We mogen best trotser zijn op het mbo

Het komt goed met het beroepsonderwijs. Maar dan moet er wel wat gebeuren. Meer aandacht voor de individuele loopbaan van de student bijvoorbeeld.

Een jaar geleden maakte ik de overgang van de Rotterdamse politiek naar het beroepsonderwijs. En ik viel met mijn neus in de boter. Het mbo was niet uit het nieuws weg te slaan. Een lawine van zorgen en gebreken denderde over ons heen. Te weinig uren, te lage kwaliteit, te hoge uitval, financiële problemen. Dagelijks wordt me de vraag gesteld of ik het nog wel naar mijn zin heb in het beroepsonderwijs. En of het ooit nog goed komt met dat mbo. Na een jaar kan ik daar een redelijk afgewogen oordeel over vellen. Ja, ik heb het erg naar mijn zin, en ja, het komt goed met het beroepsonderwijs. Maar dan moet er wel wat gebeuren.

Ieder maatschappelijk probleem, zoals de toename van het aantal zorgleerlingen, slechte beheersing van de Nederlandse taal, voortijdig schoolverlaten of onvoldoende sociaal gedrag, wordt op het bord van het mbo gelegd. Er is sprake van een sluipende taakverzwaring. Het mbo is niet zo assertief. Het pakt de nieuwe taak op en probeert het zo goed mogelijk te regelen. Ondertussen verslechtert de kwaliteit en neemt de maatschappelijke onvrede toe.

Het beroepsonderwijs kan en moet beter. De volgende drie verbeteringen kunnen het mbo vooruit helpen. En dat zonder stelselwijziging en ideologisch gedreven onderwijsvernieuwingen. Zonder alleen maar naar ’Den Haag’ te kijken dat hierin ook zijn verantwoordelijkheden heeft. Een groot deel van de verbeteringen kunnen nu al worden doorgevoerd en worden in veel roc’s ook daadwerkelijk gerealiseerd.

De eerste opgave is het bouwen van een ’solide’ organisatie. Niet groots en meeslepend, wel basaal voor goed onderwijs. Kloppende roosters, docenten die met de goede faciliteiten werken, die permanent worden geschoold, een inhoudelijk passend onderwijsaanbod. Docenten in het beroepsonderwijs zijn over het algemeen zeer betrokken, maar hebben vaak het gevoel er alleen voor te staan. Voor een stevige organisatie is het nodig dat docenten zich gesteund voelen door staf en management. Door alle aandacht voor onderwijsvernieuwingen, reorganisaties en fusies heeft het onderwijs zelf te weinig aandacht gekregen en dit moet echt anders.

Vanuit het perspectief van de student is het onderwijs te grootschalig. Ga er maar aan staan: op basis van een aanbod van honderden opleidingen een keuze maken die je toekomst bepaalt. We moeten het beroepsonderwijs overzichtelijker maken, kleinschaliger, met meer maatwerk voor studenten. ROC Midden Nederland realiseert twaalf ’colleges’, zoals het Bouw College of het ICT College. Het gaat hier om beroepsonderwijs zoals het bedoeld is, in nauw contact met de branche waarvoor wordt opgeleid en met een adequate stage- en werkbegeleiding.

Meer aandacht voor de individuele loopbaan van de student. Iedere student heeft een loopbaanbegeleider nodig die samen met de student zorgt voor een goede balans tussen persoonlijke wensen en maatschappelijke eisen. Investeren in goede loopbaanbegeleiding voorkomt verzuim en voortijdige schooluitval.

Maar we hebben de overheid óók nodig. Met bovenstaande agenda is een deel van de problematiek van het mbo opgelost, maar niet het geheel. Ik noem graag twee ambities voor het nieuwe kabinet. De eerste is al veel vaker genoemd en moet nu gewoon eens goed geregeld worden. De aandacht en de middelen voor zorg en ondersteuning in het mbo laten fors te wensen over. Voor een student met extra ondersteuning in het vmbo is veel meer geld en zorg beschikbaar dan voor diezelfde student in het mbo. Juist het mbo kan gelden als vindplaats van veel maatschappelijke problemen maar de structuur om deze problemen aan te pakken ontbreekt.

Het tweede agendapunt raakt het debat dat vorig jaar is gestart door Ahmed Marcouch. Hij laakte het minimale aantal uren dat mbo’ers op school zitten, en daar heeft hij gelijk in. Een mbo’er volgt wettelijk minimaal 850 uren onderwijs per jaar. Dat is ongeveer vier uur per dag. Veel minder dan leeftijdsgenoten op havo of vwo, die 200 uur meer onderwijs ontvangen. Die 850 uur zijn gewoon te mager, zeker voor leerlingen met bijvoorbeeld een taalachterstand. Wat me in het mbo verbaast is dat iedere nieuwe taak, zoals het beter leren van het Nederlands, in die 850 uur moet worden gepropt. Zulke extra taken gaan dus ten koste van de uren die beschikbaar zijn voor het vak. En dat is ongewenst. Als we het beroepsonderwijs beter willen maken, zal zeker voor leerlingen met een achterstand de urennorm omhoog moeten tot zo’n 1000 uur.

Wie de onderwijsdebatten van de laatste decennia heeft gevolgd, zal niet achterover slaan van deze doelstellingen. Het gaat niet om hoogdravende vergezichten. Het is niet ’glossy’. Laat het beroepsonderwijs verschoond blijven van grootse en meeslepende vernieuwingen. Gewoon goed en solide onderwijs. Kleinschalig en met veel individuele aandacht voor de leerling. Met voor een aantal leerlingen meer uren school.

Als je de middelen ziet waarover het mbo beschikt, levert het beroepsonderwijs in Nederland een prima prestatie. Ik werk met veel plezier in het mbo. Sterker nog: ik ben trots op het beroepsonderwijs. Natuurlijk, het kan en moet beter. Maar duizenden mensen worden jaarlijks prima opgeleid in een uniek stelsel van beroepsonderwijs. Daar mogen we best wat meer trots op zijn!

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden