We moeten weer tijd maken voor de ziel

Mia Leijssen (FOTO BART VAN DER MOEREN)

Als materie en consumptie de hogere spirituele waarden in het leven van mensen verdringen, liggen depressies, verslavingen en andere storingen en ontsporingen om de hoek van de deur, zegt Mia Leijssen. De psychotherapeute en hoogleraar te Leuven pleit voor een terugkeer naar wat ons bezielt en werkelijk vreugde geeft.

Mensen kunnen in de hedendaagse welvaartsstaat hun leven uitstekend op orde hebben – mooi huis, goede baan, genoeg geld, kinderen en sociale contacten – en toch een gemis ervaren. Veel moderne symptomen en ontsporingen in de samenleving, zoals depressie, angst, rusteloosheid, verslavingen, eetstoornissen en zinloos geweld, ontstaan volgens Mia Leijssen vanuit dat gemis.

„Het zijn tekenen dat de spiritualiteit uit het leven van mensen verdwenen is”, zegt de Vlaamse psychotherapeute en hoogleraar psychologie aan de Katholieke Universiteit Leuven. „Omdat materie, consumptie en zintuiglijke kicks te veel plaats, en hogere zijnswaarden zoals schoonheid, waarheid, goedheid en liefde te weinig plaats krijgen in het leven van mensen, dwalen zij steeds verder af van innerlijke harmonie en rust.” We moeten weer tijd maken voor onze ziel, vindt zij, voor wat ons bezielt, ons wezenlijk raakt en waaraan we ware vreugde beleven.

Als psychotherapeut helpt zij cliënten om, met hun symptomen als vertrekpunt, de weg terug te vinden naar wat wezenlijk is in hun leven en hoe ze daarvan zijn afgedwaald, naar wat hen heeft bezield en wat hen weer warm kan maken om voor te leven. Door zich samen met haar cliënt af te vragen wat diens ’zielsnood’ is, krijgt volgens haar de onderliggende spirituele malaise erkenning.

Leijssen werkt met een introspectieve methode, focussen genaamd, waarop ze ook is gepromoveerd. „Het is een tijdloze methode, die in alle grote culturen een plaats heeft gehad. Innerlijk luisteren is dé manier om contact te maken met je ziel.”

Innerlijk luisteren als weg naar de ziel: dat klinkt heel onstoffelijk, maar is het volgens Leijssen niet, integendeel. „Voeling maken met wat je raakt is een lijfelijke ervaring, die zich kan tonen als vreugde, verwondering, dankbaarheid, ook soms als ontzetting of walging. De ziel spreekt via het lichaam.”

Psychotherapie-onderzoekers hebben ontdekt, vertelt ze, dat het vooral de introspectieve mensen zijn, die vooruitgang boeken in hun therapie. „Zij hebben aandacht voor het subtiele niveau van de signalen van hun lichaam. Zij voelen bijvoorbeeld dat iets in hun leven hen raakt tot in de buik. Deze fysieke beleving van een probleem is ook in de taal terug te vinden: iets ligt me zwaar op de maag, ik heb iets op mijn lever, ik houd mijn been stijf. Beleving wordt belijving : je hart gaat sneller kloppen, je ademhaling verandert. Opwinding ervaar je tot in je buik, verdriet geeft een krop in de keel.”

Dat cliënten, door uit te gaan van dat lijfelijke ervaringsniveau, met sprongen vooruitgaan, is ook Leijssens ervaring als psychotherapeut. „Vertel niet uitvoerig, over je vader bijvoorbeeld, maar neem de tijd om te vóelen als je aan je vader denkt. Vaak stopt een cliënt dan met praten, denkt even na, en daalt af naar een ander, dieper niveau van ervaringen die hij lijfelijk met zich meedraagt. Soms slikt iemand een paar keer. Dan vraag ik: wat is dat in je keel? Ontroering? Of iemand houdt ineens zijn adem in. Wat is er zo adembenemend? En bij een loodzwaar gevoel: wat is er zo zwaar?”

Op deze manier spreek je, aldus Leijssen, de belevingskant aan, die het rationele weten overstijgt. „De westerse traditie wil vooral het rationele weten aanspreken. Maar zo zitten we niet in elkaar. Er is een dieper niveau van weten, dat ruimer is dan het rationele weten en waar een hele stapel ervaringen ligt opgeslagen.

Vanuit die ervaringen handel je en beweeg je je in de wereld. Het geheugen van het lichaam is immens onderschat. Het lichaam is geen machine. Negeer je het subtiele niveau van het weten van het lichaam, dan sla je een belangrijk terrein van kennis over. Jonge kinderen hebben dat ’buikgevoel’ nog van nature. Dat zou niet ’wijs’ zijn, maar het is veel gefundeerder dan het logisch rationele en naar mijn overtuiging wel degelijk veel ’wijzer’.”

De ziel verdwijnt in een mensenleven naar de achtergrond, zegt Leijssen, wanneer het spirituele leven verwaarloosd wordt of de invulling van de tijd helemaal doorslaat naar de betekenis van chronos. „Chronos is de meetbare klok- en kalendertijd, de tijd die geld kost en de tijd die je in het oog houdt. Maar de Griekse taal kent nog een woord voor tijd: kairos. Kairos heeft een heel ander karakter. Kairos is de tijd die stil kan staan of waarin je je kunt verliezen omdat je opgaat in iets wat je bezielt. Alles wat we met hart en ziel doen, wat ons boeit, wat ons het gevoel geeft in harmonie te zijn met onszelf, vindt plaats in kairos. Het is de tijd waarin de ziel gevoed wordt.”

Helaas, constateert zij, is in onze maatschappij alles uitgedrukt in chronos-tijd. „Chronos-tijd is nodig om het leven te ordenen, afspraken te maken en niet verloren te lopen. Maar daarin doorslaan leidt tot een ontzielde samenleving.”

Bezieling ofwel spiritualiteit is volgens haar niet, zoals de klassieke indeling aangeeft, een aparte dimensie van het menselijk bestaan, maar doordringt de drie andere – de fysieke, sociale en psychische – dimensies van het leven.

„Zo kun je bijvoorbeeld alles wat met de natuur te maken heeft, alleen op fysiek niveau bekijken, maar, vanuit de spirituele dimensie, ook op een bezield niveau. Het lichaam is bezield, de natuur is dat ook. Je kunt de natuur gebruiken en misbruiken, maar je kunt er ook zorg voor dragen, omdat je ermee verbonden bent. Datzelfde geldt voor het sociale niveau. Je kunt vrienden en relaties zien als louter nuttig en bruikbaar, maar je kunt ook met het oog van de ziel naar ze kijken, vanuit een verbondenheid die het eigenbelang overstijgt.

Dat is wat ik ook het ’betere ik’-perspectief zou willen noemen: het kunnen overstijgen van de eigen behoeften, en vanuit een ander niveau van verbondenheid kijken naar anderen, naar de natuur en naar je eigen talenten, niet alleen ik-gericht maar ook dienstbaar.

Je ziet dit ook terug in de kunst. Wezenlijk voor spiritualiteit is inspiratie die verder gaat dan het eigen ik. Kunst waarin de kunstenaar zelf centraal staat, is niet inspirerend. Zelfoverstijgende, eeuwige schoonheid van een kunstwerk is daarentegen niet meer verbonden met het ego van de kunstenaar.”

Naar eigen zeggen was Leijssen als kind vanzelfsprekend spiritueel. „Ik werd geraakt door de mooie muziek in de rk kerk en door de schoonheid van de religieuze erediensten. ’s Avonds deed mijn moeder altijd een gebed, in de traditie van de Mariaverering. Dat vond ik heel prettig, het hoorde tot de mooiste momenten van de dag, want doorbrak de alledaagse banaliteit. Ook had ik een natuurlijke afstemming op het lijden van andere mensen. Als kleuter van vier kreeg ik in de kleuterklas al de hoede over een gehandicapte jongen. Datzelfde zie ik nu terug bij mijn kleindochter van vier, die zich spontaan ontfermt over kindjes die uitgestoten worden.

Laatst vroeg ze mij: ’Oma, hoe voel je God?’ Ik antwoordde: ’In je hart als je van mensen houdt en mensen van jou houden.’ Ze reageerde prompt enthousiast: ’Oh, dan voel ik heel veel God!’”

In veel kinderlevens zie je dat heel vanzelfsprekende en natuurlijke spirituele volgens haar terug. „Kinderen zijn, mits de omgeving dat niet kapot maakt, van nature mindful, ze worden geraakt door van alles en blijven overal bij staan kijken.”

Net als haar generatiegenoten kwam ook Leijssen (1951), haar spirituele aanleg ten spijt, onder invloed van de op het rationele gerichte cultuur. „In het onderwijs werd het affectief-emotionele niet gecultiveerd, het rationele wel.”

Haar docenten klassieke talen wisten de kant van de ziel wel weer mooi onder de aandacht te brengen, maar op haar godsdienstleraar knapte ze af: te dogmatisch.

In de puberteit en daarna op de universiteit nam ze gaandeweg afstand van de religie waarin ze was opgegroeid. „Ik ging kritisch kijken en scherp zien waar inauthenticiteit zat, en dat was overal in de religie: in het dogmatisme en in de incongruentie van de mensen die bij de kerk hoorden. De waarden die zij predikten, waren niet zichtbaar in hun gedrag en ik vond hun uitspraken weinig inspirerend. Ik gooide het kind met het badwater weg: mijn atheïstische periode.”

De religie was ze kwijt, maar via de psychotherapie vond Leijssen de weg naar de verdieping en de spiritualiteit weer terug. „Cruciaal daarin is de therapeutische relatie. Hoe ontvang je mensen op een niet veroordelende wijze en hoe verken je de leefwijze van de ander onbevangen? Dat kan alleen wanneer je je eigen behoeften en begeerten, je ik, leert te overstijgen, en het beste van jezelf naar voren weet te zetten.

Zonder dat toen te beseffen, heb ik in mijn werk als psychotherapeut traditionele spirituele attitudes geleerd en ontwikkeld: zuivere aandacht, mededogen, meelopen op de lijdensweg, authentiek contact aangaan, en een uitgezuiverde ik-behoefte. Het is deze spirituele dimensie in de therapeutische relatie waar mensen beter van worden, waar ze van helen.”

Voor mensen die niet in therapie gaan en toch wat meer tijd voor hun ziel willen inruimen, heeft Leijssen een eenvoudig advies: ’vraag je af wat je echt belangrijk vindt in het leven en waaraan je werkelijk vreugde beleeft’. „Als je je afvraagt wat je blij maakt of dankbaar stemt of waarin je tot rust komt, dan krijg je een verwijzing naar wat je ziel nodig heeft. Dan kom je uit bij tijdloze waarden, waarover ook de filosofie het heeft: goedheid, schoonheid, waarheid en liefde. Je kunt je afvragen of je dat in je leven tegenkomt. En daar hoef je niet rijk of wijs voor te zijn.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden