'We omhelzen vrijheid, maar schromen fysiek contact'

Een beeld van het elektronisch patientendossier in een huisartsenpraktijk. Archiefbeeld. Beeld Anp

In mijn studententijd heb ik een zomer lang mijn vakantiegeld verdiend als hulpbroeder in een ziekenhuis. Eten rondbrengen, sapjes uitpersen, ondersteken schoonmaken en wat de verpleegsters aanduidden met het horreurwoord 'tempen': dat waren mijn voornaamste bezigheden. Van alles wat echt medisch was werd ik terecht verre gehouden. Nog altijd ontbreekt het mij op dat gebied van zelfs de meest elementaire basiskennis.

Slechts één keer heb ik bij een doktersingreep iets nuttigs kunnen doen. De patiënte was een oudere vrouw bij wie een punctie moest worden verricht in haar borstbeen. Terwijl er een medisch apparaat in het bot werd geschroefd, moest ik werkeloos toezien. Het enige wat ik kon doen was al die tijd haar hand vasthouden. De pijn zal het niet hebben weggenomen, maar haar blik en gefluisterde woord van dank herinner ik mij nog steeds.

We zijn nu een paar decennia verder en inmiddels mag dat van de Inspectie voor de Gezondheidszorg niet meer, zo begrijp ik uit het opiniestuk dat Marian Verkerk en Joris Slaets afgelopen zaterdag in deze krant publiceerden. Althans niet zolang zo'n troostend gebaar van de 'zorgprofessional' komt. "Ieder lichamelijk contact anders dan een hand geven gaat te ver," zo citeren zij een functionaris van het inspectieorgaan.

Het kleine gebaar
Nog steeds denk ik dat dat handje-vasthouden het meest betekenisvolle is geweest wat ik die zomer heb gedaan. Misschien zelfs wel het enige wat echt in de buurt van 'zorg' kwam - of die nu 'professioneel' was of niet. Het was het enige moment waarop het verschil maakte dat ik er was en wat ik deed. Daarom herinner ik het mij nog - want het is niet alleen de patiënt die van zulke kleine gebaren rijker wordt. Het kan niet anders of de échte zorgprofessionals die dat allemaal niet meer mogen, voelen zichzelf daarbij in gebreke blijven, niet alleen jegens hun patiënten maar ook jegens zichzelf.

Met die zelfopgelegde terughoudendheid wordt niet alleen in de zorg het kind met het badwater weggegooid, zoals Verkerk en Slaets betogen. In het onderwijs is het niet anders. Vooral op de lagere en middelbare scholen lijkt me dat problematisch. De redenen daarachter zijn duidelijk. Grensoverschrijding is bij zulke intieme gebaren maar al te gemakkelijk; en waar er sprake is van ongelijke (machts)verhoudingen is dat eens zo kwalijk.

Schroom voor fysieke contacten
Maar het dilemma is niet uitsluitend te wijten aan institutionele voorschriften en overijverige inspecteurs. Er is in de hele samenleving een schroom binnengeslopen voor fysieke contacten, hoe onbekommerd wij als bevrijde individuen ook denken te zijn. Een aaneenschakeling van schandalen, boze commentaren en barse maatregelen heeft geresulteerd in een achterdocht die ieder die verder wil gaan dan 'een hand geven' wel drie keer zijn knopen doet tellen.

Een paar jaar geleden overleed plotseling de geliefde peettante van een vriendin van mijn dochtertje. Toen ze het nieuws hoorde, was ik als enige in haar omgeving en in haar huilbui omhelsde ze mij heftig. Natuurlijk troostte ik haar, maar ook in mij was de zelfcensuur ingesleten en ik was me pijnlijk bewust van mijn schutterigheid. Ik denk dat ik haar verdriet warmer en hartelijker had kunnen beantwoorden - maar een strenge blik in mijn binnenste verbood me tegenover deze 17-jarige méér te doen dan het minimaal noodzakelijke.

Er heeft zich van ons fysieke bestaan een rare dubbelheid meester gemaakt, die gepaard gaat met een problematisch gebrek aan maat. Aan de ene kant werden een kleine halve eeuw geleden de grenzen van de lichamelijkheid opengegooid en raakte de samenleving verregaand geseksualiseerd. Dat had (bijna) alle menselijk ongeluk moeten wegnemen - maar seks is een riskante zaak en ze nam genadeloos wraak. Uit schik voor de gevolgen herstelde het oude superego van het verbod zich sterker dan het ooit geweest was - vooral omdat het nu niet meer 'van boven' maar 'van allemaal' en 'uit onszelf' kwam.

Zwalken verder
Zo zwalken we inmiddels tussen twee uitersten. De tijd dat 'alles moet kunnen' ligt achter ons, maar véél kan (en moet) er nog wel. En tegelijk mág er eigenlijk niks meer. Of beter gezegd: bij alles wat kan (en moet) ligt de sanctie op de loer die het bevrijde lichaam in één klap schuldig en zijn bewoner tot een paria kan maken.

Gelukkiger zijn we daar, anders dan de jaren zeventig beloofden, niet van geworden. Misschien ook niet óngelukkiger. Maar wel matelozer en meer gedesoriënteerd. Het gebod van wat moet en het verbod van wat niet mag hebben hun onderlinge voeling verloren en perken elkaar niet meer in. Afwisselend vrezen we het mooiste van het leven door onze vingers te zien glippen óf de deur open te zetten voor catastrofale risico's. We omhelzen een verregaande vrijheid en zoeken vervolgens, diep ontzet, toevlucht bij de ijzeren regel.

Ergens daartussenin troostend de hand vasthouden van een pijnlijdende patiënt is er dan niet meer bij.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden