We moeten ons afvragen waarom we in de EU nog bij elkaar zijn

Het kabinet betaalt de naheffing van ruim 642 miljoen euro die het aan Brussel moet betalen nog voor het einde van het jaar. Dat kan doordat er diverse meevallers zijn, aldus minister van financiën Jeroen Dijsselbloem na de ministerraad afgelopen vrijdag. Beeld anp
Het kabinet betaalt de naheffing van ruim 642 miljoen euro die het aan Brussel moet betalen nog voor het einde van het jaar. Dat kan doordat er diverse meevallers zijn, aldus minister van financiën Jeroen Dijsselbloem na de ministerraad afgelopen vrijdag.Beeld anp

De Brusselse bureaucratie is soms buitengewoon bekwaam in het zich ongeliefd maken. Een recent staaltje daarvan leverde zij met de 'naheffing' die landen als Nederland (€ 642 miljoen) en Groot-Brittannië (€ 2 miljard) moeten ophoesten - en wel snel graag! - na een boekhoudkundige herberekening van de nationale inkomens.

En alsof dit niet bizar genoeg is: Frankrijk, dat al jaren achtereen de in het kader van de Europese Monetaire Unie (EMU) afgesproken begrotingsregels aan de laars lapt, krijgt als gevolg van diezelfde herberekening ruim € 1 miljard toegestopt. Zou het niet een idee zijn om de uitbetaling daarvan ten minste afhankelijk te maken van het eerst nakomen door Parijs van de begrotingsafspraken? Dus: er gaat geen euro van de nabetaling naar Frankrijk zolang het begrotingstekort van Hollande boven de 3 procent blijft uitkomen.
Niet zeuren, zeggen eurofielen in zo'n geval altijd, kijk eens wat die Europese integratie ons allemaal wel niet oplevert. Dan moet je daar toch ook wat voor over hebben. Het vreemde is echter dat als de Europese integratie werkelijk voor alle lidstaten voordelig is, dat dit sommige landen dan extra geld moet kosten - zij zijn structureel 'netto-betaler' - terwijl andere landen steevast veel meer geld uit Brussel ontvangen dan zij eraan bijdragen.

Nu zou er veel voor te zeggen zijn dat discussies over de Europese integratie over meer gaan dan over geld of institutionele structuren. Op een bijeenkomst die de TeldersStichting onlangs organiseerde, wierp de Hongaarse hoogleraar Krisztina Arató in een verhelderend betoog enkele kernvragen op. Haar kernvraag bij uitstek: 'Waarom zijn we eigenlijk in de Europese Unie bij elkaar?'

Eurofielen en Brusselse bureaucraten weten op zich best wel raad met zo'n vraag. Om economisch overeind te blijven in een globaliserende wereld, kan hun antwoord luiden. Vanwege nooit meer oorlog in Europa, klinkt ook geregeld. En meer van dat soort ronkende beweringen, die vervolgens nooit met feitelijk bewijsmateriaal worden onderbouwd. Of het antwoord luidt: dat hebben we nu eenmaal zo gewild. Waarbij 'we' dan slaat op een klein groepje politici en Brusselse belanghebbenden; niet op de burgers in de Europese Unie.

Maar wat zou er in een democratie logischer zijn dan dat een dergelijke wezensvraag juist aan de burgers wordt voorgelegd? In een liberale democratie behoort het bestuur immers de burgers te dienen, en niet andersom.

Niets maakt Brussel, en veel nationale politici, echter zenuwachtiger dan zo'n open fundamenteel debat onder de inwoners van de Europese Unie. Daarin zouden namelijk wel eens heel andere dan politiek-correcte antwoorden kunnen worden gegeven. Er zou zelfs zomaar luid en duidelijk een tegenvraag kunnen opklinken: 'Ja, waarom eigenlijk?'

Zo'n kernvraag wordt in de lidstaten zelf ook niet aan de burgers voorgelegd, kan het verweer uit Brussel nog luiden. Dat klopt veelal, maar het verschil is dat het antwoord in menig land vanzelfsprekend is. Waarom de Nederlanders bij elkaar zijn, vraagt bijna niemand zich af. Dat komt doordat wij Nederlanders zoveel taal, cultuur en geschiedenis met elkaar delen dat het samenzijn in één staatkundig verband volkomen logisch is.

In landen waar het antwoord twijfelachtig is, komt de vraag vanzelf wel op. De Schotten hebben er bijvoorbeeld onlangs nog uitvoerig onderling over gediscussieerd. En het mooie is dat de beslissing daar uiteindelijk door de kiezers is genomen: we delen voldoende met de andere Britten om in het Verenigd Koninkrijk te willen blijven. Zo werkt democratie op haar best.

Misschien is de tijd gekomen de toekomst van de Europese Unie niet op een zoveelste Europese Raad of een nieuwe intergouvernementele conferentie te bespreken, maar het een gespreksonderwerp onder gewone burgers te laten zijn. Met die ene vraag als 'trigger' van het debat: 'Waarom zijn we in de Europese Unie bij elkaar?' Het antwoord zou in veel landen wel eens eenvoudigweg kunnen zijn: omdat we hopen eraan te kunnen verdienen. Maar dan zou de EU ook zo moeten worden ingericht dat dit blijkt.

Wellicht luidt in sommige lidstaten het antwoord: geen idee wat we erin doen, laten we er dus maar mee ophouden, of een andere vorm van samenwerking aangaan. Zo'n exit zou dan ook een reële optie moeten zijn, zonder woede-uitbarstingen in en sancties opgelegd door Brussel. Want als alleen het Brusselse circuit nog een positief antwoord heeft op de vraag wat we in de Europese Unie doen, is de basis van de Brusselse macht niet langer legitiem maar hol. En holle steunpilaren zullen vroeger of later ineen zakken.

Patrick van Schie is historicus en directeur van de TeldersStichting, de liberale denktank van Nederland. Hij schrijft deze column op persoonlijke titel.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden