Column

We moeten ons schrap zetten voor een inflatie van taalgeweld

null Beeld Jörgen Caris
Beeld Jörgen Caris

‘Lief meisje op de kermis,’ schrijft Dagmar in een open brief. ‘Kunnen we afspreken dat we het woord ‘kankerlijer’ niet meer gebruiken?’

Die dag was Dagmar samen met haar zoontje Bram op de kermis geweest. Eerder hadden ze in een ziekenhuis een bezoek gebracht aan Dagmars andere zoontje Youp, die vijf maanden eerder ter wereld was gekomen met een aangeboren gezwel. Op de kermis riep een meisje een vriendje ‘kankerlijer!’ toe. In haar brief legt Dagmar uit hoe pijnlijk dat was. Gebruik een ander woord, schrijft zij: ‘rotzak, eikel, stomme gast of zoiets. Dat maakt onze wereld net wat minder moeilijk.’

Dagmars brief is aangrijpend. Het is bijna onmogelijk je haar verdriet niet in te denken en stil te staan bij wat er door haar en haar zoontje heen is gegaan. Maar helaas zal haar hartekreet ook tamelijk vruchteloos blijven. Niet bij het meisje in kwestie misschien.

En al evenmin omdat zij er lang niet alle Nederlanders mee bereikt en ingesleten gewoonten heel moeilijk te veranderen zijn. Maar vooral omdat de taal nu eenmaal vanzelf grijpt naar schokeffecten wanneer de spreker ook maar een klein beetje nadruk of aandacht zoekt.

Vernietigingsoorlog

Wie scheldt, vloekt of tiert vecht een kleine vernietigingsoorlog uit. De wereld moet aan scherven, al is het maar in woorden – en dan liggen de grievendste, meest blasfemische en apocalyptische uitdrukkingen voor het grijpen. Verbale weapons of mass destruction zijn het, tegelijk wel en niet verwoestend. Want woorden doen geen pijn, zo heet het. Althans: niet hetzelfde soort pijn als echte klappen.

Maar ze ráken wel, en zelfs heel hard, al laten ze geen zichtbare littekens achter op het slachtoffer, en evenmin sporen bij de dader, die ook van zijn kant het effect ervan wel degelijk voelt. De vloek lucht op, het scheldwoord neemt onbloedig wraak – en daarbij passen geen halfzachte uitbarstingen.

Had Dagmar zo’n dertig, veertig jaar geleden over de kermis gelopen, dan had zij waarschijnlijk een ander woord gehoord: ‘klerelijer’. Het is inmiddels versleten geraakt: misschien door overmatig gebruik maar ook omdat niemand zich er nog iets bij kan voorstellen.

Waaraan lijdt de ‘klerelijer’ nu eigenlijk? Het schijnt iets met de Franse woede van de ‘colère’ te maken gehad te hebben, of anders misschien met cholera. Maar de schelder van vandaag hoort er alleen maar ‘kleren’ in en vraagt zich onwillekeurig af wat er nu zo erg is aan een jumpertje.

En dan komt de kanker om de hoek kijken. In de klerelijerstijd werd dat woord vaak niet eens uitgesproken, zo heftig klonk het. Het beschroomde ‘K’ moest volstaan. Maar elk woord verslijt en het onzegbare wordt gewoon genoeg om – onder behoud van effect – in de spreektaal te verschijnen. Met de moeder aller vloeken is hetzelfde gebeurd.

Publiek decorum

Ook die maakte aanvankelijk als half-beschroomde afkorting zijn opwachting in het publieke domein: ‘GVD’. Nu wordt hij in het hoorspel 'De 100-jarige man die uit het raam kroop en verdween' op prime-time van de belangrijkste staatsradiozender zo frequent uitgespuwd dat je afvraagt of er nog zoiets als publiek decorum bestaat.

De inmiddels eveneens honderdjarige Bond tegen het Vloeken heeft ooit voorgesteld die moeder aller verwensingen te vervangen door ‘rodondendron’. Vruchteloos, want het bekt wel lekker, maar heeft niets aanstootgevends, en juist dát maakt de vloek tot vloek.

Échte aanstoot hoeft hij daarbij niet eens te geven. Het uitspreken is al voldoende: vandaar dat die onderdrukt en onverstaanbaar gemompelde GVD’s die de boze burger niettemin voldoende opluchtten. Het decorum wierp een flinke barrière op tussen het private en het openbare. De vloek kon binnensmonds zijn werk doen, maar niet al te veel mensen hadden er last van.

Veel onderscheid tussen de persoonlijke en de publieke levenssfeer bestaat er intussen niet meer. Daarmee is ook de barrière van het decorum verdwenen. Zodat we ons moeten schrap zetten voor een inflatie van almaar verder ontketend taalgeweld. Zonder die grens verslijt de heftigheid van ‘verboden’ woorden nu eenmaal des te sneller.

Wanneer het GVD niet meer gemompeld wordt maar zonder voorbehoud uitgekreten, móet het zichzelf wel gaan overschreeuwen in een eindeloze jacht op effect. Of het nu de openbare omroep, GeenStijl of de kermis is: dat proces lijkt al een flink eind te zijn gevorderd. Er zullen nog dagen komen waarin we nostalgisch terugdenken aan 'onschuldige' scheldwoorden als ‘kankerlijer’.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden