plotseling schiet het door me heen: het tape om de neuzen van mijn schaatsen. Ik trek het eraf en voel het bloed mijn tenen inschieten. Dat doet pas echt pijn.

Vlak voor Harlingen zijn prachtige kluunplaatsten, arm-voor-arm word ik door vrijwilligers de dijk opgetrokken, en arm-voor-arm word je tegengehouden als je de dijk weer af waggelt. We komen tegen half vijf in Franeker aan, waar dweilorkesten tetteren. Mijn vriend bukt zich en gooit de armen de lucht in, ik buk me en doe hetzelfde, het publiek bukt zich en wavet op-en-neer.

Hoe meer we voor donker afleggen, hoe beter. Om half zes, als we in Ried onze begeleiders voor de derde maal vaarwel zeggen, valt de dag.

Weer een nieuwe ervaring: schaatsen in het donker. De sloten worden smaller, inhalen gaat niet meer, we rijden file. Ik rijd in een scheur, mijn schaats schiet naar achter, schampt het karton dat wij als scheenbeschermers dragen en schiet bij mijn vriend in zijn knie. We bestuderen de wond in het licht van koplampen. Weinig bloed. Even later blijft hij hangen in een kwalster, hij klapt net niet, maar ik zie zijn schaats wel als een lemmet voor mijn neus langs flitsen. We schreeuwen elkaar toe waar de scheuren lopen, waar de sneeuw vastgevroren zit aan het ijs, waar iemand op de grond ligt.

Vanuit het donkere veld rijden we telkens op fakkels aan. Nog zestien kilometer naar Bartlehiem, wordt er geroepen; nog veertien, nog twaalf, nog zes, nog vier.

Het laatste stuk wind tegen. En dan Dokkum. Twee, drie keer eerder was ik al volgeschoten, maar dit is te mooi. Een politieagent vraagt of het wel goed met me gaat, alsof ik de eerste ben die voorbij komt. We dansen even en rijden dan de nacht weer in.

Nog geen vijf minuten later rijden pal voor me drie man op elkaar op de wal. Blijf overeind . . . niet nu alsnog . . . blijf overeind. Mijn kompaan glijdt veel makkelijker dan ik, hij is niet bang. Telkens als er een onderuit klapt en mijn vriend zijn rug recht, roep ik naar voren: “Ben ik niet.”

Terug in Bartlehiem. Nog een klein stukje tegenwind, dat was niet gezegd. Daarna houden we de schaatsen stil om met de wind in de rug niet te hard te gaan. De skyline van Leeuwarden. Flats, lichten langs de Bonke, het finishdoek. Ik zie ons op een videoscherm voorbij rijden. Het is bijna kwart voor negen en onze tocht is afgelopen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden