Interview

We moeten genocideplegers begrijpen, vindt Kjell Anderson, ze lijken namelijk nogal op ons

Foto’s van slachtoffers van het Rode-Khmerbewind in het Tuol Sleng-museum in de Cambodjaanse hoofdstad Phnom Penh. Beeld Hollandse Hoogte / Henk Braam

Doden is best moeilijk, concludeert wetenschapper Kjell Anderson, die sprak met genocideplegers. Aan de andere kant: degenen die níet meedoen, dat zijn pas ongewone mensen.

Gefascineerd door massaal geweld en genocide was de Canadese criminoloog en jurist Kjell Anderson al langer. Toen hij in 2007 aan de slag ging voor een Rwandese ngo kreeg dat ‘ultieme kwaad’, zoals hij het noemt, een gezicht. Het werk bracht hem in aanraking met talloze slachtoffers, vooral vrouwen die te maken hadden gehad met seksueel geweld tijdens de genocide begin jaren negentig van de vorige eeuw. Steeds vaker rees bij hem de vraag; waarom doen mensen dit? Zijn aandacht verlegde zich daarmee allengs naar de daders.

Vanzelfsprekend was dat niet. “Het is makkelijker empathie en sympathie te hebben voor slachtoffers van massaal geweld. Maar het is ook een doodlopende weg als dat betekent dat je over daders geen vragen mag stellen, alleen maar in negatieve termen mag spreken en veroordelen. Er wordt vaak gesuggereerd dat proberen te begrijpen uiteindelijk uitloopt op goedkeuren. Natuurlijk keur ik die misdaden niet goed. Maar met afkeuring alleen kom je geen stap verder als je wilt begrijpen waarom mensen dergelijke misdaden kunnen begaan.”

De afgelopen jaren voerde Anderson lange gesprekken met zo’n tweehonderd mensen die betrokken zijn geweest bij massaal geweld in Rwanda, maar ook in Cambodja, Burundi, Bosnië, Oeganda en Irak.

Hoe lastig is het om daders te vinden die willen praten?

“Het verschilt per land. In Rwanda zitten veel mensen in de gevangenis, veroordeeld voor betrokkenheid bij genocide. Dan moet ik toestemming krijgen van de autoriteiten en als dat eenmaal is gebeurd, is het niet zo moeilijk. In Cambodja is maar een handvol mensen veroordeeld en daar moet ik eigenlijk als een journalist te werk gaan. Contacten opbouwen en veel rondvragen.

“Mijn ervaring is dat degenen die in de gevangenis zitten het makkelijkst praten. Misschien omdat ze zich vervelen, en dan komt er zomaar iemand langs die belangstelling voor hen heeft. Daarbuiten is het lastiger: mensen zijn bang iets te zeggen waarmee ze zichzelf in de problemen brengen, dat ze in de gevangenis kunnen belanden. Of ze willen niet dat hun omgeving weet wat ze hebben gedaan. Ik sprak een keer in Oeganda een man thuis, die lid was geweest van de LRA (Lord’s Resistance Army), die wilde niet dat zijn familie in de kamer was. Zijn vrouw wilde er juist wel bij zijn, ze was nieuwsgierig, want ze wist eigenlijk niet precies wat hij had gedaan.

“Maar het gebeurt ook dat mensen het heel moeilijk vinden om het te hebben over wat er is gebeurd en hun rol daarbij.”

U hield tijdens de NIOD-conferentie ‘Genocide na 1948’ een voordracht onder de titel ‘Is doden moeilijk?’. In de landen waarin u onderzoek heeft gedaan is op grote schaal gemoord. Toch is uw antwoord op die vraag ‘ja’.

“Voor de meeste mensen geldt dat ze het moeilijk vinden anderen schade te berokkenen. Vaak willen ze er zelfs niet aan denken dat ze dat zouden kunnen doen. Dat geldt niet voor iedereen, maar wel voor de meerderheid. Daar is veel onderzoek naar gedaan.

“In Rwanda waren het gewone mensen, vaak boeren, die betrokken raakten bij vreselijke misdrijven. De meesten waren nooit veroordeeld geweest, laat staan voor een geweldsmisdrijf. Het was een enorme stap om iemand om het leven te brengen. Mensen vertelden me dat ze nog altijd nachtmerries hebben, flashbacks, dat ze spijt hebben, dat ze er vaak aan denken. Alweer: dat geldt niet voor iedereen, maar wel voor velen.

“Genocide gebeurt in een specifieke politieke context, in een situatie waar angst een grote rol speelt. In Rwanda was er volop propaganda: ‘De Tutsi’s hebben het op je gemunt, ze gaan ons, de Hutu’s, uitroeien.’ Je kunt er nu en als buitenstander naar kijken en constateren dat dat onzin was. Maar in feite is dat niet relevant. Wat telt, is dat mensen die angst hebben ervaren, dat voor hen die angst reëel was. Er ontstaat enorme sociale druk. Milities rammelen aan je deur en zeggen ‘Kom, we gaan Tutsi’s pakken’. Ik heb mannen gesproken van wie de vrouw Tutsi was, maar ze waren meegegaan, vertelden ze, omdat ze dachten dat ze haar zo konden beschermen, door te laten zien dat ze aan hun kant stonden. En, paradoxaal genoeg, sprak ik ook een man die zelf Tutsi was en die meeging. Later is hij veroordeeld wegens betrokkenheid bij genocide.”

Wat maakt doden ‘makkelijker’?

“De sleutel is afstand creëren, fysiek en emotioneel. Andere mensen minder mens maken door de manier waarop je over ze praat. Door het niet te hebben over slachtoffers, maar over mensen die erom hebben gevraagd, die gevaarlijk zijn, die erop uit zijn jou iets te doen. Door het doden te presenteren als een daad van zelfverdediging.

“Hoe verder de afstand tot het slachtoffer, hoe makkelijker het wordt. Ook letterlijk. Als je je handen om iemands keel moet doen, is het een stuk lastiger dan wanneer je op een knop drukt om ver weg een raket te lanceren.

Foto’s van vermoorde Rwandezen hangen in het herdenkingscentrum in de hoofdstad Kigali dat aan de genocide van 1994 is gewijd. Beeld Hollandse Hoogte / Panos Pictures

“Dat zag je tijdens de Holocaust aan de manier waarop de wijze waarop Joden werden omgebracht zich ontwikkelde. Het begon - ik simplificeer nu natuurlijk - met massa-executies, met name in Oost-Europa. Documenten uit die tijd laten zien dat veel betrokkenen het daar moeilijk mee hadden. Ook militairen, bijvoorbeeld omdat ze dit niet vonden stroken met hun militaire eer, zeker bij het doden van vrouwen en kinderen. Toen kwamen er vrachtwagens waarin mensen werden vergast, daarna de gaskamers, waar veel minder mensen direct betrokken waren bij het moorden. Alweer, het geldt niet voor iedereen, maar voor de meeste mensen geldt: hoe dichterbij, hoe intiemer, hoe moeilijker het is.”

Zou je ook kunnen zeggen dat het moed vereist om te doden?

Anderson aarzelt: “Misschien. Het hangt ervan af wat je onder moed verstaat. Soms gaat iemand alleen maar mee met de meute, bang voor zijn eigen hachie, dat lijkt het tegengestelde van moed. Tegelijkertijd kan het voor een individu heel moeilijk zijn, moet hij of zij een enorme weerstand in zichzelf overwinnen. Zijn alcohol en drugs nodig om jezelf te verdoven.

“Maar het is beter om het woord moed te bewaren voor mensen die niet meegaan in wat van hen wordt verwacht en juist niet doden. Want dat kan in het slechtste geval betekenen dat je je eigen leven op het spel zet. En in het beste geval afkeuring en uitsluiting.”

Wie zijn die mensen die niet meedoen?

“Dat is een heel moeilijke vraag. Het kwam door mijn werk met slachtoffers dat ik geïnteresseerd raakte in daders. Maar daardoor ben ik ook weer geïnteresseerd geraakt in mensen die geen dader zijn geworden. Ik vind het niet leuk om te zeggen, maar dat zijn tamelijk ongewone mensen. In sommige situaties wordt doden de norm, en dat niet doen wordt afwijkend gedrag. Het totale tegenovergestelde van wat we doorgaans normaal vinden.

“Er is wel wat onderzoek naar gedaan, vooral in de context van de Holocaust. Soms gaat het om mensen met sterke religieuze overtuigingen; soms is het haast een kwestie van toeval dat mensen betrokken raken bij verzet: ze redden iemand omdat die hun vriend is, hoewel hij eigenlijk tot de verkeerde groep hoort. Dat was een goede Jood, of een goede Tutsi, heet het dan. Dat lijkt een paradox, maar dat is het niet als je dat begrip afstand erbij betrekt. Je voelt niet dezelfde afstand tot een vriend die Jood is of Tutsi als tot Joden of Tutsi’s in het algemeen.”

Doden is moeilijk, zegt u. Laat het ook sporen na bij de daders?

“Daar is nog niet veel onderzoek naar gedaan. Het is sowieso al bijna taboe om te praten over het trauma van daders, want dan wordt je al gauw verweten dat je medelijden hebt met mensen die de gruwelijkste dingen hebben gedaan. Maar ik denk dat je rustig kunt zeggen dat veel daders trauma’s hebben.

“Het meeste onderzoek is nog gedaan onder oorlogsveteranen, al gaat het dan vooral over de relatie tussen oorlog in het algemeen en trauma. Onderzoek naar het effect van doden is er nog maar heel beperkt. Het weinige dat er is, wijst erop dat mensen die zelf gedood hebben tijdens gevechten een veel grotere kans hebben te lijden aan PTSS dan mensen die anderen hebben zien doden, of soldaten die bij gevechten betrokken waren maar zelf niet gedood hebben. Er is een verband. Dat betekent niet dat iedereen die gedood heeft een trauma heeft, maar wel vaak. Mensen vinden het moeilijk op het moment dat ze het doen en kunnen er daarna slecht mee leven.”

Je kunt zeggen; dat hebben ze over zichzelf afgeroepen. Of moeten we toch zorgen voor opvang, behandeling?

“Dat is een lastige vraag. Ik denk dat er in ieder geval pragmatische redenen zijn om mensen te behandelen. Veel daders keren weer terug in de maatschappij. Zwaar getraumatiseerde mensen kunnen opnieuw problemen veroorzaken. Maar als je kijkt naar het beleid van de Internationale Tribunalen, moet je constateren dat er nauwelijks iets aan resocialisatie van veroordeelden wordt gedaan.”

Licht cynisch: “De aanstichters van genocide en massamoord, de leiders, zijn vaak niet zelf direct betrokken geweest bij het doden. Ze schuiven als het ware pionnen over een schaakbord, maar zien de gevolgen niet. Ik kan me voorstellen dat zij ook minder te maken hebben met trauma.”

Kjell Anderson Beeld TR BEELD

De Canadese criminoloog en jurist Kjell Anderson (1977) studeerde in Utrecht en Galway (Ierland). Hij was verbonden aan het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies en de Universiteit Leiden. In 2018 verscheen ‘Perpetrating Genocide. A Criminology Account’. Anderson werkt nu aan de University of the Fraser Valley in British Columbia, Canada.

Lees ook:

‘Ook tegenover meervoudige moordenaars moeten we humaan zijn’

Een nieuw college buigt zich sinds kort over de toekomst van levenslanggestraften. Een beladen klus.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden